HEDENDAAGSE LITURGIE (6)
L. G. BRUIJN, Em. pred.
Heeft dan een verloren zondaar niet meer nodig te gaan „Eens Christens reize naar de eeuwiglieid", ons door Bunyan zo treffend verzinnebeeld? Of zou met een „sacramentele" eredienst zo maar het antwoord gegeven zijn op de vraag, als van Luther: hoe krijg ik een genadige God? Daar horen wij niets van. In de Liturgische Kring en in de boeken van prof. van der Leeuw davert het van de woorden incarnatie en sacrament; maar de naam Middelaar kwam ik zo goed als niet tegen. Zijn lijden en sterven (opstanding) wordt dan ook niet als plaatsbekledend beschouwd, maar als z.g. „solidair": Gods Zoon, Die zich met de mensen één gemaakt heeft, door de menselijke natuur, zoals ook prof. Brouwer leert in zijn boek , , Verzoening", 1947. Ook de souvereiniteit Gods en de verkiezing Zijner genade, komen ten enenmale niet in aanmerking. Zo zijn we dan wel bij een nieuwe theologie aangeland. Genade vloeit de mens toe uit de sacramentele Christus, door Wie ook ons aards bestaan en alle levensuitingen een vernieuwing heten te ondergaan. Ip.v. waarachtige bekering en wedergeiboorte des harten, komt een magische z.g. herschepping, wordt de incarnatie gedacht zich in de kerk voort te zetten, en door het sacrament te presenteren.
Van een helen van de breuk met God horen we evenmin, zodat de eis der bekering van het Evangelie als wegvalt bij. de uitgesproken begeerte van , , aanbidden" en „wijden" en , , lofprijzen" Gods. De z.g. vrijspraak der (korte, bijkomstige) prediking volgt dan van zelf. Men heeft dit vorm gegeven in de massale schuldbelijdenis, die in formulierwoorden bestaat, en de z.g. genade-verkondiging, die, wel op voorwaarde van berouw, maar dan toch ook massaal vernomen en aangeboden wordt. Dit geschiedt vaak onder aanhef van: , , Als dienaar van Christus verkondigen wij u", enz. Maar de z.g. ontmoeting met God is, in of buiten de kerk, persoonlijk, en wel door het geloof. Noordmans zegt dan ook: , , God gaat niet naar de kerk, zoals wij er heengaan". Af te wijzen is een liturgische overschatting van het ambt, waardoor men van mens tot mens over absolutie spreekt, en die z.g. verkondigt, maar de verkondiging zelf nalaat, zoals die Schriftuurlijk en reformatorisch verankerd ligt in zondag 31, vr. 84, waar gezegd wordt, dat het Koninkrijk der hemelen door de prediking van het heilig Evangelie ontsloten en toegesloten wordt, en dus de vergeving der zonden door de Heilige Geest metterdaad aan de berouwvolle zondaar betuigd wordt, zonder weten of inmenging van de dienaar. Dit is de weg van Gods vrije genade, en niet de kunstmatige van zoeven. Vandaar, dat wij ons dan ook in velerlei, dat het Dienstboek bevat, niet kunnen vinden en dat het zo goed als langs ons heengaat. De liturgische geest domineert daar. En die is ook niet vrij van remonstrantse smetten.
Heel de opvatting van een , , grondvorm" van het „verkeer" met God of van „het geloofsleven", doet ons benauwend aan, en is m.i. een philosophisch beklemmingsbegrip, gelegd op het middelaarschap van de Here Jezus Christus, dat in de sacramentaliteit wordt ingekapseld. Onmiskenbaar is hier de invloed van Aristoteles 1), bij wie het wezen der dingen ligt in de uiteindelijke vorm, waartoe de stof geraakt door de in haar wonende bewegende en vormende kracht. Ik kan het niet anders zien, dan dat het zo ook moet liggen bij wat grond-vorm der incarnatie wordt genoemd, n.l. de gestalte, gedaante, vorm (Gr. eidos), die zij aanneemt in het sacrament. Het natuurlijke doorkruist dan wel heel erg het geestelijke, al wil Van der Leeuw van deze tegenstelling niet weten. Zo dadelijk hierover nader.
Maar op deze grondvorm van verkeer met God zou dan het wezen des mensen zijn aangelegd, in 't bijzonder van de christen. Maar hoe dan? Wordt een mens (zondaar) een christen (gelovige), in de sacramentele weg? Immers in het aan het sacrament toegevoegde (sacramentele!) woord der vrijspraak ontvangt men (herhaaldelijk) de verzekering van de vergeving der zonden? Deze vragen zijn bewust naïef. Ik wil zo kinderlijk mogelijk zijn, omdat eeuwige belangen in 't geding zijnj en tegelijk letten op de omkering der orde van Woord en Sacrament, waarbij het Woord de zin van , , toegift" ontvangt; en dat hier niet anders dan massaal wordt gedacht. „Omdat de openlbaring Gods niet geschiedt tot mensen afzonderlijk, maar tot mensen (n.l. in de eredienst, B.) vergaderd in Zijn Naam: gezin, volk, kerk" 2).
Het is anders. Dit blijkt vooral in het Oude Testament. Hier was geen grondvorm der incarnatie, uiteraard, al tracht men in de tegenwoordigheid Gods in ark en tempel een analogie te vinden, en de offers , , een reële sacramentele betekenis" te geven. 3) Hoe legt men dan Israels verblijf in Egypte uit, zonder tempel en zonder ark of tabernakel ? Toch heeft men ook daar in enige zin God gekend en gediend. Evenzeer als in de patriarchale tijd. En zo gaan we tot op Abel terug, en zijn dan meteen midden in de Godsropenbaring, zoals die na de val geschonken is, in de zin van: , , zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (Hebr. 9 : 22). In die openbaring, evenals in Gen. 3 : 15, school de incarnatie, maar die van het O.T. werd niet door die van het N.T. opgeheven; integendeel, zij werd er door verrijkt (Hébr. 1 : 1), gevende waarachtige zaligmakende kennis Gods, openende de weg tot het naderen van en het gemeenschap hebben met God (twee zaken, die niet, als in het liturgisme, inéén mogen getrokken worden). Hier is ook van een grondvorm geen sprake, wél van een door God gelegde grondslag. Hier zoekt en raakt en trekt de Here de mens persoonlijk, en niet in de eerste plaats in een of ander massaal verband. Hier blijkt de eigen broeder Kaïn er zelfs buiten te vallen. Genoeg. We zijn hier uit de zweving van dweperige theorieën tot de werkelijkheid van Gods genadebedeling gekomen, waaromtrent een Augustinus kon zeggen: „God en mijn ziel begeer ik te kennen. Niets meer soms? Volstrekt niet" (omnino). En met dat, , volstrekt niet" stemt ..Godis geheiligd volk" van alle eeuwen in, omdat het , , van Zijn trouw mag zingen". (Psalm 89).
God spreekt tot ons door de Zoon, alzo niet sacramenteel, maar reëel (daadwerkelijk). , , Hij heeft ons de Vader verklaard", sinds en doordat Hij is vlees geworden (Joh. 1 : 14, 18). Ik moge hier iets aanhalen uit en verwijzen naar het mooie, magistrale werk 4) van prof. dr. H. Visscher, „De Schepping", 1930 (blz. 121 vv.): „Om het wezen der religie te leren kennen, doet men beter niet met inbeeldingen der fantasie te beginnen, maar zich voor ogen te stellen het volkomene, rijkste en schoonste levensbeeld, zoals het in de verschijning van onze Here Jezus Christus ons werd voorgesteld in werkelijkheid". En verder: , , In Christus ligt besloten al wat ons aan Godskennis kan meegedeeld worden". Waarop deze wordt uiteengezet naar het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt van Christus.
Hoezeer heeft men dan in de Liturgische Kring de incarnatie misverstaan. Doch een dwaling komt zelden alleen: men heeft ook de mens in zijn wezen misverstaan; van hem zelfs een on- Schriftuurlijk beeld opgehangen. Het moet wel als een tegenhanger (pendant) van de incarnatie-theologie van het liturgisme beschouwd worden, wanneer reeds in de Inleiding van de , , Sacramentstheologie" wordt gedecreteerd, , , dat de mens niet een lichaam heeft, maar een lichaam is" 5). Hier (en ook verderop) wordt front gemaakt tegen (wat men noemt) de leer van de onsterfelijkheid der ziel. Deze zou afkomstig zijn uit de Griekse wereld sinds Plato (met inbegrip van het latere Hellenisme), voor wie 't lichaam een kerker der zïel is, en deze zelf een vonk van de godheid. Eeuwen lang heeft dan de kerk zich bezondigd met 't spreken over een onsterfelijke ziel. Men vergeet, dat de kerk voor het (Schriftuurlijk) onsterfelijkheidsgeloof nimmer heeft nodig gehad, zich aan te sluiten bij bepaalde bespiegelingen van heidense denkers, zomin als Johannes 1 iets van de Logosleer, bijv. van een Philo, zou hebben. Toch zou van geen twee-eenheid van ziel en lichaam gesproken mogen worden, ook niet van een scheiden bij het sterven. De krasse bewering wordt zelfs uitgesproken, dat in het O.T. , , met de mens steeds bedoeld wordt de „gehele" mens, zonder dat tussen lichaam en ziel enig weizenlijk onderscheid gemaakt wordt" 6). Dit komt m.i. min of meer neer op loochening van, het eigensoortig zielsbestaan des mensen, loochening van een onstoffelijke ziel als levensprincipe en voorwaarde voor het zelfbewustzijn, de persoonlijkheid, het zichzelf onderscheidende „ik" des mensen. Wij kunnen hier niet verder over uitwijden, want er is nog meer , , hooi op de vork". Maar we wrijven toch bepaald de ogen uit, als daar plompweg gezegd wordt: de mens is lichaam, en tegelijk beweerd, dat men weer echt- Bijbels wil worden. Want Gen. 2 : 7 spreekt daar rechtdraads tegenin: , , Alzo werd de mens tot een levende ziel". Dat hadden we al op de zondagsschool geleerd, dat daartoe de Here de mens de adem des levens, had ingeblazen. Opeens blijkt dit dan bij de liturgische heren niet meer waar, of maar dichtellijke inkleding te zijn. In het O.T. wordt echter Gen. 2 : 7 herhaaldelijk bevestigd. Hier zijn, om niet meer te noemen, twee merkwaardige plaatsen: Gen. 35 : 18: (omtrent Rachel): , , En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij, zijn naam noemde: Ben-Oni"; en 1 Kon. 17 : 21, waar Elia bidt: „Here, mijn God! laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen". In beide gevallen staat het woord nèphesch voor , , ziel", evenals in Gen. 2 : 7; het woord , , geest" (roeach) wijst aan , , de door Gods scheppende daad voortgebrachte en onderhoudende kracht des levens". Maar „het wordt nèphesch, versterkt met het woord chaja, als , , levende ziel", dient om het leven in al zijn uitingen te noemen, doch voornamelijk, om het levensprincipe als drager van het bewuste leven, te kenschetsen, als voelend, als begerend, als strevend wezen. Het wordt dus verstaan als een eigene wezenheid", enz. 6) ). , , De mens is ziel hij heeft geest" 7)'').
In dit verband moge ik ook nog verwijzen naar het tegenover beschouwingen als van Van der Leeuw cs. fundamentele boek van dr. J. Kooy te A'dam, „Persoonlijke onsterfelijkheid", 1939, waar op blz. 37 gezegd wordt: , , Ook het N.T. onderscheidt nadrukkelijk lichaam en ziel. De ziel wordt niet gedood, wanneer het lichaam wordt gedood. Het sterven op zichzelf betekent niet het mee te gronde gaan van geest of ziel", Matth. 10 : 28.
Alzo heeft het geloof der kerk geen verband gezocht bij de philosophiën van Plato en Cartesius, bij wie de ziel in de functie van het denken opgaat. Wij laten ons echter ook niet afleiden door de min of meer Aristotelische conceptie, die ons in de Sacramentstheologie wordt geboden; aldus: , , dat des mensen stoffelijkheid geestelijk en zijn geestelijkheid stoffelijk is, en dat de geest (ziel, B.) óf alleen een bepaalde houding van de mens is, die zich zijn menselijkheid bewust wordt, óf iets, dat niet bij hem hoort (wij cursiveren, B.), maar dat God hem toelegt (pneuma in de paulinische zin), maar in geen geval zijn eeuwig deel of zijn hoogste eigenschap" 8).
1) Liturgiek, blz. 14.
2) Liturgiek, blz. 31.
3) Sacramentstheologie, blz. 21, 22.
4) Helaas is het vervolg ervan uitgebleven.
5) & m., blz. 7, 8.
6) Prof. dr. H. Visscher, „De oorsprong der ziel in het licht der Gereformeerde levensbeschouwing'", 1937, blz. 83, 89 vv.
7) Dr. W. J. Aalders, „Bijb. Kerk. Woordenboek, De Kerk", iai9, blz. Z^.
8) Sacramentstheologie, blz. 7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's