DE LEER
In het onlangs verschenen werk van ds. A. M. Lindeboom (zie bespreking elders in dit nummer) wordt het laatste hoofdstuk gewijd aan beschouwingen over de Hervormde Kerk onder de nieuwe kerkorde, vooral naar aanleiding van haar correspondentie met de Gereformeerde Kerken.
Het is dan ook volkomen begrijpelijk, dat de schrijver een onderzoek instelt naar de nieuwe kerkorde en de wijze, waarop zij wordt gehanteerd. Zo vraagt hij derhalve het eerst aandacht voor art. X.
Uit de aard der zaak heeft het onze belangstelling, wat daarin van die zijde wordt gezien. Hij haalt dan de volgende woorden aan: „in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs" en maakt de opmerking, dat dit ook de gereformeerden zou kunnen voldoen, , , als dit n.l. mag worden opgevat in gereformeerde zin"; Ook acht hij het wel zeker, , , dat, als b.v. de Gereformeerde Bonders dit voor zich zelf aldus willen uitleggen, het recht hun daartoe niet spoedig zal worden ontzegd".
En dan voegt hij daaraan zeer terecht toe: , , De moeilijkheid is echter, dat het niet alléén zó mag, maar ook anders".
Dat is inderdaad de moeilijkheid en een situatie der kerk onwaardig en wij stemmen met ds. L. in, als hij schrijft: , , De theologische situatie in de Hervormde Kerk is nu eenmaal zó, dat ook modernen en Barthianen, ook al hebben zij over het heilige van de Heilige Schrift heel andere gedachten dan wij, deze zinsnede ten volle aanvaarden. Al deze personen doen namelijk van harte mee aan critiek op de Bijbel, maar betuigen tegelijk, dat ze leven in dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als bron der prediking en enige regel des geloofs". (Vgl. dr. A. D. R. Polman Bezinning 1952. 120. 125). (Blz. 481.)
Wij behoeven het betoog over , .gemeenschap" en , , in overeenstemming" niet te volgen, omdat wij het in hoofdzaak wel weten. Ook daarin heeft ds. Lindeboom gelijk. Men heeft , , in overeenstemming met" de belijdenis der vaderen afgewezen, omdat de vrijzinnigheid daartegen bezwaar had.
Zo komt hij tot de volgende opmerking naar aanleiding van de zinsnede: „De kerk weert al wat haar belijden weerspreekt". „Hoewel bij 't horen van deze woorden het gereformeerde oor zich plotseling spitst, kan de teleurstelling niet worden verbloemd. Het is n.l. niet duidelijk, wat dit belijden is". (Zie blz. 482.)
Zo ligt de zaak en zo zitten wij, wat de leer betreft, in een toestand van verwarring, die op generlei wijze is te verontschuldigen, daar niets daadwerkelijks wordt gedaan om er uit te komen. Deze opzettelijkheid is de oorzaak, dat alle praat over sanering van het kerkelijk leven, functionering van de belijdenis, de kerk zal weer kerk zijn, moet belijdende kerk worden en al dergelijke leuzen, ten spijt van alle goede bedoelingen en welwillende verwachtingen ijdele woorden zijn en uitingen van zelfmisleiding en misverstand.
Hiermede is de ernst van de kerkelijke situatie getekend. Men behoeft over de leer, over de sacramenten, de ambten niet verder te schrijven om aan te tonen, dat dit alles ontwricht is geworden, omdat men in het allerfundamenteelste stuk, de belijdenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, de teugels laat vieren en met de confessie ook de Schrift als Gods Woord loslaat.
Hoe toch moet men oordelen over de , , Christelijkheid" van het geloof van hem, die de belijdenis der vaderen als verouderd en overleefd verwerpt en vraagt, hoe iemand b.v. de catechismus nog ernstig kan nemen?
Dergelijke gedachten komen niet op uit de gemeenschap met ons allerheiligst, algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, dat ons in de apostolische geloofsbelijdenis wordt voorgesteld, maar zijn de vrucht van een humanistische geest, die zich zelf boven het Evangelie der genade Gods verheft.
Deze geest is vreemd aan de levende werking der Godsopenbaring door de Heilige Geest, die ons aan het goddelijk gezag der Schriften ontdekt en haar hemelse Waarheid doet smaken.
Ds. L. haalt ergens een woord van Hoedemaker aan, dat hij aan Volger ontleent (Om de vrijheid der kerk, blz. 315): , , Het was toch Hoedemaker, die in 1877 er op wees, hoe men van verschillende zijden er op bedacht was om scheuringen en tweedracht te voorkomen, waarbij dan de dubbelzinnige formule de taak zou krijgen om het verschil tussen twee tegenovergestelde beginselen en richtingen weg te toveren, (blz. 483 V.)".
Het is duidelijk, dat Hoedemaker dit goed heeft gezien, doch hij zal wellicht niet vermoed hebben, dat z.g. confessionelen, die zijn naam veelvoudig op de lippen nemen, almede de grootste verdedigers en bevorderaars van de genoemde dubbelzinnigheid zijn en de vrijzinnigheid meer dan ooit op het schild verheffen, zelfs terwijl deze van zichzelf de verdwijning profeteert in het graf der onkerkelijkheid.
Wij hebben er geen behoefte aan dit met voorbeelden te illustreren, doch wie dat wel heeft, kan er bij Lindeboom pag. 486 vv. genoegzaam vinden, die hij uit onze kerkelijke pers heeft opgediept. Wij gaan alleen niet met zijn conclusie mee: een echte zwart-wit conclusie a: afscheiding en geen kerkherstel, b: de Hervormde Kerk heeft de drie formulieren der belijdenis niet. (blz. 487).
Wat het eerste betreft, moet aan ds.L. worden toegegeven, dat het daadwerkelijk verzet weinig of niets heeft uitgemaakt. Klaarblijkelijk is het besef van de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente in diepe sluimering weggezonken. Ook in de classes geen daadwerkelijk verzet. Men is in de besturen gaan zitten en heeft als zodanig aandeel genomen in de bestuursorganisatie van 1816. Tegen dit alles valt niets te zeggen. De Hervormde Kerk heeft die organisatie aanvaard.
Toch neemt dit niet weg, dat ds. L. tal van handelingen, protesten, pogingen van kerkherstel aanhaalt, die evenzovele bewijzen leveren van een innerlijk toch niet aanvaarden.
Ten aanzien van de belijdenis staat het niet minder duidelijk. Ten eerste kan niemand ontkennen, dat de uitdrukking „de leer", hoe men daarover verder wilde denken en handelen, terug gaat op de leer der belijdenis. Een andere opvatting past niet in een officieel reglement. Dat men in de practijk toch weer niet van plan was de leer der belijdenis te handhaven, komt weer met de boven omschreven dubbelzinnigheid overeen.
Het gaat daarom niet zónder meer op om te beweren de Hervormde Kerk heeft de belijdenis der drie formulieren niet. Die belijdenis functioneert niet. Dat is waar, doch men kan niet zeggen, dat die belijdenis in de Hervormde Kerk niet meer leett.
Juist, omdat die belijdenis nog altijd leeft, kan men een hoop of reformatie niet laten varen, want de vrijzinnigheid regeert dank zij de midden-orthodoxie wel de kerk, maar zij draagt het kerkelijk leven niet. Wij hebben er reeds een en ander maal op gewezen, dat haar woordvoerders haar zien verdwijnen in het graf der onkerkelijkheid.
Deze les echter kunnen wij van ds. L. leren, dat de eis om naar de belijdenis kerkelijk te leven tot meer' daadwerkelijk verzet moet dringen tegen alles, dat daar tegen ingaat of het onmogelijk maakt.
Zowel onder ons als in Zweden is intussen gebleken, dat de beslissing om de vrouw tot de ambten toe te laten, uit een al te rustige sluimering roept.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's