DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 34
ZONDAG 31
Het tiende gebod. Niet begeren.
We zijn aan het tiende gebod toegekomen; met zondag 33 wordt dan het tweede deel van de catechismus, dat over de Wet handelt (na het eerste, dat over het geloof sprak) beëindigd.
Laten we overgaan tot het laatste gebod. De leerling zegt dat op: Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht noch zijn dienstmaagd, noch zijn os noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
Het is duidelijk, dat dit gebod op de wortel van alle kwaad ziet: het schuldig, gulzig begeren van des naasten eigendom. Maar Calvijn herinnert zich, dat immers bij de uitleg van al de geboden daarop reeds werd gewezen, dat achter de daad steeds de gezindheid, dus het schuldige begeren was geoordeeld. Vandaar dat hij nu de vraag stelt aan zijn catechisant: Waar de hele Wet geestelijk is, zoals je gezegd hebt, en de andere geboden niet alleen zijn gegeven om de uiterlijke werken te regelen, maar ook de neigingen van het hart: wat voor nieuws wordt daar hier dan nog aan toegevoegd?
We merken hier weer die eerlijkheid van Calvijn op, die eerder moeilijkheden opzoekt dan ze wegmoffelt. Hier ligt wel inderdaad een moeilijkheid; het tiende gebod lijkt enkel een herhaling van een deel der vorige en kan dat toch moeilijk zijn, omdat de Here er een nieuw, apart gebod van maakte.
Het eigene in het tiende gebod.
Calvijn geeft de oplossing aldus: De Here heeft door de vorige geboden onze neigingen en onze wil willen regelen; maar hier wil Hij ook een wet opleggen aan onze gedachten, wanneer ze neigen tot hebzucht of begeerte, ook al komen ze niet tot het doel, dat we ons voorstelden.
De onderscheiding is fijn, wat subtiel, maar naar ons inzicht toch naar het leven getekend. Wij allen moeten deze arglistige overleggingen kennen, die de daad heel erg vindt, maar de gedachten zolang ze gedachten bleven, graag voor onschuldig en spel houden. In onze tijd wordt dat woord spel nogal graag gebruikt, ook waar het intens serieuze zaken betreft. Het ontbreekt ons niet aan enig begrip voor dit spraakgebruik, dat te stroeve Puriteinen maant, dat de boog niet altijd gespannen kan zijn en dat zeker spel en ontspanning kan plaats moeten hebben, ook in het christeinleven, wanneer dat niet overspannen zal raken. Maar ons dunkt wel, dat dit , , spel" eerder een kind van Renaissance en Humanisme dan van de Reformatie moet heten en dat we geducht moeten toezien, dat we, kinderlijk spelend, niet.op kinderachtige wijze aan een laatste ernst voorbij dartelen en die verspelen.
Calvijn's antwoord zegt blijkbaar neen tegen pogingen, om op een , , speelse" wijze te verontschuldigen hetgeen louter gedacht werd en zo maar eens opgeworpen, zodat het eigenlijk nog niet eens tot felle begeerte werd. Ook daartegen richt zich de , , totalitaire" eis van Gods Wet. We zijn niet vrij en er is niets vrijblijvends in ons leven; er is geen quasi-onschuldige voorlopigheid, die a.h.w. enkel maar eens een proefballon opliet. Want de wind, die wij niet in onze macht hebben, kan zo'n , , proefballon" aangrijpen\ en onherstelbare schade aanrichten. Zo menen we de zin der Schrift en die van z'n verklaarder te hebben weergegeven.
De „preciesheid" van het tiende gebod.
Blijkbaar schrikt degeen, die deze uitleg hoort, voor deze , , preciesheid". Inderdaad hebben wij allen daartoe reden, want , , rekkelijkheid" zit ons in bloed en geest. Wordt het leven zo niet op een ondragelijke wijze ingekooid en tot een onmogelijkheid? Worden we hier niet tegen de klippen opgejaagd?
Merkwaardig inderdaad, dat we hier, met het tiende gebod, gewaar worden, dat we op de zelfde hoogte zijn aangeland, waar ook de Bergrede vertoeft met haar , , absolute ethiek". Blijkbaar wil Gods Wet niet buiten het Evangelie van de Bergrede om verstaan zijn en evenmin de Bergrede buiten Gods Wet om. Want zo immers valt er alleen uit geloof te leven. Zo immers mogen we, tegen de klippen van Gods Wet doodgejaagd, leven uit het Evangelie en dan wel werkelijk door zondaarsgeloof. Want als wij juist aan het tiende gebod, dat „wortelgebod", onze onwil en onmacht geoordeeld zien, dan komt de Here Jezus Christus in het gezicht, die heel deze Wet, in al haar absoluutheid heeft gedragen en vervuld, om ons te leren en te schenken, door Zijn Heilige Geest, een leven uit Zijn gerechtigheid, dat niet alleen een , .dragelijk", maar zelfs een rijk en ruim leven mag heten.
Gedachten niet tolvrij
We spraken ervan, dat de leerling (èn de catecheet!) het benauwd bleken te krijgen in de nabijheid van dit grote en diepe gelbod. Iets daarvan klinkt door in de volgende vraag: Bedoel je, dat de minste verzoeking, die bij een gelovig mens zou kunnen opkomen, zonde is, zelfs als hij daar tegenstand aan biedt en er geheel.niet in toestemt?
Op deze manier zou men de fijnheid, de hoogte en breedte van Gods gebod belachelijk kunnen maken. Dat bedoelt de vrager begrijpelijkerwijze allerminst, maar anderen des te meer. Dat is toch overdreven en preuts en veel te fijn? In de critiek op zulk een , , puriteinse" levensstijl openbaart zich gedurig een demonische fijnenhaat, die ons demonisch lijkt, ook al erkermen we, dat de , , preciezen" door wettische practijken, de zaak van Wetgever en Verlosser vaak zeer kwalijk dienen.
Men kan ook aan ontspoorde en in kramp gevangen , , preciezen" van alles verwijten. Maar ze hebben dan toch verstaan, dat het leven uit Wet en Evangelie door het geloof een totalitaire eis op het leven betekent: een echte erkenning van het Koningschap van de Drie Ene God over heel ons leven. Het grote kwaad der , , rekkelijkheid" is niet, dat het een wat vrijer levensstijl huldigt; maar wel dat het, in een ondiepe vrijheid, die met de christelijke vrijheid niets te maken heeft, aan die volstrekte eisen èn beloften van Wet en Evangelie willen ontsnappen.
Het valt dus te verstaan, dat Calvijn er niet aan denkt, nu met de andere hand terug te nemen, wat hij met de ene stelde. Rustig antwoordt hij: Het is zeker, dat alle kwade gedachten voortkomen uit de zwakheid van ons vlees, ook wanneer het nog niet tot een toegeven er aan komt. Maar ik zeg, dat dit gebod spreekt van begeerten, die het hart van de mens kittelen en nijpen, zonder nog tot een bepaald doel te komen.
Calvijn houdt dus staande, dat het gaat om het heel aanvankelijke, het , , nog onschuldige", maar dat God intussen voor schuldig verklaart.
God eist zuiverheid des harten.
Dank zij Calvijn's zeer geestelijke en evangelische , , preciesheid" heeft de tegenspreker nu begrepen, dat er met Gods gebod te spelen noch te spotten valt, omdat Hij inderdaad van verre onze gedachten kent. Het komt zo tot een capitulatie: Dus je bedoelt dat, zoals de boze neigingen, die tot een vastbesloten wilsbesluit leiden, hierboven verboden zijn, de Here hier nu een zodanige zuiverheid (integriteit) eist, dat geen boze begeerte ons hart binnendringe, om het tot kwaad te verleiden?
Het antwoord op deze vraag kan alleen maar luiden: zo is het. We tekenen hier nog even aan, dat onze Heidelberger de scherpte van dit gebod op een zeer indringende wijze heeft weten weer te geven: dat nooit enige lust tegen enig gebod in ons opkome, maar we altijd en overal lust zullen hebben tot alle gerechtigheid (zondag 44). Vergelijken we dit met Calvijn's antwoord, (dat er in weergegeven wordt), dan lijkt ons een juiste conclusie dat Calvijn toch nog een fijner psycholoog was dan Urzinus- Olevianus waren, al bedoelen we daarmee allerminst, een diepgaand verschil aan te wijzen.
De samenvatting.
Zo heeft Calvijn, op een zeer on-wettische, dus geestelijke en evangelische wijze het tiende gebod verklaard. Hij komt nu tot een terugzien op het geheel, tot het maken van een korte samenvatting en het aan'wijzen van de kern der zaak. Zo oppert hij: Zouden we heel de Wet nu niet kort kunnen samenvatten? Dat blijkt inderdaad te kunnen. De leerling en z'n meester hadden het hierin niet zo moeilijk: Mozes, de profeten en de Here Jezus Christus hebben immers aangewezen, waar het hart van de Wet klopt. De leerling geeft dat zo weer: Ja, dat kunnen we doen door haar in twee artikelen samen te vatten. Het eerste daarvan is, dat wij onze God zullen liefhebben met heel ons hart, heel onze ziel en met al onze macht. En: onze naaste als onszelf.
We worden gewaar, dat de leerling een discipel des Woords is: hij geeft weer, wat hij hoorde uit de mond van Hem, die nooit liegt. Liefde tot God en liefde tot de naaste, om Gods wil, dit was de kern der Wet, van den beginne en tot het eind.
God liefhebben.
Daar moet nog iets over gevraagd worden, al werd in de besproken geboden de verklaring al zeer ampel gegeven.
Wat brengt het mee: God lief te hebben? Antwoord: Hem als (onze) God liefhebben betekent: Hem kennen en erkennen als Heer, Meester, Redder en Vader; wat insluit, Hem vreze, eer, vertrouwen, gehoorzaamheid en liefde te bewijzen.
Merkt u wel op die sterke nadruk op de liefde en het liefhebben? Is dit die z.g. stroeve, koude, systematische Calvijn? Als hij dat niet is in de uitleg van Gods Wet, dan zeker ook wel nergens. Wanneer de uitleg van zijn catechismus alleen maar bereikte, dat dit rijke inzicht ook onder óns doorwerkt, zullen we reden hebben dankbaar te zijn. Vele , , Calvinisten", en ook zij, die deze naam verwerpen, maar toch wel graag gereformeerd heten, kunnen vaak zeer principieel, zeer vast in de leer, zeer wettisch zijn, maar zonder dat ze die liefde blijken te kennen, die alleen de Wet vervult. In alle geval moge blijken, dat Calvijn er geen schuld aan heeft, dat onder zijn navolgers (nalopers? ) zovaak leus voor waarheid verkocht wordt. , , Preciesheid" zonder brandende liefde, tot God en naaste, heeft alle kans, alleen maar op een carrlcatuur uit te lopen. •
De liefde de vervulling der Wet.
In de verhouding van God en Zijn kinderen ziet Calvijn de liefde, die vertrouwen, eerbied, gehoorzaamheid insluit, in het centrum staan. Als we dat zo zeggen en horen, treft ons, dat daarom ook de afstand tussen Calvijn en Luther, tenminste hier, niet groot blijkt. Van Luther komt dat , , beroemde" maar eerder kostelijke woord, dat , , een God hebben" betekent: Hem boven 'alles liefhebben, eren en vrezen. Dat is toch precies hetzelfde als wat Calvijn hier belijdt? Het zou zelfs wel door dit woord van Luther, die door Calvijn als een groot dienaar Gods beschouwd werd, kunnen zijn beïnvloed. Gelukkig, dat Luther en Calvijn, ondanks veel triest misverstand, tenminste daarin eens waren! Dit heeft z'n toepassing tot op deze dag.
Heeft Calvijn nu nog alles, niet gezegd? Eigenlijk wel, maar, als die uitstekende Schriftverklaarder, die hij was, treft het hem, dat de Here niet maar , .liefhebben" in het algemeen vraagt, aan óns overlatend, de graad daarvan te bepalen, maar dat Hij ons voorkwam en tegenover onze natuurlijke koudheid stelde: liefhebben met heej de in- en uitwendige mens.
Zo luidt de laatste vraag: Wat betekent: met heel ons hart, onze ziel en onze krachten? Antwoord: Het betekent: God liefhebben met zo'n ijver en gloed, dat er in ons generlei wens, wil, neiging of gedachte leeft, die tegen die liefde ingaat. Het antwoord van onze Heidelberger, dat we zoeven noemden, moet wel bij deze woorden aanknopen. Wij hebben niet de moed. hier enige verklaring aan toe te voegen, vrezend, dat nadere verklaring op verduisteren moet uitlopen.
De Heilige Geest niet genoemd, maar wel bedoeld.
Alleen nog dit: Calvijn is immers de theoloog van de Heilige Geest. Hij heeft grote aandacht voor het bijzondere werk van de Heilige Geest, door Hem gedaan binnen de , , huishouding" van de Drie Ene God. Maar in de verklaring van het tiende gebod, dat toch wel waarlijk, als wij het betrachten en beleven, ons deed verstaan, dat het alleen kan , , door de Geest", d.w.z. door de Geest van Christus, de Wetsvervuller, die de grote Evangelist werd, spreekt Calvijn niet van de Heilige Geest.
Betekent dat een verloochening?
Uiteraard niet. Het betekent wèl, dat de Heilige Geest niet geëerd worfdt, door alleen maar genoemd te worden, te pas en vaak ook te onpas, maar door, ook onuitgesproken als realiteit bekend te zijn, door gebed en geloof, door de liefde van Christus.
Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's