De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Adventsboodschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Adventsboodschap

9 minuten leestijd

Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien. Jes. 9 : 1a.

In het begin der eeuwen sprak God: daar zij licht en daar was licht. Behalve het natuurlijk licht had Hij, ook het geestelijk licht gegeven, want de mens, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis in ware kennis Gods, gerechtigheid en heiligheid, leefde geestelijk ook in het licht. Maar na de vreselijke val is het licht weggenomen en de duisternis, ingetreden, de dikke duisternis der zonde, waarin de Satan zijn onderdanen heeft gebracht. Maar de Here zal niet altijd twisten, noch eeuwiglijk de toorn behouden. In de vloek over de slang heeft Hij' de belofte gegeven, dat eenmaal de Zon des heils zou opgaan in de duisternis der zonde.

Wanneer in deze donkere dagen voor Kerstmis de natuur ons slechts kort laat genieten van het licht, steken wij ons kunstlicht aan, dat God de mens heeft doen maken. Zo hebben velen in de donkerheid der zonde kunstlicht willen ontsteken door hun eigenwillige godsdienst of hun sentimentaliteit. Maar dit kunstlicht is ontstoken uit de hel. Een ieder loopt als verdwaasd rond roepende: hier is licht of daar is licht, maar het ware licht wordt niet gezien. Over dit licht willen, wij in deze adventsdagen denken en wel naar het woord, dat hierboven is afgedrukt: , , Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien".

De profeet ziet het grote gevaar der Assyriërs komen, dat als een zee alle volken zal overspoelen. Ook het volk Israël zal daaraan ten offer vallen, indien het de afgoden blijft dienen en de Here verlaten. Het volk zal beangstigd worden en de duisternis zal er over vallen. Maar het zal niet gans verduisterd worden, want Hij, zal in de laatste tijd heerlijk maken, zelfs het Galilea der heidenen. Het volk der Joden zal uit de ballingschap terugkeren. Op zichzelf is dit een heerlijke belofte, maar zij zou voor ons slechts historische betekenis hebben.

Neen dit woord is een adventsboodschap, uitgesproken door een profeet van de oude dag vele eeuwen voor de geboorte van de Zaligmaker en deze profetie van de verlossing van de vijandige volken is tegelijkertijd een belofte van de komst van Hem, die Zijn volk zal verlossen van de heerschappij van de grote vijand, de oude slang en die een groot licht zal zijn, schijnende over het volk, dat in duisternis wandelt, een licht tot verlichting der heidenen en van Zijn volk Israël. Hij zal de zondaren schenken vergeving van ongerechtigheid en zal hen rechtvaardig stellen voor het aangezicht des Vaders. Zo dikwerf heeft de profetie dubbele betekenis.

Het volk, dat in duisternis wandelt. Reeds in de inleiding zagen wij, dat de mens van nature in duisternis wandelt. Zolang Adam en zijn vrouw in de gemeenschap Gods, in Zijn nabijheid, leefden, was het licht, omdat zij het vriendelijk aangezicht Gods mochten aanschouwen. Zij kenden de duisternis van het kwade nog niet, dat zulk een lelijke schaduw kan geven op het allerschoonste. Het was licht, want zij gingen een toekomst tegen van steeds groter volmaakheid, totdat zij gereed zouden zijn om opgenomen te worden in Zijn eeuwig koninkrijk om eeuwig zalig in Zijn nabijheid te leven, Hem te loven en te prijzen in Zijn tempel. Zo was het licht al de dagen van het leven des mensen. Hij kon zich verheugen in het voorrecht van Gods gunst.

Maar nu komt de Boze, die reeds lang een begerig oog heeft geslagen op Gods schone schepping. Daar gebruikt hij de vrije wil des mensen voor en in de dan volgende keuze heeft de mens de duisternis liever gehad dan het licht. Van af dat ogenblik dwaalt de mens in het akelig duister in de schaduw van de dood. Immers het oordeel wordt voltrokken: ten dage als gij daarvan eten zult, zult gij de dood sterven. De dood is duister, omdat God, de bron van licht en leven verlaten is. De ware kennis van God is bij de gevallen mens verloren gegaan. Hij is een vijand van God en Zijn dienst geworden. Hij heeft zijn oog en oor voor God gesloten en hij wil noch kan anders. Duister is het in het hart, want de natuurlijke mens is onwetend tegenover het wezen Gods. Zijn goddelijke deugden kent hij niet. Als hij wist hoe heilig God wel is, zou hij ineenkrimpen van schaamte en angst, omdat hij, de ellendige, eenmaal rekening zal moeten afleggen voor een heilig God, die met Zijn alziend oog het hart doorziet en de nieren proeft. Hij is onwetend tegenover Gods koninkrijk. Hoe vreselijk God niet te kennen, want dit is het eeuwige leven: God te kennen en Jezus Christus, die Hij, gezonden heeft. Van nature zit de mens in het duister der dwaling en van de valse godsdienst. Immers de mens wil niet van God geleerd zijn. Zie maar naar de Joden. Zij wilden van de Here niet weten en hebben Zijn profeten gedood en gestenigd, die tot hen gezonden werden. Zij zijn gevallen in de dwaling der ongerechtigheid en de eigenwillige wetsbetrachting. De mens wil wel godsdienstig wezen, maar dat God het hoogste zou zijn in zijn leven, dat kan hem niet bekoren. Godsdienst is voor andere gelegenheden, voor de zondag, maar in het gewone leven speelt het eigen ik de hoogste rol. Zelfs bij het denken aan het hiernamaals gaat het er om hoe het eigen ik er het beste zal afkomen. Vandaar al de hemelzoekers en de weinige Godzoekers. De mens ligt van nature in het duister der verdoemelijkheid voor God. De schaduw van de eeuwige dood ligt over hem. Wanhopig is deze, toestand. De mens, sluit er van nature de ogen voor. Is het mensdom dan tevergeefs op aarde geschapen? Is er dan niemand, die de slaap van de eeuwige dood niet zal slapen?

God heeft gezegd: dat zij verre. In de raad des vredes, heeft God besloten, dat het zo niet zou gaan. Maar God moest aan Zijn gerechtigheid voldoen. Zo is Gods plan ontstaan tot zending van Zijn Zoon om de schuld en zonde van een verloren mensengeslacht op Zich te nemen. Ik zal vijandschap zetten tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw. Eens in de volheid des tijds zou het plan worden uitgevoerd. Zo zien wij in het paradijs vlak na de zondeval en het vallen der duisternis over het menselijk geslacht heel in de verte een licht gaan gloren. Eerst is dat licht nog als de blauwe glans, die voor de bezoeker van een grot aan het einde van zijn rondgang verschijnt of als het licht van een nog zeer ver af zijnde auto in de donkere nacht. Maar het licht wordt steeds sterker. Eva begrijpt er nog maar weinig van; meer de aartsvaders en David. Bij de profeten begint het licht reeds helder te schijnen, totdat in de volheid des tijds de opgang van het licht is, de zon des heils aan de kimme staat. Dan wordt de belofte vervuld een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, de heerschappij is op zijn schouder en men noemt zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst. Dit licht is tot verlichting der heidenen en van Zijn volk Israël. De Here Jezus, de Zoon des Vaders, komt om de zonden van Zijn volk op Zich te nemen, om als grote profeet het heil te verkondigen, dat God alzo lief de wereld gehad heeft, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft het eeuwige leven hebbe. Het eeuwige leven tegenover de eeuwige dood. Het licht tegenover de duisternis. Een volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, het grote licht. Er komt hoop, dat het niet zal ondergaan in duisternis der zonde, maar gered zal worden. Als werkers in de mijn zijn ingesloten en hun lampen zijn uitgebrand, zitten zij in het volslagen duister, maar als door de spleten licht van hun bevrijders gaat schijnen verlevendigt hun hoop, dat zij weer eens zullen staan in het volle zonlicht. Zo gaat het de zondaar, die zich verloren weet in het duister der verdoemelijkheid. Een straal van hoop komt in zijn hart. Is het dan toch geen verloren zaak? Neen zondaar, dit is het bij ons mensen wel, maar bij God zijn alle dingen mogelijk, zelfs dat zulk een groot beest nog wordt gered. Welk een grote vreugde is het deze blijde boodschap te mogen vernemen: gij zijt verlost. God heeft u welgedaan! De Heilige Geest opent het oog voor de zonde en het oordeel, maar Hij laat de zondaar niet in het duister zitten, want Hij opent ook het gezicht op de Here Jezus, het licht door God gezonden om het duister der zonde in het hart op te klaren, om de overtuiging te geven, dat Hij met Zijn bloed reinigt van alle zonden. Hoe vreugdevol is dit als de Heilige Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn, wanneer die Geest van God het hart vervult met 't licht der eeuwigheid, de Godskennis. Als het hart de overtuiging ontvangt, dat niet alleen de zonde van een ander, maar ook mijn zonden vergeven zijn, alsof ik zelf voor al mijn zonden had betaald en geheel aan de gerechtigheid Gods voldaan had, dan is de duisternis verdreven. Het verstand wordt verlicht en leert des Heren wegen kennen, het hart wordt verlicht en ontbrandt in volle liefde voor Hem, de wil wordt verlicht en streeft ernaar Hem voortaan welbehagelijk te leven. Zijn volk wordt een lichtende stad op de berg en wordt door een ieder gezien.

Maar soms moet het zich schamen, omdat het tot hinken en zinken iedere dag bereid is en dagelijks nog met de zwakheid van zijn vlees heeft te strijden. Het moet dan met Paulus uitroepen: ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Daar 'blijft het echter niet bij, daar mag door Gods genade op volgen: ik dank God door Jezus Christus onze Here God laat niet varen het werk Zijner handen. Hij schenkt telkens weer het licht, wanneer Zijn kind zich in duisternis bevindt.

Zit u nog in het duister der zonde, mijn lezer? Het Licht is tot de Zijnen gekomen, het schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen. Geeft gij de voorkeur aan uw kunstlicht? Weet, dat gij het Licht niet kunt tegenhouden. De Here komt zeker, maar eens als rechter van levenden en doden en wee de mens, die van Hem niet heeft willen weten.

Het Kerstfeest is op handen. Laat ons voorbereid zijn Hem te ontmoeten, mocht het zijn als de wijze maagden met olie in de lampen en de vaten om eens met Hem in te kunnen gaan in de feestzaal van de bruiloft des Lams.

Hij komt, Hi] komt om d' aard te richten,

de wereld in gerechtigheid!

Meeuwen.

E. L. W. M. Hoeufft van Velsen-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Adventsboodschap

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's