DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 33
ZONDAG 30
Gij zult niet stelen.
In deze zondag gaat Calvijn het achtste en het negende gebod bespreken. Daartoe zegt hij: Laten we tot het achtste gebod overgaan. De leerling weet te antwoorden, dat daarin staat: Gij zult niet stelen. Dat klinkt weer zeer eenvoudig en het heeft, als Gods gebod, dan ook deel aan Gods klaarheid en waarheid. Maar zo gauw mensen er over spreken gaan, wordt het ingewikkeld en duister gemaakt. Reeds door de eenvoudige overlegging: Wat is diefstal eigenlijk; waar liggen de grenzen van roof en oneerlijkheid; van 't profiteren van anderer onwetendheid en moeilijkheden, wordt wakker gemaakt wat Calvijn dan ook uitspreekt: Is hier alleen de roof verboden, waarop het gewone recht betrekking heeft, of heeft het breder strekking? Dat laatste blijkt inderdaad het geval te zijn. Want de leerling blijkt te begrijpen, dat daar heel veel onder valt. Het heeft betrekking op alle kwade practijken en oneerlijke middelen, die er op uit zijn, om het goed van onze naaste aan ons te brengen, hetzij met geweld, hetzij sluw, of op welke andere manier dan ook, die God niet goedkeurt.
Als we dit antwoord aanhoren, merken we, hoe het haast letterlijk zo in de Heidelberger voorkomt. Dat is voor ons aanleiding, om er dus geen bijzondere toelichting op te geven. Maar in geval van twijfel zal het daar dan moeten worden nagegaan!
Daad en begeerte.
Het gebod Gods is, zo leert immers Ps. 119, zeer wijd. Ook zeer hoog en diep. Want als eenmaal verstaan is, dat de Wet nooit wettisch wil opgevat zijn, maar naar haar goddelijke, evangelische zin, dan komt meteen ook weer naar voren de onderscheiding, die we gedurig opmerkten, n.l. die tussen de daad en de gezindheid. Daarop richt zich de derde vraag: Is het genoeg, zich van de daad te onthouden, of is het willen (de geneigdheid) er ook bij betrokken? Dat laatste is ook hier weer het geval, zo goed als in de vorige geboden. We moeten daar altijd weer uitkomen. Daar de Wetgever geestelijk is, spreekt Hij niet alleen van de eenvoudige, uiterlijke diefstal, maar ook van de ondernemingen, begeerten en overleggingen, er op gericht, om ons zelf te verrijken ten koste van onze naaste.
We merken, dat de , , oude tijd" ons soms eenvoudiger kan lijken dan onze moderne tijden, maar in werkelijkheid daaraan zeer gelijk is. En Calvijn, groot mensenkenner, goed zelfkenner, geeft een stalenkaart van diefachtige practijken, die de mens (der zonde) van alle eeuwen niet onbekend kan zijn.
Zo komt de slotvraag: Wat moeten we dus doen? Het antwoord luidt: We moeten onze plicht doen, door een ieder het zijne te laten. Daarin ligt een heilige nuchterheid, zoals Wet en Evangelie die zo menigmaal doen horen. De mens, vooral de in z'n geweten geraakte mens, die zich poogt te excuseren, probeert graag, al zuchtend, te verklaren, dat de Here toch wel ontzaglijk zware lasten op de rug van Zijn mensenkinderen laadt. Op die vraag heeft Amos geantwoord: O neen, de Here vraagt alleen van u om in oprechtheid voor Zijn aangezicht te wandelen. En Paulus zal antwoorden: Om het Woord van God te vinden, hoeft niemand de hemel te beklimmen, noch de hel te doorgraven. Want het is vlak bij: in Christus Woord en mond en zo in de onze. In die lijn antwoordt Calvijn hier op de vraag: Is dat ontzachlijk zwaar en ingewikkeld, aan Gods achtste gebod te voldoen, met de eenvoudige vaststelling: De Here eist eigenlijk het minste, dat Hij vragen kan. Dat ieder z'n naaste datgene late, wat God hem gaf.
Het valse getuigenis.
Dan komt het negende gebod. Ons treft dat Calvijn in de catechisatie niet van een heel grote breedheid houdt, maar de dingen kort en bondig wil zien geleerd en gezegd. Latere lesboekjes hebben de stof vaak veel te veel versplinterd; z.g. ten dienste der jeugd, maar in werkelijkheid toch te hunner ondienste.
Het negende gebod luidt immers zo: Gij zult geen vals getuigenis geven tegen uw naaste. Het gaat daarbij om waarheid tegenover leugen. Dat doet Calvijn verder vragen: Verbiedt dit alleen de meineed voor de rechtbank of in het algemeen de leugen tegen onze naaste? Het antwoord geeft nu wat meer détail: Als Hij één deel noemt, geeft God een algemene onderwijzing, nl. dat we niet op een valse manier tegen onze naaste mogen spreken, en dat we niet, door onze oneerlijkheid en leugens, onze naaste mogen schaden, zomin in zijn bezit als in zijn reputatie.
Dat betekent weer een brede, diepe opvatting van het gebod. Het ene onderdeel, dat genoemd wordt, is niet het eind, maar het begin der zaak. Ook van de Wet (zogoed als van het Evangelie) geldt, dat de helft ervan ons nog niet is aangezegd.
Dus bedoelt dit gebod veel méér dan leugen en meineed. Het ziet op een geheel uit de Waarheid zijn, door de Waarheid vrijgemaakt en zo onder beslag van de Geest der Waarheid gekomen. De oude Dopers, die de eed weigerden, omdat ze immers mensen-uitde-waarheid waren, hebben het wel heel goed verstaan. Toch moeten we ze, zoals al eerder, ook weer hier in gebreke stellen: de macht van de leugen (de Leugen) is zo demonisch, dat ze er hier niet onderkomt. Alleen de Here Christus kon zeggen, uit de Waarheid te zijn; ook de meest aan Hem verknochten moeten weten: Als ik uit de Waarheid ben, betekent dat er bij mij nog al te veel leugen en schijn onder blijft gemengd.
Zo bedoelt Calvijn het hier en elders. Maar: hij komt nog even op het beperkter onderwerp, dat van de eerste zin van het negende gebod terug, door te vragen: Waarom wordt er dan bepaald van openlijke meineed gesproken? We weten, hoe vals getuigenis mensen in nood en dood kan brengen. Als in de mond van twee of drie getuigen alle woord bestaat: wee dan degene, tegen wie leugenaars en meinedigen samenspannen. Daarom wordt Israël het valse getuigenis, de valse eed, ook zo tot zonde gemaakt. Op de gestelde vraag antwoordt Calvijn: Om ons te grotere afkeer in te boezemen van de ondeugd die kwaadspreken en bedriegen is, door aan te wijzen, dat wie zich aanwent, om ten onrechte zijn naaste te lasteren en te kleineren, er ook al te gemakkelijk toe komt, om voor de rechtbank tot meineed te vervallen. Wie in het kleinere ontrouw is, die is ook in het grotere ontrouw.
Nog één vraag: Verbiedt God alleen kwaad van iemand spreken of valt het'kwaad denken van iemand er ook onder? Het antwoord moet wel luiden: Allebei volgens de reden, die we er zoeven voor gaven. Want wat kwaad is, wanneer het tegenover mensen gedaan wordt, is ook kwaad, wanneer het tegenover God gewild wordt. Dus denken is niets meer vrij of vrijblijvend dan doen. Tegenover Wet en Evangelie is er niets vrijblijvends, maar heeft alles te geschieden door de drang der liefde tegenover Hem, Wiens wij zijn en Dien wij daarom begeren te dienen.
Zeg dus nu eens, wat de kern van alles is? De leerling vat samen: Dit gebod leert ons, om niet geneigd te zijn tot onbillijk beoordelen of lasteren, maar om onze naasten liever hoog te achten, voor zover het zich met de waarheid verdraagt en hun goede naam in onze woorden te ontzien.
Merkwaardig doet ons misschien aan, dat Calvijn, bij de uitleg van de tweede tafel, deze geboden ook inderdaad op de mens richt en ze niet weer vergeestelijkt, zodat ze toch weer op God zouden doelen. We voelen intussen wel, dat hij ver afstaat van een zakelijke, zeer wereldse ethiek, die tussen zondag en werkdag a.h.w. een waterdicht schot kent. Hij bedoelt immers juist het tegendeel. Wanneer hij de christenmens oproept, zich te oefenen in deze leerschool, tegenover z'n gelijken en medemensen, dan bedoelt hij blijkbaar hem te laten weten: reeds daaraan hebt ge uw handen vol! Dat geldt al, zelfs als deze geiboden zovele artikelen van een politiereglement waren. Hoeveel te meer is het dan van kracht, waar achter de tweed© tafel nog de eerste staat!
Alleen door levend geloof, door een echte band aan Wet en Geest, aan de Here Jezus Christus, die de Wet vervul, de en zo die Geest verwierf, wordt het beoefend en geschonken: de naaste te dienen, te dragen, te eren, om zichzelfs wil. Maar uiteindelijk, om Gods, om Christus wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's