De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 35

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 35

13 minuten leestijd

ZONDAG 32

Het tweede grote gebod.

Calvijn sprak in de vorige zondag over het eerste grote gebod: God liefhebben met hart, ziel en krachten. Hij spreekt nu over het andere gebod, waarin de Wet mede samengevat wordt, nl. het de naaste liefhebben als onszelf. Hij stelt het aan de orde door te vragen: Wat is de betekenis van het tweede (grote) gebod? Hij krijgt ten antwoord: Dit: dat, waar wij van nature zó geneigd, zijn, onszelf lief te hebben, dat die drang alle andere overtreft, de liefde tot onze naasten zo moet overheersen in onze harten, dat ze ons leidt en bestuurt en de regel van al onze gedachten en werken moet zijn.

We wezen er de vorige maal op, met hoe grote aandrang Calvijn de liefde tot God in het christenleven wil zien leven. Op gelijke wijze wordt de naaste ons hier aangebonden en betuigd, dat de liefde van God in Christus, als ze ons hart vervult, niet koud kan blijven tegen de naaste.

De vraag komt even op, of Calvijn zelf ook wel deze liefde tot de ander tot de grondtoon van zijn leven heeft weten te maken?

De meeste mensen hebben van Cal­vijn een heel koud en hard beeld. Men houdt hem voor een aristocraat, met pauselijke allures, die dan wel schoon over de liefde kan hebben gesproken, maar in de practijk hard en streng placht te zijn.

Dat laatste kan niet geheel ontkend worden, al moet het ten minste zó worden aangevuld, dat hij allereerst streng (te streng!) tegenover zichzelf was. Dat doet ons verstaan, dat we dus niet aan verkapte eigenliefde kunnen denken. Maar deze stroefheid en hardhandigheid, die Calvijn nogal eens toonde tegenover de mensen, die hem prikkelden, heeft ook zeker een oorzaak in een overgeprikkeld, overspannen zenuwstelsel, waarvan wij, moderne mensen, allen kunnen weten, dat het van een , , lam" een , , leeuw" kan maken. Calvijn, met een zo druk leven en zelden vakantie, was, vroeg opgeteerd. Hij had een hele reeks ziekten, vermoedelijk was geen orgaan bij hem helemaal gezond en dit heeft een demper op z'n humeur gezet en hem vaak „moeilijk" gemaakt. Dit bleef hem echter niet onbekend en hij bekent, dat hij tegen het wilde beest van zijn toom dapper heeft gevochten en zich geschaamd en mishaagd heeft.

Is Calvijn dus ontrouw aan z'n eigen nadruk op de naastenliefde? We antwoorden eerst: Wie onder ons in deze zonder zonde is, werpe de eerste steen. En: als we, vooral in zijn preken en z'n brieven die milde pastor en fijne zielzorger ontmoeten, de man van wie men gezegd heeft, dat hij een kunstenaar was in het vriendschap sluiten en onderhouden, dan zeggen we: Dat is de echte Calvijn, zoals hij dat tweede grote gebod beoefende. We zeggen niet, dat dit het eerstgenoemde helemaal goedmaakt, maar wel, dat Hervormers, belaagd, bestreden en vermoeid, noodzakelijk hun liefde tot de naaste op ruiger wijze uiten dan Humanisten dat plegen te doen.

De naaste.

Het woord: onze naaste heeft geklonken. Het kan toch nauwelijks een , , probleem" zijn, wie daarmee bedoeld is, hoewel wij zo graag die vraag stellen, met de bijbedoeling, de kring van die lastige naasten, die op ons beslag leggen, zo nauw mogelijk te trekken.

Calvijn stelt ook die oude vraag: Wat versta je onder onze naasten? De catechisant geeft ten antwoord: Niet alleen onze ouders en vrienden, of de mensen, die wij kennen, maar ook hen, die wij niet kennen en zelis onze vijanden.

Dat is geen enghartig antwoord en het doet ons de leermeester, ook de Leermeester, kennen. We merken hier, dat Calvijn, helaas, aan een regelrecht zendingswerk niet is toegekomen, maar er innerlijk geheel toe gestemd was. Trouwens: elk nagebed, waarin hij z'n preken besloot, was een , , zendingsgebed": waarin hij , , alle arme onwetende mensen" voor de troon der genade bracht, biddend, dat de Here aan ze wilde denken. Of deze man dus de naastenliefde ook heeft beleefd!

Hoe ver zich de kring van die naasten wel uitbreidt, geeft de volgende vraag ons te verstaan. Hij vraagt daar: Welke band hebben (de naasten) met ons? Hij antwoordt daarop: Die band, die God gesteld heeft tussen de mensen op aarde, die onschendbaar is en die zo ook door de kwaadwillendheid van niemand kan worden tenietgedaan.

We moeten zeggen, dat Calvijn hier wat duister, zelfs wat wijsgerig spreekt. Denkt hij mogelijk aan een uitloper van wat wij als het , , natuurrecht" kennen? Maar dat kan hij in een catechismus toch niet ter sprake brengen. We denken daarom veel liever aan het Beeld Gods, al verwondert het ons, dat hij dat zelf niet noemt. Maar we wijzen er dan graag even op, hoe , , actueel" en , , modern" Calvijn ook hier weer is, want kennelijk heeft hij met dit alles het oog op, wat wij tegenwoordig noemen: de humaniteit, dus het mens-zijn, als een onvervreemdbaar goed, dat de Here God Zijn mensen meegaf en dat niet mag worden aangetast. Hij ontkent (elders) niet, dat de zonde dat Beeld Gods, dat echte mens-zijn diepgaand heeft verwoest, zo, dat er enkel , , vonkjes" van bleven. Die zijn echter onvernietigbaar, niet tot lof van de mens, maar tot lof van de Schepper, die Zijn werk niet laat verijdelen. Dit brengt mee, dat de mens geen beest en ook "geen duivel kan worden, zoals een heel felle soort Lutherse theologie het wel gesteld heeft en dat we daarom ook nooit van iemand mogen zeggen, dat dat geen mens meer is, zodat we die maar op hondse wijze en erger zouden mogen behandelen. We vatten weer, welke zendingsbetekenis deze gedachte bevat; het is weldadig te zien, hoezeer die zendingsgedachte onder de gereformeerden heeft gepakt en ze geleerd heeft, hoewel ze de heiliging van heel het leven zo hoog stelden, toch ook aan de minste en de onheiligste niet voorbij gingen.

We opperden zoëven, dat Calvijn zich hier wat gesluierd uitdrukt. Zo denkt de catecheet er ook over, want hij vraagt: Zeg je daar dus mee, dat, als iemand ons haat, dat voor zijn eigen rekening blijft, maar dat hij desondanks, volgens Gods ordening, niet ophoudt onze naaste te zijn en we hem daarvoor moeten (blijven) houden? Het antwoord laat zich, na het zoëven gegevene, wel denken: Zo is het. Wij hebben, vallend en ons zelf mismakend en vernielend, toch niet kunnen bereiken, wat Satan tenslotte voor had. Kostelijk is deze dieptheologische kijk op het mensenleven. We zouden dat een bepaalde kant van de z.g. algemene genade kunnen noemen en, hoe algemeen ze dan ook zij, ze openbaart een bijzondere zorg van God voor Zijn Schepping. Wat zonde én Satan ook konden vernielen: het menszijn, het Beeld Gods in de mens, toch niet. D§ zonde is overvloedig, maar de genade is overvloediger. Ze kwam voor, daarom kan ze ook volgen, om in Christus te zoeken en zaligen, wat verloren was.

Ook dit gebod blijft ten dele vervuld

Nu sprak Calvijn over dat liefhebben van de naaste met hart, ziel en krachten. Dat gold, waar het op God zag, maar ook, waar het de naaste op het oog heeft. We hebben niet verheeld, dat Calvijn in deze wist te falen; we moeten nog beter weten, beginnende bij ons zelf, dat wij zelf en elk ander het niet beter maken. Dat doet hem de vraag stellen: Waar de Wet de regel omvat van het zuivere dienen van God, moet de christenmens dan ook niet leven overeenkomstig haar voorschrift? Daar komen we stellig niet heel onder uit. Want Calvijn zegt: Ja zeker, maar in alle mensen is zo'n grote zwakheid, dat niemand zich er volkomen van kwijt.

De uitdrukking, die hier gebruikt wordt, kent elk wel uit onze Heidelberger. Met die , , blijvende zwakheid", is bedoeld de blijvende zonde, die, tegen onze wil, toch nog in ons leven blijft en die ons onbekwaam maakt om het pad der geboden anders dan struikelend te lopen. De Heidelberger tekent er bij aan, dat die blijvende zwakheid, als ze onze wil niet uitmaakt, maar ons ertegen te wapen roept, door Christus' lijden en sterven genadig vergeven is. Calvijn zegt dat hier niet met zoveel woorden, toch drukt het nauwkeurig zijn gevoelen uit.

De vervulling blijft ook bij hen die er toch met heler harte heen leven, ten dele. En dat, terwijl de Wet toch maar haar hoge, volstrekte eis volhoudt en niet van zins is zich bij ons aan te passen.

Velen hebben het gevraagd, eer Calvijn het hier stelde: Waarom eist de Here dan zo'n volmaaktheid, die boven ons vermogen uitgaat?

Daarin ligt een zelfbeklag. Ook een aanklacht tegen Eén, die zou maaien waar Hij niet zaaide. Maar daar geeft Calvijn vanzelfsprekend heel geen voet aan. Hij antwoordt, met die zelfde heilige nuchterheid, die we ook onlangs al eens aanwezen: Hij eist niets van ons, waaraan we niet zouden zijn gehouden. Maar wanneer we ons moeite geven om ons leven gelijkvormig te doen zijn met wat ons in de Wet gezegd is, rekent de Here ons geenszins aan, wat ons ontbreekt, al bereiken we lang niet de volmaaktheid.

Daar hebben we, wat we zoëven al uit de Heidelberger aanhaalden. We denken ook aan die aangrijpende zin uit ons Avondmaalsformulier, die zo klaar en klemmend zegt (en helaas: tot hoeveel dovemans-oren!) dat het bij het Heilig Avondmaal niet gaat om ons volmaakt of waardig de Here voor te stellen, maar dat we mogen weten, dat geen zonde of zwakheid die nog, tegen ome wil, in ons overbleef, het kan verhinderen, dat de Here ons niet als welkome gasten aan Zijn tafel zou beschouwen.

Dit stuk formulier zal ook wel op Calvijn teruggaan. Het geeft tenminste nauwkeurig weer, wat hij hier op het oog heeft. Daarbij trekke dan onze aandacht, dat hij zegt: als we ons moeite geven, ons leven aan Gods Wet te doen beantwoorden. Het Avondmaalsformulier zegt het nog wat klemmender: als het ons hele voornemen is, met alle krachten tegen de zonde te strijden, rekent de Here ons onder Zijn kinderen. Daarmee is een gemakkelijke lijdelijkheid in de ban gedaan. Helaas, dat ze zich zo moeilijk laat bannen. Uit vrees voor een „remonstrantse" werkheilighéid vervallen we zo licht tot een Stoïcijnse onaandoenlijkheid. We herinneren ons toch misschien wel eens gehoord te hebben, dat de vrijzinnige hoogleraar Kuenen van de Gereformeerden placht te zeggen: De mannen van de praedestinatie waren de mannen van de daad. We zouden ook mogen zeggen: De mannen (en vrouwen) van het gebed weten ook van het werken, het strijden, We hebben het gevoel, dat Calvijn in deze vrij slecht is verstaan en gevolgd. We zouden vaak niet zeggen, ziende op veel gereformeerde (, , gereformeerde"? ) levenspractijk, dat Gods genade arbeidzaam, strijdbaar maakt tegen Zijn en onze vijanden. De Hervorming en de Nadere Reformatie, vooral in haar bloeitijd, hebben dode, lome lijdelijkheid helder bij haar naam genoemd, n.l. bij die van geesteloosheid. De Christen in Efeze 6, in Bunyan's Christenreis is ten diepste een , , lijdelijke"; èèn, die leeft uit de genade. Maar wat een strijdlust, wat een kracht in zwakheid. Met de overwinning van de Here Jezus Christus achter onze rug en in ons hart kan er toch geen sprake zijn van een capituleren, tegen wie dan ook?

Zo wordt de volmaaktheid hier niet bereikt. Dat moeten we vooral niet makkelijk, te makkelijk zeggen, wanneer we er niet om gebeden, geleden en gestreden hebben. Wie daar nooit aan getipt heeft, moet zich geen illusies maken en geen lege leuzen aanheffen. Want de eis der Wet en de toom Gods blijft dan onverkort op hem of haar.

Wie volbrengt Gods Wet?

Van wat soort mensen is hier sprake, als er zo gesproken wordt van het najagen van de volmaaktheid en het , , ten bloede toe tegenstaan"? De catecheet vraagt: Spreek je van alle mensen in het algemeen of alleen van de gelovigen? Het laatste antwoord van onze zondag luidt dan: De mens, die niet door de Geest van God is wedergeboren, zou niet het allerminste kunnen uitrichten. Maar al zou er iemand kunnen worden gevonden, die er een deel van volbracht, die zou toch nog niet klaar zijn. Want onze Here zegt, dat allen, die niet geheel de inhoud van de Wet volbrengen, vervloekt zijn (Deut. 27 : 26; Gal. 3 : 10).

We hebben in de loop van onze uitleg enikele malen kunnen vasstellen, dat Calvijn eerder moeilijkheden opzoekt dan dat hij ze ontloopt. Als dat niet zo was, zouden we hier haast willen opperen, dat Calvijn een regelrecht antwoord op de gestelde vraag vermijdt. Hij zegt immers wel, dat de onherboren, ongeestelijke mens tot niets goeds in staat is, maar hij verzekert niet het tegendeel, dat in de Roomse en Doperse theologie te vinden is, nl. dat de herboren mens tot het goede geheel en al Is toegerust. Ook vermijdt hij de vraag, die onder ons nogal eens gesteld wordt, hoe ver de vermogens van de herboren mens toch wel reiken.

In de tijd na Calvijn, vooral in de 18e eeuw, heeft men dat veel meer gedaan. Zou het toeval zijn, dat Calvijn het vermijdt? Ons dunkt van niet. Hij wil ons blijkbaar niet in onszelf leren graven en zoeken naar vermeend goud, maar de goudmijn buiten onszelf doen zoeken, om van , , vreemd goud" te leven, dat ons toch wel degelijk echt eigen kan zijn.

Doet hij dat hier dan met zoveel woorden? Neen, maar Calvijn is geen man van veel woorden: gedurig laat hij iets onuitgesproken, als wilde hij ons uitlokken, om dat aan te vullen. Dat doen we dan vrijmoedig. Calvijn trekt onze blik af van al het onvolkomene en aanvankelijke in ons, opdat we daarvan geen krukken of steunsels zullen maken op de levensweg. Hij drijft ons zo buiten onszelf, om daar onze reinmaking en zaligheid te zoeken. Hij confronteert ons met de onverkorte eis van Gods Wet, waartegenover beginselen van geloof en bekering geen afschrijving en verzachting kunnen betekenen, maar eerder een verzwaring: die het wisten en het toch niet deden zijn dubbele slagen waard.

Christus onze gerechtigheid.

Hij confronteert ons met de vloek der Wet. Maar daar bedoelt hij toch werkelijk mee, ons de zegen van het Evangelie van de Here Jezus Christus te doen ontmoeten, die de Wet vervuld heeft, zoals de rijpste christen het niet eens van verre aanschouwt in eigen leven. Zodat hij daaruit leert — en de minder-rijpe in veelvoudige mate —, dat het geheim van geloof en leven dus niet ligt in het aanvankelijk en ten dele in ons gewerkte beginsel der gehoorzaamheid, maar in het zondaarsgeloof in de Here Jezus Christus, zó onze volkomen Gerechtigheid, achter Wie schuilend, verlegen en beschaamd met ons stuk- en brokwerk, we weten mogen, dat we in Hem worden gerekend en aangezien, als hadden we zelf alles valbracht, wal de Here Christus voor ons volbracht, wanneer we deze rijke weldaad met een gelovig hart moeten en mogen aannemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 35

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's