DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK II, ARTIKEL 6. Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, maar door hun eigen schuld.
Artikel 6 begint met het vaststellen van een feit n.l. van dit feit, dat velen in ongeloof vergaan. De Leerregels denken bij deze velen niet aan hen, die het Evangelie niet gehoord hebben. Zij spreken over velen, die door het Evangelie geroepen zijn. Is daar grond voor in de H. Schrift om te stellen, dat ook van de kinderen des verbonds, aan wie de woorden Gods zijn toebetrouwd, velen in ongeloof vergaan? Ik meen, dat daar veel redenen voor zijn en ik meen ook, dat het nodig is daar op te wijzen. Als men zo het geheel der Kerk overziet, wat merkt men dan de gedachte op, dat van de kerkgangers, van de hoorders des Woords velen behouden worden. De Roomse Kerk, om een voorbeeld te noemen, neemt van zo goed als al haar leden aan, die nog enigszins aan de kerk een band bewaren, dat zij vroeg of laat ingaan in Gods heerlijkheid. En hoeveel kerken of richtingen zijn er daarnaast niet, die dat, uitgesproken of stilzwijgend aannemen: wie meeleeft met onze kerk of onze richting is behouden. Dat er van de kerkgangers velen verloren gaan is een gedachte, die men toch eigenlijk alleen in de Bijbel en bij de reformatie en derzelver aanhangers vindt. Ik zal geen bewijs behoeven bij te brengen uit de geschriften van Calvijn en de nadere reformatie, om de nadruk, die op deze mogelijkheid om in ongeloof te vergaan, daar wordt gelegd, nader aan te tonen. In artikel 6 heeft men een officiële uitspraak.
Maar nu de Bijbel. Och, daar hoef ik toch ook niet veel over te zeggen. Heeft niet geheel Israël bij de berg Sinaï gestaan? Heeft niet geheel Israël gehoorzaamheid beloofd? „Als Mozes' kwam en verhaalde aan 't volk al de woorden des Heren, en al de rechten, toen antwoordt de al het volk met ene stem, en zij zeiden: „Al deze woorden, die de Here gesproken heeft, zullen wij doen". (Ex. 24 : 3). Maar wat zegt de Apostel Paulus? , , En ik wil niet broeders^ dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn. En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee. En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben: want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad... (1 Cor. 10).
In de geschiedenissen van Ezra wordt gesproken van 7000 uit het hele volk Israël, die hun knieën niet voor Baäl gebogen hadden. Jesaja spreekt van een overblijisel. De Here Jezus heeft het met grote duidelijkheid uitgesproken, dat velen verderven: „Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan" (Matth. 7 : 13).
Waarom is het nodig hier de nadruk op te leggen? Opdat uit onze prediking het waarschuwende niet zou verloren gaan, dat de profeten en de Here Jezus Christus in de prediking hebben gebracht. Hoe hebben de profeten gewaarschuwd om niet op een godsdienstig leven te vertrouwen. Wat heeft bovenal de Heiland van zondaren daarvoor krachtig gewaarschuwd.
Is deze waarschuwing nog in alle prediking van elke richting of kerkgenootschap? De waarschuwing om niet op z'n eigen gerechtigheid of godsdienst of verbond of volksverkiezing te vertrouwen zelfs aan het Evangelie. Daar is geen sprake van een verkiezing van allen of van een veronderstellen van wedergeboorte of geloof van allen. Geen leer ligt er verder van het Evangelie, dat Jezus Christus verkondigde af dan de verkiezingsleer van Karl Barth of de verbondsleer der verbondsdrijvers. De woorden van de Here Jezus waren vol waarschuwingen om zich niet te bedriegen voor een eeuwigheid. „Want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden". Van de uitgezaaide hoeveelheid koren komt het zaad op drie plaatsen niet tot rijpheid en slechts op één plaats wel.
Hoe komt het nu dat velen in ongeloof vergaan? Het ligt niet aan de beperktheid der prediking. Deze moet uitgaan tot de velen. Zij worden geroepen. Dat is allemaal vol van ernst en waarheid. Die Christus wordt voorgesteld. Die het Evangelie hoort, wordt geroepen tot Hem te komen in de weg van bekering. In artikel 6 staat ook weer de bekering vóór het geloof. Dat is een goede volgorde evenzeer als de omgekeerde goed is. Men kan spreken van een bekerinig vóór en na het geloof. Maar ook de bekering vóór het geloof kan niet gemist worden. Men zou kunnen zeggen, dat hier het verschil ligt tussen de oorspronkelijke reformatorische prediking en de midden-orthodoxe met aanverwante groeperingen. In de laatste komt het geloof voor zonder voorafgaande bekering. Daar hoeft Paulus niet ter aarde geworpen te worden en de tollenaar niet gebracht tot de uitroep: O God, wees mij, de zondaar bij uitstek, genadig. Daar hoeft de zondaar niet eerst tot kennis van zijn zonde te worden gebracht. Men wil er niet van weten, dat er eerst iets gebeuren moet met de mens. Men wil niet luisteren naar het woord van de Heiland: Gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Neen, zegt misschien iemand, wij willen dit wel weten, maar dat leert men daarna. Eerst het geloof en de verlossing en dan het weten van de ellende! Wat een dwaze praat eigenlijk. Als men in Openbaringen 3 eens verder leest, dan ziet men dat de arme goud krijgt aangeboden en de naakte witte klederen. Maar als iemand rijk is in eigen oog en gekleed, waartoe moet hij dan kleren kopen? De Here Jezus zei: de gezonden hebben de medicijneester imet van node. Maar velen prediken tegenwoordig, dat men er eerst de dokter haalt, die geneest ons, en dan voelt men dat men ziek is. Wie denkt er over om dat in wereldse of geestelijke zaken in werkelijkheid te doen? Is dit niet alles een goed willen praten van een verkeerde opzet? Men wil niet over de noodzakelijkheid van bekering en van het werk van de H. Geest en van de vernedering spreken. Men laat een stuk van het Evangelie weg om elk mens maar een geloof op te dringen, dat geen waar geloof is. Zoals ik schreef: art. 6 houdt zich in dit officiële belijden der Kerk aan de volgorde van bekering en geloof. Dus nog eens: die het Evangelie hoort wordt geroepen om tot Christus te komen als een arme, een ellendige, een verlorene, een goddeloze, een klein kindeke. Die roeping van het Evangelie is buitengewoon ernstig. Het is een roep tot bekering en geloof.
De Heiland predikte: „bekeert u en gelooft het Evangelie" (Marcus 1 : 15). Waarom komen de velen niet? Om redenen, die in henzelf zijn gelegen. Ten eerste door onkunde. Velen zitten zondag aan zondag in de kerk zonder de prediking te verstaan. De waarde van de vergeving van zonden, van het bloed van Christus, van de gemeenschap met God gevoelen en zien zij niet. Het zakt alles langs hun koude kleren af. Dat geldt ook soms van dominees, die er over preken, van ouderlingen, die het op huisbezoek aanprijzen, van onderwijzers, die er bijkans dagelijks van vertellen. Men weet er alles van te zeggen, maar innerlijk heeft het geen wezenlijke waarde.
2. Ongeloof. Men acht de zaken beminnelijk, maar, zo vraagt men, zou het waar zijn? Zou de bekering, de vrede met God, de vergeving, Christus in het hart, zou het echt te krijgen zijn? Het woord der prediking doet hen geen nut, omdat het niet met geloof gemengd is.
3. Luiheid. Sommigen willen de zaligheid best hebben. Zij doen er ook wel enige moeite voor. Daar zijn begeerten en gedachten, maar verder komt het niet. Men zet niet alles op alles. Men wordt geen geweldiger (Matth. 11:12) , , Zo gij haar zoekt als zilver en naspeurt als verborgene schatten, dan zult gij de vreze des Heren verstaan, en zult de kennis Gods vinden" Spreuken 2. De ware zoeker werk 5 schoft per dag. Modern gezegd: tweemaal 8 uur achtereen. Daar altijd mee bezig te wezen, alle zonde fel te bestrijden, met ernst bij dagen en bij nachten God aan te roepen. Daarvoor is men te lui. Velen gaan in ongeloof verloren, omdat zij te lui zijn.
4. Aardse bekommernissen. Velen hébben er wel lust in. Op sommige tijden zijn ze gevoelig aangedaan. Maar ze hebben het zo druk in de wereld, dat er niets van komt. Hun hart blijft bij de aardse goederen. Ze hebben nog wel eens een gedachte, dat zij het beter zullen maken, als ze ouder zijn, doch dan ondervinden, ze: hoe ouder, hoe kouder. Aardse goederen, lusten, ambten, staten hebben reeds menigeen uit de hemel gehouden.
5. Begeerlijkheden des vleses. Menigeen zou best zin hebben in de goederen van het Evangelie. Door de algemene werkingen des Geestes zijn er genoeg, die een ontrust geweten hebben en die de dood vrezen. Doch daar blijft het bij. Want zij willen hun heerlijke, voordelige en vermakelijke zonden niet missen. Het tegenwooridige leven is te prettig. Het vleselijke is te vermakelijk. Zij willen best naar de hemel. Maar als dat gaan moet ten koste van het aardse, dan maar niet. De zonde kan men niet laten en wil men niet laten, dat staat vast.
6. Verkeerde inbeeldingen. Hoeveel zijn er tenslotte niet, die al de stukken van de belijdenis hoog achten en de kinderen Gods, gelukzalig. Daarom doen zij mee met de kerk, zijn uitwendig godsdienstig en wachten zich voor de grove besmettingen der wereld. En nu denken ze dat het goed is. Een zondaar kan zo netjes het kerkelijk en godsdienstig leven meeleven, terwijl zijn hart voor de Here gesloten blijft. Met hun hart leven zij midden in de wereld, doch zo voor het oog hebben zij geloof en een kerkelijk leven en daar zijn ze tevreden mee. Hoe beeldden de Joden uit de dagen van de omwandeling van de Here Jezus zich in, dat zij echte gelovigen waren. Maar van de Here Jezus moesten zij niets hebben. Om deze redenen en om nog andere wijzen velen de aangeboden Christus af. Daartoe vinden en nemen zij redenen in zich zelf. God de Here verhindert hen niet te geloven. Integendeel: Hij roept tot het geloof in Christus» Maar de hoorders verharden zich. De Here Jezus sprak: , , Gij 'wilt tot Mij niet komen". Van de Farao staat, dat hij; zijn hart verhardde. Bij Zacharia lezen we van Israël: , , En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die de Here der heerscharen zond in Zijn Geest door dr dienst der vorige profeten" (Hoofdstuk 7). Daar is ook een verharding door God. Maar dat is een gevolg van de verharding, waarmee de mens zichzelf heeft verhard. En zo komt de mens als een schuldige te voorschijn, d.w.z. hij is de oorzaak van zijn eigen verderf. Hij, heeft de duisternis liever gehad dan het licht. Ook moet men niet denken dat de offerande van Christus te kort zou schieten. Deze is immers overvloedig genoegzaam tot de voldoening van de zonden der gans© wereld? Maar misschien is het toch wel goed, dat we deze schuld een volgende keer uitgebreider aanwijzen.
L. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's