DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 36
ZONDAG 33
Slot van het tiende gebod.
Het ging in de vorige zondag over de vervulling der Wet. En aan het slot ervan zei de catecheet, dat de natuurlijke mens tot geen goed in staat is. Maar dat ook de gelovige aan een volkomen vervulling hier niet toe komt.
Meervoudige dienst der Wet.
Hierbij knoopt nu zondag 33 aan. De catecheet vraagt: Dus daar moeten we uit opmaken, dat de Wet een dubbel ambt heeft, zoals er twee soorten mensen zijn? En daarmee blijkt de bedoeling goed te zijn verstaan, want het antwoord luidt: Inderdaad. Want tegenover de ongelovigen dient ze slechts, om hen te beschuldigen en hen alle verontschuldiging tegenover God te ontnemen (Rom. 3 : 3). Dat bedoelt Paulus, als hij zegt, dat ze „een bediening des doods en der verdoemenis" was, 2 Cor. 3 : 6. Tegenover "de gelovigen heeft ze een heel ander gebruik.
Calvijn raakt hier de bekende leer van de verschillende oogmerken der Wet, hoewel hij ze niet voluit behandelt. In de oude dogmatiek sprak men van een viervoudig gebruik der Wet. Het eerste heette: het politieke gebruik, een niet zó doorzichtige aanduiding, maar die bedoelt, dat de Wet, waar ze gehandhaafd wordt, de (politieke) orde in de samenleving handhaaft. Het tweede is het ontdekkende (bestraffende) gebruik, bedoelend de ontdekking der zonde. Het derde is het paedagogisch gebruik der Wet, waarbij men aanknoopt aan het woord, dat de Wet een , , tuchtmeester" (paedagoog) tot Christus was. Het vierde is het didactische of onderwijzende, ook wel het normatieve genoemd: de Wet, die de gelovige leert, hoe te wandelen in alle goede werken.
Gods Wet als aanklager.
Merkwaardig, dat Calvijn de kans niet waarnam, deze onderscheidingen hier te noemen. Het is ook leerzaam, want we merken in zijn Catechismus wel, dat hij helemaal niet een man van zoveel onderscheidingen is, maar die liever in een levende eenvoud spreekt.
Hij spreekt hier niet van dat eerste gebruik, dat we noemden; elders wel. Voor jonge kinderen vond hij dat zeker wel wat te moeilijk. Des te meer spitst hij zich toe op het tweede, het bestraffende gebruik der Wet, waarvan hij hier niet naar voren brengt, wat hij toch wel bedoelt, dat de keerzijde van het strafambt van Wet en Geest hun troostambt is.
Tegenover natuurlijke mensen treedt Gods Wet op als Zijn , , openbare aanklager". Daar is geen vleierij of pleiten voor verminderde toerekenbaarheid en dgl. bij. Want het gaat hierbij werkelijk niet om splinters, ver te zoeken, maar aan balken, midden in het oog.
We merkten vorige malen op, wat sterke nadruk Calvijn op Gods liefde legt. Even zou de vraag kunnen opkomen, of hij dit hier soms vergeten is? Lijkt het hier niet meer een heel harde Calvijn?
Daarop zou hij zeker hebben geantwoord, dat de zachte heelmeesters onzuivere wonden veroorzaken. Wel verstaan is het toch nog een uitvloeisel van Gods liefde, dat Hij ons in Zijn Wet de waarheid blijft zeggen. Hij had zich die moeite wel kunnen besparen. Hij had zich daarmee veel verdriet en hoon bespaard. Maar Hij deed dat niet en maakte het daarin waar, dat het onze Vriend is, die ons onze feilen toont.
Dat bedoelden we dan zoëven, toen we er op wezen, dat het bestraffende en het tot Christus drijvende werk van de Wet niet mag worden gescheiden. Zo zingen we het immers ook in Psalm 103: Hij is het, die ons (straffend) Zijne vriendschap biedt.
„Geen verontschuldiging".
Die , , openbare aanklager", tegelijk een zeer innerlijke beschuldiger gaat dan zo te werk , , dat ons alle verontschuldiging wordt ontnomen". Dit is van zelf ontleend aan de brief aan de Romeinen; het is een plaats, die Calvijn zeer heeft aangesproken en die hij gedurig aanhaalt. Hij bedoelt ermee: Gods Wet, de uitdrukking van onze oorspronkelijke toerusting en rijkdom, blijft er op hameren, dat wij deze rijkdom en kennis moedwillig vergooid hebben. Gods Wet werd in de woestijn gegeven, dus in een plaats, waar niet te leven valt. Maar ze ziet terug op het Paradijs, waar we leefden en toch niet verkozen te blijven. Zo is ons aller verontschuldiging benomen en wel ons, als ze ons ontnomen is. Tot zolang blijft waar, wat Paulus in 2 Corinthe tekent: de Wet, in haar uitwerking niet ander dan dood en oordeel zaaiend.
De Wet voor de ongelovigen.
Het slot van de eerste vraag maakt de overgang naar de tweede. De laatste woorden waren immers: Voor de gelovige heeft ze echter een heel ander gebruik.
De catecheet vraagt meteen: Welk gebruik? en hoort dan vervolgen: Ten eerste, doordat ze hen toont, dat ze zich niet kunnen rechtvaardigen door hun eigen werken. Door hen te verootmoedigen, brengt ze er hen toe, hun heil in Jezus - Christus te zoeken. Vervolgens, daar ze meer van hen eist dan hen mogelijk is te doen, vermaant ze hen, de Here te bidden, dat Hij hen er de kracht en de macht toe geve. Toch blijven ze zich altijd schuldig voelen, zodat ze er niet trots op gaan. Ten derde is de Wet hen a.h.w. een teugel, om hen binnen de perken van de vreze Gods te houden. (Rom. 3 : 20; Gal, 2 : 16 en 4 : 3)
Hier ligt een van de mooiste stukken uit Calvijns „Belijdenissen" voor ons. Met opzet schrijven we het zo neer. Want inderdaad: Calvijn heeft niet die grote openhartigheid, die Augustinus kende en die hij in zijn boek met de bovengenoemde titel heeft neergelegd. Toch heeft Calvijn ons niets verzwegen van wat de kracht en het licht van zijn leven uitmaakte. Hij schreef dus toch wèl „Belijdenissen"; het stuk, dat hier voor ons. ligt, is er een groot hoofdstuk van. Het laat ons zien, hoe Calvijn die twee zeer verschillende dingen van het christenleven: rechtvaardiging en heiliging in hun verband kent zonder ze daarom in elkaar te laten opgaan.
De eerste ontdekking in het mensen- (christen-)leven is: Ik kan nooit voor God rechtvaardig zijn. Ik blijf onder de maat, hoezeer ik op mijn tenen ga staan en me poog te rekken.
Waar dit de maat doet overlopen en ons te machtig (te onmachtig) werd, daar biedt diezelfde Wet zijn diensten aan als de , , tuchtmeester" (paedagoog) om ons bij de Here Christus ter school te brengen. Op menige school wordt niets geleerd; deze is de vruchtbaarste van allen. We herinneren ons hier, wat we een vorig maal schreven: Al noemt Calvijn de Heilige Geest niet steeds opzettelijk (het sprak hem „vanzelf" in een hoge zin), toch bedoelt hij Hem voortdurend. Daarom is de school van Christus, d.w.z. die van het Evangelie en Geest niet onvruchtbaar.
De mate der macht van Gods kinderen.
Dan komen we aan een teer punt. Als we , , macht" ontvingen, kinderen Gods te heten, betekent dat dan ook macht naar buiten? Betekent dat dan ook kracht tegen de vijand, kracht tot heiligmaking, ja tot de volmaaktheid? Het kan immers in een gereformeerde bijbel nooit worden geschrapt: Wees dan volmaakt, zoals uw Hemelse vader volmaakt is. Moedeloos wegens dit heel kleine stukwerk in ons en om ons hebben wij zelden de moed, in prediking en zielszorg, ja zelfs in geschrifte die eis en de belofte der volmaaktheid te laten horen.
Zo doet Calvijn niet. Hij meent terecht, dat zulk een prediking van die eis en belofte, verootmoediging kweekt en heimwee en zo toch sterk maakt in zwakheid.
Zo stelt hij het dan. De eis der volmaaktheid, die de eis der Wet is, dringt tot het gebed, dat de Here kracht en wil moge schenken. Maar loert daar dan niet het gevaar der zelfverheffing: de ontnuchtering na wat toch veel meer dan een schone droom mocht zijn? Vraag het David, Elia, Petrus, vraag het vooral u zelf maar.
Dat gevaar van zelfoverschatting, van het drijven op vermeende meerderwaardigheid, heeft men vooral de gereformeerde belijders nog al eens aangewreven. Ten onrechte? Wanneer we het hele antwoord van Calvijn lezen, zeggen we: Neen. Maar we erkennen wel, dat hij ook zelf het gevaar voor geestelijke hoogmoed wel voelde en daarom schreef: ook wanneer de Here ons kracht en wil schenkt, om voor Hem te leven, daar worden we niet hoogvoldaan en topzwaar mee. Welgeladen halmen buigen diep: zwaargeladen schepen hebben diepgang. Alleen het loze en voze waait in de wind en meent, welhaast de hemel te hebben bestegen. De mensen die weten van nieuwe kracht en wil (denk aan de veel bestreden en weinig verstane Dordtse Leerregels), al wordt hier het schriftwoord bewaarheid van een jeugd, vernieuwd als die van een arend, hebben licht , , hoogtevrees". Ze laten Calvijn namens hen allen optekenen, dat ze zich nochtans gedurig schuldig weten en zich nergens op beroemen (waar het roemen in de Here dan kennelijk buitenvalt). Zonder deze heilzame rem slipt en ontspoort de wagen van het geestelijk leven, maar zó maakt hij een goede gang.
Gods Wet blijft tot het eind.
En daarbij past dan uitstekend het slot, dat deze Wet (deze geestelijke Wet) de „geestelijke" mens blijft begeleiden en bewaren. Het beeld is niet vleiend, maar wel waar. De teugel, die aan de Koning der Schepping en de Beelddrager Gods wel vreemder mocht zijn dan aan paard en muilezel, is niet licht beneden onze waardigheid. Ze is een „hard" blijk van mdlde üefde, die ons kent en daarom ons behandelt, naar dat we werkelijk no'dig hebben. Door die teugel, die dan ook geenszins een onredelijke is, en die we liever met , , de koorden der liefde" van het O.T. willen vergelijken, worden we gehouden en bewaard binnen de perken van de vreze Gods. Is dat een leven in slavernij? Neen, maar in die vorm der vrijheid, die wij alleen kunnen verdragen.
Het laatste doel der Wet.
De catecheet vat het even samen en vraagt: We moeten dus zeggen, dat, hoewel wij gedurende dit sterfelijk leven de Wet nooit volbrengen, het toch geen overbodige zaak is, dat zij een zodanige volmaaktheid van ons eist. Want ze toont ons het doel, waarheen we moeten streven, opdat ieder van ons naar de genade, die God hem bewezen heeft, zich met alle krachten inspanne, om dagelijks te vorderen.
Zo versta ik het, antwoordt de catechisant. Zo heeft Calvijn dus zijn gemeente, jong en oud, geen gemakkelijke lijdelijkheid geleerd, waarop de Dopers zo terecht hun pijlen konden schieten. Calvijn kent een geestelijke activiteit, een geestelijke worsteling, gericht op de volmaaktheid, waarvan wij, althans hij die dit schrijft, met schaamte moeten bekennen, dat die in onze geestelijke boekhouding al te zeer , , pro memorie" staat geboekt. Calvijn droomde niet van een voorbarige hemel op aarde. Maar omgekeerd houdt hij ook staande: Wie hier de hemel, althans van verre, niet gezien heeft, in belofte en beginsel, hoe zal die straks de hemel van nabij kennen en er zich thuis kunnen voelen?
Gods Wet in het christenleven.
Op deze wijze heeft Calvijn het bestraffende werk van de Wet en haar tot- Christus-leiden en bij-Hem-houden getekend. Hem blijft nog over iets te zeggen over het laatste gebruik der Wet, dat we het onderwijtzende (didactische) noemden.
Gods Wet volkomen levensregel.
Daarop doelt de vraag: Hebben we in de Wet een volkomen regel tot alle goed werk? Antwoord: Ja en wel zo, dat God alleen van ons vraagt, die te volgen, terwijl Hij integendeel afkeurt en verwerpt alles, wat de mens onderneemt, buiten die Wet om. Hij vraagt geen andere offerande dan gehoorzaamheid (I Sam. 15 : 22; Jerem. 7 : 21-23).
Calvijn wijst op de eenvoud en de klaarheid van Gods Wet, tegenover onze ingewlkkeldheden en onze problemen. De Here verlangt geen beklimmen van de hemelhoogten noch het graven van schachten tot in het hart der aarde. Hij vraagt vèèl en veel minder, n.l. eenvoudige gehoorzaamheid. Wat zijn wij dus diep-onnatuurlijke mensen, dat dit eenvoudige ons onbillijk en zwaar ligt en allerlei jukken, zwaar om te dragen, ons vrijheid lijken! Maar goedbedoeld of slechtbedoeld: alle eigenwillige, eigenwettige godsdienst is de Here een gruwel. Wat Saul zich eens op indrukwekkende wijze hoorde verzekeren en wat een zee van „problemen", die hij dacht aan te voeren, droog maakte, geldt ook voor vandaag: Gehoorzaamheid beter dan offerande. Hier ligt de wortel van het gereformeerde, nader van het puriteinse leven, dat allerlei „hoogten" omverwerpt, die van zo uitermate lage afkomst bleken.
Gods Wet tegenover onze onvolmaaktheid.
Tegen die onvolmaaktheid van de mens, zoals Calvijn ze hier belijdt, is heel wat protest ingebracht. Het komt niet alleen van de al zo vaak genoemde Dopers en Libertijnen, maar op een zeer bepaalde manier ook van de Socinianen. Niemand hoeft voor dit wat vreemde woord te schrikken, want elk, die wat thuis is in onze oude schrijvers, is die naam daar nogal eens tegengekomen. Want de Gereformeerde Kerk te onzent heeft een harde strijd tegen deze 16e eeuwse vrijzinnigheid gevoerd, die blijkbaar velen in ons land bekoorde. En zo kan men in vele preken tegen hen horen waarschuwen.
We hebben zoeven al gezegd, dat ze 16e eeuwse vrijzinnigen waren. Het zijn mensen, die grote nadruk op de rede en het redelijke leggen, en het logische en bewuste in de mens voor het beste verklaren. Daarom dan ook geen kinderdoop: een nog niet bewust mens is eigenlijk nog geen mens! Ze kennen verder aan deze bewuste mens aanzienlijke vermogens toe, die hij' wel ontleent aan de bijstand van goddelijke genade, maar waartoe hij de Heilige Geest niet van node heeft. Het Woord alleen, de Wet-alleen is voldoende, om geloof en gehoorzaamheid te wekken, want uit het feit, dat God eist, moet volgen, dat Hij niet vergeefs eist, zodat de uitvoering van de eis dus mogelijk is. Daar Hij dus eist: weest volmaakt, weest heilig, daarom kunnen we volmaakt zijn, anders zou die eis een aanfluiting zijn.
Op zulk een wijze, op zo wankele, „logische" gronden, construeren de Socinianen hun leer der Wet, die precies zo opgevolgd kan worden, als ze gegeven werd.
Het is wel duidelijk, dat Calvijn deze zo ondiepe leer vlak tegenspreekt en er in de vraag, die nu volgt, zeker wel het oog op had. Hij laat n.l. vragen: Waartoe dienen dan al de opwekkingen, vertogen, bevelen en aansporingen, die de geschriften van apostelen en profeten vullen?
U merkt wel, van welke kant die opmerking komt. Calvijn antwoordt: Dat zijn louter verklaringen van de Wet, niet bestemd, om ons van de gehoorzaamheid eraan af te trekken, maar om eens juist daarheen te brengen.
De Wet wordt, door onze gedeelde vervulling, in geen geval op dood spoor gereden of voorlopig uitgeschakeld of hoe dan ook. Geen tittel of jota ervan gaat voorbij. Calvijn denkt stellig aan Romeinen 6 en 7, want met die Paulus legt hij er alle nadruk op, dat, wat wij ook worden mochten, de Wet heilig en rechtvaardig en goed blijft.
Daar gaat hier niets af. Daar komt ook niets bij. Er wordt naar geworsteld en gegrepen. Maar de volheid ligt niet hier. Zo komen we en blijven we onder de Wet (niet zonder het Evangelie), tot aan ons levenseinde, ja, tot in eeuwigheid!
Gods Wet: algemene regel en bijzondere toepassing.
Nog èèn laatste vraag en Calvijn heeft zijn bespreking van Gods Wet beëindigd. Hij vraagt nu nog, van het hoge, verre uitzicht van zoeven terugkerend, tot de beperkte, aardse mogelijkheden: Spreekt de Wet ook nog van wat onze bijzondere roeping uitmaakt?
De bedoeling is immers wel duidelijk, De nadruk op de gehoorzaamheid is hoog en diep, maar houdt een algemene kant. De vraag komt op z'n tijd op elk van ons af: Wat vraagt die gehoorzaam, held van mij, nu in deze bijzondere omstandigheden?
Welnu: Geeft de Wet alleen algemene regels of heeft ze ook licht voor onze bijzondere roeping? Daarop kan Calvijn antwoorden: (Ja!). Als ze zegt, dat we aan ieder moeten geven, wat hem toekomt, kunnen we daaruit al wel opmaken, wat onze plicht is, elk in onze eigen omstandigheden. En verder hebben we, zoals we al zeiden, de toepassing in heel de Schrift. Want wat de Here hier in een samenvatting geeft, behandelt hij op allerlei plaatsen breder. Dit antwoord liet zich verwachten. Als de Here niets aan óns 'goeddunken overlaat (niets aan ons kan overlaten), dan zeker ook niet de bijzondere toepassing van een algemene regel. Socinianen en huns gelijken hebben het daarmee makkelijk en vlot; David en zijn gelijken reizen in een lagere(? ) klasse en erkennen: Ik ben een vreemdeling hier beneden. Verberg Uw gebod van mij niet al te zeer, ontdek mijn ogen, dat ze aanschouwen al de wonderen van Uw Wet.
De betekenis der Schrift.
Voor deze verlegen mensen is de hele Schrift geen simpel wetboek, met duidelijke paragrafen en een register, dat na even opklappen, antwoordt. Ook dat is weer goed (slecht!) sociniaans. Maar de Wet stelt ons ten eerste dat algemenere: Geef ieder wat hem toekomt, Gode en de keizer, reeds op een zeer persoonlijke wijze in ons leven. Dat betekent voor ons allen het zelfde en toch valt het voor ieder anders uit. Daarbenevens: Heel de Schrift is vol toepassing van Wet en geloof en allerlei levensgevallen. Profeten èn Evangelie zijn te verstaan als herhaling en vervulling der Wet. In dit grote schathuis, die rijke, levende bibliotheek wordt niet tevergeefs om raad en licht gezocht, juist voor u en juist nu. Gebeurt dit zo, omdat wij zo schrander zijn? Neen, maar omdat de Psalm der Wet, der vreugde der Wet, ook de Psalm van de Heilige Geest is. Onze verlegenheden, onze levenskruisen worden verklaard, doorlicht, door Wet (Woord) en Geest!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's