De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

12 minuten leestijd

„Rondom het Woord" — Prof. Bavinck's eerste college — „Onder het Woord" — Drie terreinen — Het 9e christelijk nationaal schoolcongres — Getoetst aan vorige — Een woord van dr. Th. de Visser — Congresthema — Onderwijssysteem van August (Hermann Franoke — „Schildwachtshouding" van prof. Gerretson — Het „tweede en eerste terrein" — Van twee studentenbijeenkomsten — Nabetrachting op het optreden van Osborn in „Kerk en Theologie" — Ingrijpen van de Staat op geestelijk terrein.

De „aether-leergang" door de N.C.R.V. ingesteld blijkt hoe langer hoe meer een zeer gewild uur te zijn. Hij wordt ook goed verzorgd. Wie hem geregeld volgen, blijven zeer zeker op de hoogte van wat op het brede terrein der theologie actueel is en de aandacht verdient. Diverse professoren pogen hun hoorders inzicht te geven in de problemen, welke er zijn in de vakken door hen gedoceerd, en geven ook meermalen waardevolle richtlijnen voor de practijk en de arbeid in de gemeente. Ik veronderstel, dat vooral dit laatste ook interesse wekt bij gewone gemeenteleden, die meermalen, naar ik zo nu en dan merk, de radio 's maandagsmorgens om kwart over tien aanzetten.

Maandag 10 november j.l. heeft die laatste categorie, naar ik vermoed, wel met veel belangstelling en instemming prof. J. H. Bavinck, hoogleraar aan de V.U. te Amsterdam, beluisterd, toen hij zijn eerste college gaf over: „De dienst aan het Woord". Dat was treffend afgestemd op de situatie, waarin wij ons met het kerkelijk leven bevinden. Hij verbloemde het niet, dat er een zorgwekkende teruggang is in het kerkbezoek; in schier alle kerkgemeenschappen. Bij de oorzaken, welke hij hiervoor noemde, verzuimde hij niet in het licht te stellen, dat hiervoor een stuk schuld ligt bij de predikanten, al vergat hij evenmin de zondige inzinking in het leven der gemeente, Met grote ernst drong hij aan op wat hij noemde „onder het Woord komen", het Woord, dat niet is een „verstolde" neerslag van wat eens door de Here God werd gesproken, maar, zoals het in schrift tot ons komt, gedragen wordt door de Heilige Geest, de grote Auteur, Die de genade leert kennen om zichzelf kwijt te worden en echt te beluisteren wat God de Here in die bepaalde tekst te zeggen heeft. , , Niet nieuw" zal misschien deze en gene zeggen. Och neen, het is waar. Maar de wijze, waarop het werd gezegd, was uitnemend, en van diepe ernst. En dan doet het goed „dezelfde dingen" te horen zeggen.

Mij. trof evenzeer, wat hij zeide over de drie terreinen, welke hij, concentrisch stelde rondom het middelpunt, de cultus, de dienst des Woords. Als eerste wees hij aan de gemeente, die onderwezen, gevoed, gesterkt moet worden door de prediking. Als tweede de levensarbeid, gelijk die zich in ons christelijk onderwijs en allerlei christelijke organisatie moet ontplooien. Dat op dit terrein zoveel lauwheid en slapheid zich aftekent, komt doordat de prediking zo weinig geestdrift en bezieling wekt. En dan is er ten derde de brede zoom, waar de gemeente haar apostolaire taak heeft, waar ze het Evangelie Gods moet uitdragen.

Ik deed maar een greep uit het vele, dat die morgen werd gegeven. Het was beschamend, maar niettemin verkwikkend.

De laatste dagen van oktober 1.1., het week-end rondom 31 oktober, is te Amsterdam in Bellevue het 9e nationaal christelijk schoolcongres gehouden. Met bijzondere interesse heb ik mij in wat de dagbladen daarvan vermeldden, verdiept. Ik heb aan die congressen nog altijd een aangename herinnering. Nimmer zal ik vergeten de bezieling, welke er van uitging, wanneer men met zovele medestrijders voor het ons toevertrouwde pand samen was. Nog levendig herinner ik mij het congres, waar wijlen dr. de Visser, nadat zijn onderwijswet aangenomen en de financiële gelijkstelling een feit geworden was, sprak. Op dit congres — misschien het eerste? — was ook jhr. mr. A. F. de Savorin Lohman aanwezig, de onverdroten kampioen voor het christelijk onderwijs, wiens machtige en overtuigende rede bij de begrotingsdebatten, waarin hij minister Cort V. d. Linden toeriep: , , Doe recht", wel mede de oorzaak was, dat de commissie voor Grondwetsherziening werd ingesteld met de opdracht die wijzigingen te overwegen en voor te stellen, welke konden leiden tot beëindiging van de schoolstrijd. Op dat congres dan, waarop nog meerdere geharnaste strijders aanwezig waren, sprak minister de Visser over zijn aanvaarde schoolwet. Het was een dier magistrale redevoeringen, waarvan hij het charisma had. Hij toonde daarin een open oog te hebben voor de gevaren, welke de zaak van ons christelijk onderwijs bedreig­den, juist door die overwinning. Er kon, zo zeide hij, zo gemakkelijk een gevoel van , , we zijn er" komen, om dan voorts „te zien dat de rust goed was". Hij sprak toen ook het woord: , , het is gemakkelijker een overwinning te behalen, dan te bewaren". Zo ongeveer — ik citeer uit mijn geheugen — luidde het.

Aan deze dingen moest ik denken, toen ik in het congresverslag las. Allereerst trof mij pijnlijk, dat de voorzitter van dit 9e congres, prof. dr. H. Smitskamp, hoogleraar in de Vaderlandse geschiedenis aan de V.U. „met leedwezen de daling, moest constateren" van het aantal deelnemers in vergelijking met de gebruikelijke opkomst en het aantal aanwezigen drie jaar geleden (toen lag het aantal deelnemers ver boven de 750, thans bleken er ongeveer 425 deelnemers te zijn)". Vanwaar die teruggang? Heeft het congres te weinig meer van een , , toogdag"? Is het élan in onze gelederen eigenlijk geheel verdwenen? Is het congres uitsluitend voor de „upper ten", de intellectuele leiding, welke daar samen komt om te discussiëren over de problemen van vernieuwing en verandering in methode en leerstof? Ik weet niet wat op die vragen te antwoorden.

„Het congres was gegroepeerd om een centraal thema: „Spel en ontspanning in onderwijs en opvoeding" meldde de N.R.Crt. dd. 31-10-'58, een verslag, waaraan ook de overige citaten ontleend zijn. Inleider was dr. L. de Klerk, wetenschappelijk hoofdamibtenaar aan de rijksuniversiteit te Leiden en leraar aan de hervormde kweekschool te Amsterdam. Hij noemde het thema „een urgentieprogramma, opdat de scholen een weg weten te vinden om mensen te vormen, die geestelijk en moreel zijn gewapend tegen de gevaren van deze tijd". Ik kan dit centrale thema niet bijzonder waarderen. Ook de uitwerking niet, welke uitliep op:

„Positief zie ik het zo, dat de eenheid van onderwijs en opvoeding zo dient te zijn, dat alle activiteiten van de school, en de geest waarin en waaruit zij werkt, leiden tot een vorming van de mens, die zijn hele leven en ook zijn ontspanning en vrijetijdsbesteding in dienst weet te stellen van een hoger doel".

Maar het zal wel aan mijn smaak liggen. Niet dat ik tegen „spel" ben, doch het wordt, heb ik het goed begrepen, eigenlijk het een en het al. Het zgn. „creatieve" in het kind wordt te veel geaccentueerd, naar het me voorkomt. Co-referenten waren prof. v. Niftrik, prof. V. Riessen en prof. Schippers.

Het geheel, referaat en co-referaten, is mij te , , speels". Het wezenlijke, het grote beginsel, waarom het in ons christelijk onderwijs moet gaan, laat mij het maar heel ouderwets zeggen, het biddend worstelen om onze kinderen te winnen voor Christus en het jonge geslacht te vormen voor het leven in Zijn dienst, ontbrak er voor mijn besef te veel in. Misschien ben ik iets geïnfecteerd door het piëtisme á la August Hermann Francke, de stichter van het naar hem genoemde weeshuiis te Halle — hij stierf in 1727 — van wiens onderwijssysteem door dr. de Klerk gezegd werd, dat daarin , , niet paedagogische maar aan de theologie zijner dagen ontleende voorstellingen domineerden". , , Hij werd in christelijke kring vaak gevolgd", voegde de referaat er aan toe, en zeide vervolgens een niveau voor te staan, dat boven de sfeer van zorg, arbeid en verplichting uitgaat". De , .nieuwe zingeving" is niet in overeenstemming met Francke's systeem, dat geef ik toe. Maar prof. Van Niftrife, die „geen christelijke paedagogiek wilde", heeft, een tijd terug — ik heb het in deze rubriek al eens gememoreerd — voor een noodzakelijk piëtistisch element in ons leven gepleit. Welnu, dat onderstreep ik ook voor onze arbeid aan en in onze scholen. De onlangs overleden prof. Gerretson was calvinist, zo is gezegd. Doch eveneens, dat hij nimmer verloochende, te stammen uit Réveil-kringen. Vandaar, dat men hem getypeerd heeft als staande in de schildwachtshouding ten opzichte van de noodzakelijke invloeden van Réveil en Calvinisme in onze christelijke .beweging. Uit die , , schildwachtshouding" — zij doet denken aan Augustinus' , , schildwacht der eeuwigheid" — is wellicht te verklaren, dat zijn optreden vaak verzet in eigen kring opriep en men hem zag als een „enfant terrible". Hij was het getroost!

Maar ter zake. Het congres behoort tot het „tweede terrein", om nog even te refereren aan wat ik boven uit prof. Bavinck's aethercoHege verhaalde.

Is wat voor mijn besef op dit 9e schoolcongres ontbrak, ook te wijten aan het gemis, dat prof. Bavinck signaleerde in „de cultus", de prediking? In dit verband moet ik denken aan wat wijlen prof. dr. H. Bavinck eens zeide: , , De zwakheid der kerk is haar gemis aan zondebesef".

Het studentencorps van de V.U. heeft het in zijn vergadering van 28 oktober j.l. opgenomen voor prof dr J. Verkuyl. Het corps betreurt het n.l. dat aan genoemde hoogleraar geen gelegenheid wordt gegeven zijn beschouwingen inzake Nederlands Nieuw-Guinea in eigen kring naar voren te brengen. De corpsvergadering legde haar gevoelens vast in de motie, welke ik met bovenstaand bericht las in ..Weekbullettin d.d. 8 november '58 van Herv. Persbureau", en die als volgt luidt:

, , Het Studentencorps aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, in vergadering bijeen op 28 oktober j.l., gehoord de lezing van prof. dr. J. Verkuyl, getiteld , , Verzoening tussen Nederland en Indonesië",

overwegende, dat in deze lezing enerzijds nieuwe feiten inzake de verhouding Nederland-Indonesië naar voren zijn gebracht,

anderzijds bekende feiten tegen een andere achtergrond zijn geplaatst;

overwegende, dat de verhouding tussen Nederland en Indonesië steeds meer verslechtert en dat het geschil inzake Nieuw-Guinea beschouwd dient te worden als een toetssteen voor de verhouding van Nederland tot de Afro- Aziatische landen,

betreurt het in hoge mate, dat prof. Verkuyl tot nu toe in eigen kring geen gelegenheid geboden is zijn opvattingen naar voren te brengen;

is voorts van mening, dat het Nederlandse volk in al zijn geledingen opnieuw zo spoedig mogelijk geconfronteerd dient te worden met de door prof. Verkuyl en anderen gehuldigde opvattingen;

doet daartoe een dringend beroep op de hiertoe geëigende organen, in casu de Nederlandse politieke partijen en de Nederlandse pers, en gaat over tot de orde van de dag."

Ik onthoud mij van commentaar op het bovenstaande, doch plaats hiernaast iets van wat dr. Van Baal, oud-gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea, zeide op een door de Nederlandse Christen Studenten Vereniging belegde bijeenkomst in de Zendingshogeschool te Oegstgeest, het weekeinde van 8 november j.l. „Trouw" d.d. 10 november '58 gaf van de rede van dr. Van Baal het volgende résumé:

, , Ik ben bezorgd over Nederland, dat niet kiest voor het handhaven van het recht óf voor het verwerpen van het recht, maar de vrede wil bewaren. Men kan kiezen voor het pacifisme, maar dan over de hele lijn ontwapening, ook in Europa. Ik respecteer het wanneer iemand zegt, dat men onrecht moet lijden, maar mijn standpunt is dat van het recht. De manier waarop in Nederland over Nieuw-Guinea wordt gesproken is 'n symptoom van onze slaperigheid. Wij moedigen onze vijanden aan. Natuurlijk helpen de Amerikanen ons niet. Wie helpt nu iemand zonder ruggegraat. Niet zij die onze positie op Nieuw- Guinea willen handhaven, bedreigen de vrede, maar zij die onze positie daar willen ondermijnen".

In het slot van dat verslag lees ik: Ook pleitte hij ervoor, dat Nederlands en niet Maleis wordt onderwezen. De Papoea's vragen om Nederlands. Wij moeten ophouden met het ondermijnen van onze nationale positie. In deze boze wereld hébben wij met kracht en overtuiging op te komen voor wat recht is en goed. Maar laten wij dan ook bereid zijn, de schat die we kregen te bewaren."

Dr. Van Baal's rede zal ongetwijfeld (hun, die onder , , de hiertoe geëigende organen, in casu de Nederlandse politieke partijen en de Nederlandse Pers" tot de bevriende relaties van V.U. en V.U.-corps' gerekend kunnen worden, voorzeker welgevalliger zijn dan de corpsmotie".

In de Kroniek van , , Kerk en Theologie" van oktober j.l. houdt dr. Lekkerkerker een soort nabetrachting op het optreden van de Amerikaanse evangelist Osborn in ons land. Hij constateert, dat , , Kerk en secte elkander in een hevig ogenblik ontmoet hebben", en spreekt de hoop uit, dat , , de ontmoeting aan weerskanten vrucht zal dragen." Hij meent, dat , , na rijp beraad er toch wel het een en ander herderlijk woord zal moeten worden gesproken". .

Verder wijst hij ook op enkele winstpunten, o.m. , , dat in onderscheiding met vorige jaren het winterwerk in de gemeente sneller op gang kwam, dank zij een verhoogde belangstelling." , , Op het Malieveld", zo vervolgt hij dan, , , was in alle verschrikking die wij daar zagen voelbaar en tastbaar de hunkering naar de nieuwe aarde, waar geen ziekte en geen dood meer zal zijn". Indien dat heimwee waarlijk is gaan leven, is er zeer zeker van vrucht te spreken. Dr. Lekkerkerker besluit zijn Kroniek met te memoreren, het optreden van de inspecteur voor de volksgezondheid te Groningen en zegt in dit verband: , , Nu heeft een inspecteur voor de volksgezondheid in dezen meer wereldlijk gezag achter zich dan een aantal predikanten. En toch heeft het mijn hart goedgedaan, dat de overheid, althants een inspectie van de volksgezondheid zich zo concreet ging inlaten met een bepaalde prediking. Principieel zou deze inspecteur dit dus ook kunnen zeggen voor de prediking in een kerkgebouw?

Het is de moeite waard om over dit optreden eens theologisch te gaan nadenken. De overheid kan er ook niet buiten op bepaalde momenten en in bepaalde sectoren beslissingen te nemen, die ten nauwste te maken hebben met de ware religie". Het probleem dat de chroniqueur van „Kerk en Theologie" hier zijn lezers voorlegt heeft vele aspecten. Groen van Prinsterer heeft er zijn visie op gegeven. Kuyper en Hoedemaker eveneens.' Met dr. L. wacht ik gaarne of het „theoligisch nadenken" er zal komen en wat het als resultaat zal hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's