HEDENDAAGSE LITURGIE (9)
L. G. BRUIJN, Em. pred
In de loop van dit jaar werd mij een brochure thuisbezorgd: „Woord of Kruis? " De schrijver heeft aanleiding daartoe gevonden in het feit, dat in de laatste jaren in sommige Herv. en Geref. kerkgebouwen boven en achter de kansel een groot kruis is aangebracht; alsook hier en daar op protestantse kerktorens, soms 's avonds verlicht. En „niet alleen in studeervertrekken van predikanten, maar ook in vele protestantse gezimien kan men een kruis tegen de muur zien hangen". Roomse propaganda blijkt haar uitwerking niet te missen. „Hadden onze ouders ooit behoefte aan een kruis in de kerk? "
Gewezen wordt op het onrustbarend getal overgangen van protestanten naar de Roomse Kerk. Het zullen er dan ook wel „protestanten" naar geweest zijn. Men heeft gezegd, dat , , alleen al in Haarlem ieder jaar meer dan zeshonderd mensen Rooms worden". Rome zwermt allerlei brochures uit, kosteloos te verkrijgen, om protestanten toch eens goed in te lichten. Nu is het voor mij twijfelachtig, of dergelijke spitsvondige kost wel veel wordt gelezen en verteerd. Maar het visuele (dat, wat aan de zinnen beantwoordt of die streelt) doet immers opgeld op elk gebied. De algemene levensvervlakking blijkt zelfs in 't voeren van reclame en in de inrichting der advertenties in de courant. Dan hebben we nog de schijnwereld van bioscoop, film, toneel, televisie en ten dele ook de radio, waaraan een mens vervalt, die van God is vervallen; in deze eeuw op onrustbarende wijze, vooral omdat na de oorlog de betrekkelijke maatschappelijke welvaart en de vaak overdreven sociale verzorging (men wordt immers zowat van de wieg tot het graf verzekerd) de massa zich ging verliezen in al wat materieel (en zichtbaar) is, en dit zelfs de zin voor het hogere, het geestelijke, deed afstompen. Men hoeft op straat en in voertuigen maar even op te letten, om hiervan de blijken op te vangen. En als dan voorts de Kerk zelf niet meer blijkt te zijn , , een pilaar en vastigheid der waarheid" (1 "Tim. 3 : 15), dan weten velen niet meer, waaraan zij zich hebben te houden. Dit zou nooit zo'n vaart zijn gelopen, als kerk en wereld niet zozeer ineengeschoven waren, als thans het geval is (in de diverse formaties), en zij zelve, als voorheen, had blijven luisteren naar het Paulinisch vermaan: , , Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is" (2 Tim. 1 : 13). Dan kon ook aan het volk des te meer worden voorgehouden: „Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt" (3 : 14). Maar als in een verwilderde hof spruiten nu de paddestoelen van allerlei secten en meningen omhoog. In plaats van die (met en om haar gif) te begeren, lere onze ziel die om onzes levens wil te vertreden, met de bede uit het Hooglied: , , Ontwaak, Noordenwind! en kom, gij Zuidenwind! doorwaai mijne hof, dat zijne specerijen uitvloeien" (4 : 16).
Men heeft in onze eeuw ook nieuwe goden voor Gods aangezicht gebracht: die van de techniek (de spoetnik-god) en de kunstgod. Men kan soms een zelfverzekerd brallen daarover horen, als in de geest van Nebucadnezar. Bij de een worden daardoor zielsbestaan en -behoeften weggemechaniseerd, bij de ander het zwelgen in een moerasachtige gevoelsverheerlijking bevorderd. Wij worden herinnerd aan de openbaring van beest en valse profeet, in Openbaringen 13, 19 en 20, maar die met hun aanbidders ten verderve gaan.
Zo oefent dan ook de kunstgod in de Roomse Kerk zijn zinsbegoocheling uit op velen, die van de fundamenten des geloofs zijn afgegleden, als Israël in de woestijn, begerend: „maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan" (Ex. 32 : 1). Aanwijsbaar is dan ook de invloed, die hiervan mede op het hedendaags liturgisme is uitgegaan. Vandaar de uitlating, door dr. A. F. N. Lekkerkerker aangehaald: , , En in verband met het Avondmaal; , , Het gaat er blijkbaar om, dat in deze gemeenschap der gelovigen het offer van Christus opnieuw beleefd, opnieuw , , tegenwoordig" gesteld zal worden" (het Concilie van Trente spreekt over de Mis als over de , , tegenwoordigstelling" van het Kruisoffer) 1). Hier leest men dezelfde bewoordingen voor bijna dezelfde gevoelens: de lichamelijke tegenwoordigheid des Heren, hetzij in de Mis, hetzij in het Avondmaal; een indirect succes voor Rome.
In verband hiermede nog de volgende illustratie. Aan de Leijweg te 's-Gravenhage-Loosduinen zou kort geleden een kolossaal nieuw kerkgebouw der Rooms Katholieken in gebruik genomen worden. Men had een bijzondere bijeenkomst belegd, met uitnodiging aan alle protestanten in dit stadsgedeelte. De predikanten der Geref. Kerk roken lont, en publiceerden een waarschuwing. Volgens 't verslag in de Nieuwe Haagse Courant van 29 nov. uitte pater S. Jelsma zich aldus: , , Deze avond moet men daarom ook zien als een manifestatie van het grote éénzijn in Christus". Van ditzelfde gevoelen bleken o.a. de Herv. predikanten W. E. den Hertog (Loosduinen) en J. J. W. A. Wijchers (Den Haag). , , Deze avond bracht ons er toe, de R.K. bewoners van Morgenstond uit te nodigen, eens bij ons op bezoek te komen, aldus ds. den Hertog, die tevens de hoop uitsprak, dat deze belangstelling over en weer zou meewerken aan de totstandkoming van de grote eenheid". Aldus het verslag. Deze spreker hoopt dus op en werkt mee aan een door hem gefantaseerde , , grote" eenheid van Rooms en Protestant, die dan zou moeten worden zoiets als een federatie, inniger nog fusie, nog inniger ineensmelting. Hij is dan tegelijk druk bezig zijn naam en positie als Herv. man te verspelen, waar hij niet meer schijnt te weten en geloven, dat Rome met het noemen van de naam Christus, Hem al in Maria tegelijk verloochent.
De voorliefde voor kruisen is dan tevens een stap in deze richting. Ik heb dat horen verontschuldigen met: dit (kruis) was toch een oud-christelijk symbooL Ja, maar 't zit 'm juist in dat woord symbool (kenteken) en 't hanteren daarvan. Deze naam werd later tot op heden gebruikt voor de kerkelijke belijdenis, het geestelijk (onzichtbaar) geloofsbezit der kerk. Nu — nadat de Reformatie het zichtbaar kruisteken als bijgelovigheid had afgeschaft —, nu blijkt men juist de geestelijke zin van , , symbool", d.i. zijn inhoud als belijdenis, te hebben losgelaten, en acht zich „gesticht" en bevredigd door het hebben en aanschouwen van een houten kruis. Dat is geen vooruitgang, en ook niet onschuldig. Want die vroege christenen hebben, wegens vervolging en druk, ook nog in andere tekentaal zich geuit; zo bijv. in het tekenen van een vis, ichthys (Gr), naar de afzonderlijke letters betekenend: Jezus Christus, Gods Zoon, Zaligmaker. Ook: een lam, waar doorheen een kruis, enz. Maar dit was tot een onderling waarmerk jegens elkander, en tot 't zich aftekenen tegenover een vijandige heidense wereld. En de latere Roomse afgoderij met kruis en crucifix moest nog komen. Dat is er van geworden, toen heel de wereld der middeleeuwen als , , christelijk" kon aangemerkt worden, en het kruis in de eerstgenoemde betekenis niet meer kon gebezigd te worden.
Men moet zich waarlijk niet verbeelden, door de tegenwoordige kruisfabricage aansluiting te hebben aan geloof en leven der vroege christenen. (Ik zeg niet: eerste christenen, want die roemden in het kruis van Christus door prediking en gebed. Gal. 6 : 14: , , Maar het zij verre van mij, dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes Heren Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld"). In de tweede eeuw, zo niet eerder, was Paulus leer van de gerechtigheid des geloofs zonder de werken al haast vergeten kwamen de goede werken en de reeds vermelde physische (natuurlijke) verlossingsleer om de hoek kijken. Tevens het z.g. kruis-slaan, tot bescherming en zegening, op voorhoofd, mond en borst, zoals 't nu nog is bij Rome. 't Is maar een kleinigheid, om straks ook tot dit gebruik (en bijgeloof) te vervallen. Men kan vandaag de hele lijdensgeschiedenis van het stoffelijk kruis in de eeuwenoude kerk van Rome maar niet overslaan, en daarover de spons der vergetelheid halen. Het gebeurt ook niet. Bewust of onbewust hebben romaniserende tendenzen, ook in bepaalde Gezangen, de hang naar het kruisteken opgeroepen of gestimuleerd. Te meer, als de kruis-prediking op de achtergrond kwam te staan, werd de grond gelegd voor een kruis-cultus. Men zal tegen dit woord willen protesteren. En een leeg kruis is toch geen crusifix? Maar men hangt die kruisen toch op, om er naar te kijken, en omtrent Christus indachtig te worden (daar dit aldus, nodig schijnt)? Welnu, als ik in kerk of kamer „naar dat kruis kijk, is 't dan niet, of de lijdende Christus daaraan hangt? Wordt dit symbool voor mij dan geen beeld? Zo wees een predikant in een kerk, waar een groot kruis boven de kansel gekomen was, meermalen onder de preek naar dat kruis en zei dan: , , Is het niet, broeders en zusters, of we daar de lijdende Christus zien hangen? " Aldus in de bovengenoemde brochure. Hier wordt gedaan, wat God juist verbiedt, en waardoor men van Hem en Zijn Woord afdwaalt.
De schrijver van vermelde brochure, de heer M. J. Heule Sr., behoort blijkbaar tot de Geref. Kerken, en doet ons nog van het volgende schrikken, als hij verklaart: , , Kunt u zich dit indenken, en toch kan ik u verzekeren, dat ik persoonlijk bij Geref. predikanten in hun studeerkamer een crusifix heb zien hangen. Verschillende Herv. en Geref. predikanten, met wie ik sprak, zeiden mij, dat op grond van Gods Woord niet was te bewijzen, dat een crusifix verkeerd was (dat is toch wel heel bar, Br.), noch het maken van een kruisteken, noch bidbankjes in de kerken, noch het aanbrengen van schilderijen langs de wanden, als zij ons maar herinneren aan het lijden van Christus, noch het hebben van een Christuslbeeld in de gezinnen, met een lichtje er bij, en nog veel meer van Rome."
Wij moesten hier werkelijk even de adem inhouden. Zou dat nu toch werkelijk waar zijn? Het afglijden naar Rome schijnt wel een interkerkelijk kwaad te zijn geworden en niet alleen belichaamd in de' personen van ds. Loos en dr. Visser. In dit verband dient ook genoemd te worden de opzienbarende stelling van dr, B. Rietveld, Geref. pred. in Den Haag, gevoegd aan zijn in 1957 gehouden dissertatie over „Saecularisatie als probleem der theologische ethiek". In deze stelling verklaart hij het niet eens te zijn met de belijdenis in zondag 35, Held. Cat., „dat God Zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging van Zijn Woord wil onderwezen hebben". Voorts was daar een stelling, dat de cultuur in de eredienst (behoort te worden opgenomen. Aldus wordt m.i. zelfs een gravamen tegen de Belijdenis ingediend. Doch ik las nog niet, dat men tegen dergelijke afwijkingen bezwaar heeft gemaakt.
Dan voel ik mij meer thuis in de beschouwing van dr. Lekkerkerker 2): „Waar een Protestant afkerig is van tekenen en symbolen, zal hij hiertoe (een kruis in de kerk) niet zo snel overgaan. Een kruis te plaatsen op een avondmaalstafel is iets, dat hem niet ligt. Al te zeer is hem in het hart gegrift het verhaal uit 2 Koningen 18, dat mededeelt, hoe koning Hizkia de koperen slang, indertijd door Mozes gemaakt, verbrijzelt, omdat de Israëlieten met haar afgoderij bedreven, en haar hadden verheven tot een idool (afgod). En na alles, wat hij zelf heeft meegemaakt in zijn historie met crusifixen, zal hij moeite hebben, het kruisteken weer aan te brengen in de kerk". Ik zou er willen bijvoegen: het is hem absoluut onmogelijk.
1) „De Reformatie in de Crisis" 1949, blz. 19.
2) a.w., blz. 69.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's