De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE (8)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE (8)

9 minuten leestijd

L. G. BRUIJN, Em. pred.

Doch wij moeten, nog even terugkomen op de onsterfelijkheid der ziel. Deze wordt ontkend door prof. Van der Leeuw, gelijk wij zagen. Hij meent, dat we moeten spreken van Opstanding (n.l. op de jongste dag), want volgens hem sterft de ziel mèt het lichaam; hij gaf daartoe een geschrift uit: „Onsterfelijkheid of Opstanding", 1936; maakte van beide een tegenstelling; liet de eerste gedachte volkomen los en besliste uitsluitend voor de tweede. Maar hoe? Niet van uit het standpunt des geloofs. De herscheppingsgedachte van de mens, die alleen , , lichaam" heet te zijn, wordt in de incarnatie-theologie tot in het ongerijmd-consequente doorgedreven, waardoor de gehele mens bij het sterven zo goed als vergaat (uiteindelijk wordt Van der Leeuw gelukkig toch weer inconsequent, waarop ik zo dadelijk terugkom), en eerst weer het leven Gods terugontvangt op de jongste dag. Die herschepping heet dan Opstanding, de wederbeleving van „ziel" en lichaam. Van drievoudige dood, die door de zonde over de mens gekomen is, als een staat, waarin hij zich van nature bevindt, is in dat verband geen sprake; er wordt blijkbaar niet aan geloofd. Maar , , dood" is Godsgemis, scheiding, en geen vernietiging, te gronde gaan, zoals Van der Leeuw het noemt.

Ook dit is een misvatting. De ziel des mensen treft na de zonde zelfs in de eerste plaats de (geestelijke) dood. Het doodsproces, dat van hieruit begint, noemt God Zelf (naar letterlijke vertaling) een , .stervende sterven". , , Met geen woord rept Van der Leeuw over de gedachte van het gericht na dit leven, hoewel deze gedachte onmiskenbaar duidelijk in het oog springt op de Nieuw-Testamentische bladzijden" 1). Volgens hem is met de dood alles uit, behoudens een eventueel scheppingswonder in de opstanding, door Gods genade voor de gelovigen, maar niet voor de ongelovigen. Wel, dan is de goddeloosheid toch bijzonder begunstigd, als de dood hun vernietiging is, en men niet behoeft te verschijnen voor de Rechter over allen (Hebr. 12 : 23), (dus ook over de ongelovigen). Zulke leringen worden ook verbreid door de Zevendags-Adventisten. Dat is dan toch wel een verdacht gezelschap. Prof. v. d. Leeuw zegt: „Alleen God is onsterfelijk. De mens gaf Hij de belofte der opstanding"2). Tim. 6 : 16 verklaart van God, dat „Die alleen onsterfelijkheid heeft." Met dr. Kooy ben ik eens, dat hier helemaal niet staat, dat God onsterfelijk is, en dat onsterfelijkheid een categorie is, die op het Eeuwig Wezen absoluut niet van toepassing is, want om onsterfelijk te kunnen zijn, moet ook het tegenovergestelde, sterfelijk, mogelijk kunnen zijn. En dit past alleen op het schepsel, niet op de Schepper. Er staat dan ook, dat God alleen de onsterfelijkheid heeft, dus daarover beschikt en geeft aan de mens, naar Zijn genadig welbehagen 3). Hij heeft die niet van nature, evenmin als de engelen. Op een ringvergadering, waarin een jong collega refereerde en dezelfde meningen vertolkte als prof. Van der Leeuw, vroeg o.a. een oud col­lega: welke troost hij dan wel in het sterfhuis verkondigde, als de ziel van de in Christus ontslapene niet verder zou voortbestaan. Het antwoord bleef stokken. Paulus wist zeer stellig, dat, als hij ontbonden werd, hij met Christus zou zijn (op staande voet en niet eerst door de opstanding. II Cor. 5:1 zegt het nog eens. De begenadigde en verloste ziel kan eenvoudig niet meer aan de dood ten prooi vallen. En hoe zou er ooit van wedergeboorte en bekering in een „zielloos" mens kunnen sprake zijn?

De vragen stapelen zich op. Wordt de naam , , levende ziel" ook aan het dier toegekend, men vergete dan niet, dat hier het levensbeginsel, dat op Gods bevel zich in de bevruchte aard bevond, wordt aangeduid; maar dat aan 's mensen ziel Gods adem des levens werd ingeblazen, onsterfelijk en onverderfelijk leven, de geestelijke en zedelijke kwaliteiten der ziel. Bovendien schiep God de mens naar en in Zijn beeld, zijnde kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dit alles komt in het Liturgisme niet tot zijn recht, of wordt er verwaarloosd, om de incarnatie-theorie maar sluitend te maken. Wil men aansluiting aan de natuurgodsdiensten, welnu, prof. Bavinck stelt, dat de leer van de persoonlijke onsterfelijkheid bij alle volken en op iedere trap van ontwikkeling voorkomt en eerst vanuit de religie in de philosophie is overgegaan, een overtuiging, die spontaan uit de menselijke natuur zelf opkomt 4), 't Kan ook niet anders, want , , wij dan, zijnde van Gods geslacht" (Hand. 17 : 29).

En nu de in-consequentie; want de natuur is sterker dan de leer. In de opstanding moet , , ik" het toch zijn, die door God wordt opgewekt. Daaruit volgt, betoogt Van der Leeuw, dat er iets moet zijn, dat overblijft, dat voortbestaat en waarop God het nieuwe schepsel bouwt" 5) 't Wordt, totaal onbegrijpelijk, aangeduid, als datgene van de mens, wat God vasthoudt (en hij was er immers niet meer!); verder: , , een mogelijkheid naar God toe". Zuiver abacadabra. Prof dr F. W. A. Korff (overleden) maakt het iets beter, als hij zegt, dat de leer van de onsterfelijkheid der ziel , , moet vervangen worden door de onsterfelijkheid der Gods-verhouding" 6), omdat hij het eindoordeel over de goddelozen niet wil uitschakelen, zoals prof. Van der Leeuw doet. Doch nu maakt hij geloof en ongeloof, die beide maar dit leven duren, het geestelijk bestand voor God dus, tot iets onsterfelijks. 't Is onmogelijk en 't is onbijbels. Doch waar de waarheid wordt ontlopen, komen niets dan gedrochtelijke voorstellingen.

't Is maar jammer, dat dit godsdienstig nieuw-modische bij velen , , gekleed" schijnt te staan. Enige tijd geleden vertelden mij een paar leerlingen van een Christ, gymnasium in een der grootste steden, waaraan een Hervormd predikant als leraar verbonden was, dat hij had beweerd, dat de ziel van een mens evenzeer sterft als het lichaam.. Zij en anderen hadden dit tegengesproken (flink zo!), maar de godsdienstleraar hield vol, Toen kreeg ik de vraag, of dit nu Hervormd was. Neen, vast niet; eerder sectarisch; een vreemd lichaam in het leven der kerk. In een onlangs ontvangen schrijven werd mij bericht, dat zelfs een hoogleraar van de Geref. Kerken (Art. 31) de leer van de onsterfelijkheid der ziel heidens had genoemd. Hij voelde meer er voor, om te spreken van de „onverderfelijkheid der ziel". Mijns inziens behoren deze woorden, hoe nauw ook verwant, onderscheiden te worden. De weinige plaatsen in het N.T. echter, waarin het woord onverderfelijkheid voorkomt, maken het taalkundig verschil duidelijk: onsterfelijk is: wat aan de dood is ontheven; en onverderfelijk: wat van de macht en invloed der zonde is vrijgemaakt.

Dit laatste kan alleen daarom op 's mensen ziel slaan, omdat het eerste haar door Gods genade is gegeven. Dood en verderf volgen elkander, niet omgekeerd. Van Christus wordt gezegd: , , Die de' dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid (n.l. van dat leven) aan het licht gebracht, door het Evangelie" (II Tim. 1 : 10).

Wanneer nu verder de Liturgische Kring ons in de hand wil geven , , Handboek voor de eredienst in de Ned. Herv. Kerk, " een menu, gelardeerd met de door ons verworpen onbijbelse leringen, dan moet ook de titel van dit boek als zodanig afgewezen worden. Want de hier bedoelde eredienst strijdt met het wezen van de kerk der Reformatie en mag in haar midden niet worden besteld of erkend. Daarvoor moet men aan een ander adres zijn, te eigener keuze.

Dr. Gravemeijer, in zijn oude tijd, gaf ons een aanwijzing in zijn afscheidspreek van Den Haag, 31 maart 1940, „De Woord-kerk de hoor-kerk" (Rom. 10 : 17): „Dat is de nood der kerk, dat zij telkens, in plaats van kerk van Christus te zijn, dat is kerk des geloofs, niet gelooft, en kerk der wereld wordt. Niet de werk-kerk, maar de hoor-kerk is begenadigd". Enkele weken daarna was er predikantenvergadering in Utrecht. Over de Liturgische Beweging zou ds. Zeydner het pro behandelen en ds. Gravemeijer het contra. De stellingen van ds. Gravemeijer waren bijbels en reformatorisch gefundeerd. In zijn repliek sprak hij de merkwaardige woorden: , , Samuel heeft geleerd te, zeggen : „spreek. Here! want Uw knecht hoort". Maar thans wil men het omkeren: „hoor. Here! Uw knecht spreekt." " Prof. Van der Leeuw, die tegenwoordig was, probeerde dit te ontzenuwen, door er van te maken: , , hoor. Here! want Gij hebt tot uw knecht gesproken". Tevergeefs, ook wat de algemene indruk betrof.

We zijn toegekomen aan nog enkele liturgische uitwassen. Er zijn er, die de biecht weer willen herstellen. Ds. L. Brink, te Velsen, schreef daarover. Stellig op voorgang van wat prof. Van der Leeuw hierover geeft in , , Liturgiek", blz. 207: , , Het behoort ongetwijfeld tot het ambt van de Priester de zonde te vergeven, nadat zij hem (!!) beleden zijn." Dit is Rome in het kwadraat. Ds. Brink wil voortaan vóór elke Avondmaalsviering, op een nader af te spreken tijd in de , , gewijde ruimte" zelf, in de onmiddelijke nabijheid van de Avondmaalstafel, te vinden zijn voor ieder, die maar wil. Absolute geheimhouding werd zijnerzijds verzekerd, 't Woord absolutie las ik er nog niet bij. Doch die zal er wel in een of andere vorm aan vastzitten. En allicht vindt in onze desolate Ned. Herv. Kerk zoiets navolging bij andere predikanten. Waar komt men aldus uit, anders dan bij Rome? De rooms geworden vroegere Geref. predikant dr. H. B. Visser doet er nog een schepje op. Zeer onlangs heeft hij op een bijeenkomst van Haagse Katholieke vrouwen verzekerd, dat hij meermalen van protestanten te horen gekregen heeft: , .Katholiek word ik nooit, maar de biecht moeten we terug hebben." Jammer, dat hij niet enkele namen van dusgenaamde protestanten genoemd heeft; we konden er dan beter achter kijken. Eén biechtvader noemde hij echter: dr. W. Aalders, Herv. pred. in Den Haag. Met de Reformatie was men verheugd, dat het met biecht en biechtpractijk uit was; de deformatie van heden slaat er een begerige blik naar, en beseft niet, dat toen en nu biecht en biechtvader beide in de weg staan voor bezwaarde zielen, die immer en rechtstreeks tot Christus willen gaan, om van Hem alleen vergeving en troost te ontvangen.

En dan verzekert dr. Visser ook nog, da); er in het protestantisme hunkering zou zijn naar het kloosterleven. , , Het is slechts een kwestie van tijd, we zullen nog meemaken, dat we ook in ons land protestantse kloosterorden krijgen", zei hij. In Taize (Frankrijk) en in Grandchamps (Zwitserland) zouden ze reeds zijn. Ik weet niet, of anderen wel eens iets van die hunkering bemerkt hebben, ik niet. Maar in deze tijd van verval, waarin bij velen de sleutel der kennis schijnt weggenomen, schijnt helaas alles mogelijk. Laat ons echter hopen, dat genoemde profeet brood eet.


1) Kooy. a.w. blz. 143. Vgl. ook van deze schrijver in a.w., blz. 29—44, II. „Wij en de 'Ziel."

2) G. van der Leeuw, „Onsterfelijkheid of Opstanding", blz. 31.

3) Kooy, a.w., blz. 141, 142.

4) Geref. Dogmatiek, 3e dr., IV, blz. 648 v.v.

5) Kooy, a.w., blz. 147.

6) „Onsterfelijkheid", blz. 22.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's