Gevolgen van de Hervorming te Zürich
29 januari 1523 was het eerste godsdienstgesprek in Zürich op last van de overheid gehouden met als resultaat, dat Zwingli met zijn prediking mocht voortgaan en dat er niets gepredikt mocht worden, wat niet met de Heilige Schrift bewezen kon worden. Men blijft hierbij echter niet staan, maar werkt onmiddellijk verder. De nonnen uit Oetenbach krijgen toestemming het klooster te verlaten. Ook de andere kloosters worden langzamerhand verlaten en worden rijp voor opheffing. In 1524 worden de Augustijner en Dominikaner monniken door de pilitie ontboden in het klooster der Barrevoeters. Hun wordt de opheffing der kloosters medegedeeld. Indien zij het klooster willen verlaten kunnen zij de meegebrachte goederen terug krijgen. De meesten vertrokken; zij, die bleven kregen een pensioen. Het klooster der predikheren werd hospitaal, het klooster der barrevoeters werd de werkplaats van de boekdrukker Froschauer.
September 1523 wordt het koorherenstift aan het Grootmunster hervormd. De gezamenlijke kosten voor de uitdeling van de sacramenten, het lezen der zielmissen, de begrafenissen vallen weg; het getal der stiftsgeestelijken is' te groot, daarom zal een aantal plaatsen na de dood van de huidige bezetters niet meer betzet worden en wie zijn ambt niet waardig vervult wordt afgezet. Op deze wijze kWam nu allerlei geld beschikbaar, en deze sommen groeiden, toen langzamerhand de missen geheel ophielden. Wat moest er met dit kerkegoed gebeuren? Voor Zwingli stond het antwoord vast: het komt de kerk ten goede en vloeit niet in de zakken van de overheid. Het moet bestemd worden voor onderwijsdoeleinden en de verzorging der armen. Dat is ook gebeurd.
Onderwijs.
In juli 1525 werd de z.g. „profetie" in het koor van het Grootmunster gevestigd. Zwingli heeft dan de leiding van het schoolwezen gekregen. Men kan ze gerust de eerste theologische faculteit van Zurich noemen, want ze diende voor de vorming van de geestelijken. De predikanten, helpers, koorheren en kapelanen k'wamen met de oudere leerlingen dagelijks, met uitzondering van vrijdags en zondags, samen om de bijbel te verklaren uit Latijnse, Hebreeuwse en Griekse teksten. Gods Woord moest zuiver, in de oorspronkelijke betekenis onder de menen komen. De naam „profetie" verkreeg men niet, omdat hier ook de profeten van het Oude Testament behandeld werden, maar omdat men in de profeten, waarvan Paulus in 1 Corinthe spreekt uitleggers der Schrift zag. Zwingli werd door verschillende vrienden als leraar bijgestaan o.a. door Leo Judae. De oude Latijnse school bij het Grootmunster werd dank zij een reorganisatie de voorbereidende school voor dit theologisch onderricht. Zij werd een predikantenoplelding; van hier gingen de predikanten naar stad en land. De geest van deze onderwijsreorganisatie werd door Zwingli samengevat in een klein boekje „Over de opvoeding van edele jongelingen"
Beelden.
Over het vraagstuk der beelden in de kerk werd in oktober 1523 weer een groot gesprek gehouden, weer op het raadhuis, om de verwijdering der beelden te rechtvaardigen. Toch ging Zwingli met voorzichtigheid te werk. Hij en zijn vrienden trokken het land door en predikten tegen de beelden ter voorlichting van liet volk.
Zwingli schreef een klein boekje „De Herder" speciaal voor de predikanten. Januari 1524 werd weer over de beelden gedisputeerd, pinksteren werd de hele zaak nog eens door Zwingli doorgesproken, zodat eind jxini de beelden en altaren uit de kerken van Zurich verwijderd werden, de schilderijen op de muren werden met doeken bedekt. Van het kostbare materiaal is zo goed als niets gered. Maar men ziet in de beelden de afgoden, die zich tussen God en de ziel willen plaatsen. Het is dienst van het schepsel in plaats van dienst van God. Daarom, moeten de beelden en altaren vallen, omdat zij het Evangelie een ergernis zijn. Zwingli liet echter de gekleurde ramen bestaan, omdat hier het gevaar van afgodendienst wegviel. Zwingli wenste echter de beelden en wandschilderingen niet als onderrichtsmiddelen te erkennen: Christus heeft met het Woord onderricht gegeven en niet met de beelden, het Woord Gods staat nu op de kandelaar, ieder kan Jiet horen.
Orgels.
Zo staat de zaak ook met de verwijdering van de orgels uit de kerken. Van 1525—1598 heeft in de kerken van Zürich geen orgel geklonken, gemeentezang werd niet gehoord. Hoe is dat mogelijk? Juist bij Zwingli, die toch zo muzikaal was? Waarom schept hij niet als Luther het Evangelisch gemeentelied? Beslissend is weer het godsdienstig uitgangspunt. Men heeft het Latijnse koorzang afgeschaft, deze werd door het orgel begeleid en daar deze viel, omdat men het , , gebler" niet begreep, viel het orgel mee. En wanneer men in Zurich de koorzang niet door de Duitse gemeentezang verving, dan kan dit hieruit verklaard worden, dat voor de gemeentezang het bijbelse voorbeeld ontbrak. Zo kreeg de godsdienstoefening een voor moderne begrippen zeer eentonig karakter, slechts prediking en gebed en daarbij nog een groot aantal malen: zondags tweemaal, in het Grootmunster driemaal; op de dagen in de week tweemaal en op vrijdag, de marktdag nog een extra'dienst voor het naar de stad stromende landvolk. Dat was ter vervanging van de dagelijkse missen der middeleeuwen. De godsdienstoefeningen wefden langzamerhand slecht bezocht en de overheid verplichte toen de kerkgang.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's