De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 37

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 37

10 minuten leestijd

37 ZONDAG 34

Derde gedeelte: het gebed.

Met zondag 34 maken we de overgang van het gebod naar het gebed. Dat moet ons vrij vertrouwd zijn: onze Heidelberger gaat in het spoor van Calvijn en heeft zo dezelfde volgorde. De innerlijke samenhang kan ons niet ontgaan: het volkomen gebod, zo onvolkomen in practijk gebracht, dringt tot het gebed, om kracht tot de volbrenging en om vergeving voor het altijd onvolkomene.

Gebed: God kennen in al onze wegen.

Calvijn maakt de overgang zo: Waar we nu. voldoende hebben gesproken van het dienen van God, dat het tweede deel uitmaakt van de eer, die wij Hem schuldig zijn: laten we nu over het derde deel gaan spreken. Dat betekent dus: laten we, na over geloof en gebod te hebben gesproken, het gebed aan de orde stellen. Zo komt een bespreking van het Onze Vader na die van de Apostolische Belijdenis en de Tien geboden.

De leerling geeft dan ook ten antwoord: We hebben al gezegd, dat dit bestaat uit het Hem aanroepen in al onze behoeften.

Daarmee wordt terug gewezen naar de vorige zondag, tweede vraag. Daaruit maken we op, dat met die behoeften allereerst bedoeld is de grote behoefte aan kracht tot gehoorzamen aan Gods Wet, aan de Heilige Geest. Daarnaast evengoed de kleine, zelfs de kleinste behoeften, omdat niets de Here te groot, maar ook niets Hem te klein is.

Geen tussenkomst van heiligen.

De inhoud van die aanroeping van Gods, naam komt nog nader ter sprake. Meteen maakt Calvijn scherp front tegen de wijze, waarop deze aanroeping op Roomse trant geschiedt. Hij vraagt daarom: Bedoel je, dat we Hem alleen moeten aanroepen? Het antwoord luidt: Ja, want dat eist Hij, als een eer, die aan Zijn God-zijn verschuldigd is.

Daarmee wordt de tussenkomst van de heiligen dus afgewezen. Ze zijn tot die dienst zomin geschikt als nodig en dus schadelijk. Zogenaamd maken ze, als een soort ladder, de afstand tot God kleiner, maar omdat de sporten van deze ladder hun last niet kunnen dragen, maken ze de afstand tot God juist groter.

„Gewone" hulp van mensen niet verboden.

Dat is een helder antwoord. Hoever gaat het echter? Is het daarom ook verboden aan enig mens enige hulp te vragen? Die gevolgtrekking heeft men blijkbaar wel willen maken, hetzij uit onkunde, hetzij uit lust, om dit verbod bespottelijk te maken. Zo wordt nu gevraagd: Als dat zo is, in welk opzicht is het ons dan toegestaan om bij mensen hulp te zoeken? De bedoeling is duidelijk: het betreft hier heel gewone hulp, zonder enige „verdienstelijke" bijbedoeling. Daar wordt van gezegd: Dat zijn heel verschillende dingen. Want wij roepen God aan, om te betuigen, dat wij van Hem alleen alle goeds verwachten en nergens anders onze toevlucht zoeken. Maar we zoeken de hulp van mensen, voor zover Hij het ons toestaat en hen de macht en middelen geeft om ons te helpen.

God en de „middelen".

Het gaat dus om het verschil van de onmiddellijke en de middellijke hulp. Ook wel: om hulp in de „eeuwige" dingen en om die in de tijdelijke. Dat onmiddellijke en eeuwige heeft de Here zichzelf voorbehouden en Hij duldt daarin niemand naast zich. Daarom verbiedt Hij de aanroeping van heiligen. Maar in de middellijke, tijdelijke dingen zijn wij wel degelijk bestemd en geroepen, om onzes broeders hoeder te zijn. Anders dan de Dopers en de Libertijnen, die in een sfeer van pure geestelijkheid en onmiddellijkheid willen leven, is Calvijn van mening, dat in een van God geschapen wereld de „tussenoorzaken", , , de weg der middelen" niet maar geoorloofd, maar zelfs geboden is. Dat afwijzen noemde hij hoogmoed en dat is het ook. Daarom schiep de Here God ook niet maar mensen maar een mensheid, die bestemd is in een kerk, een maatschappij, mèt elkaar te leven, en elkaar die diensten te bewijzen, waartoe de Here ons opdracht, gelegenheid en middelen verleent. '

De Schrift spreekt in dat kader van de verschillende ambten in de gemeente van Christus, die bestemd zijn , , tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus" (Efeze 4 : 12). Zij, die elkaar zo dienen, worden in de Schrift ook , , heiligen" genoemd, maar het zijn bescheiden heiligen, die hun plaats verstaan en zich niet tussen God en een ander wagen in te dringen. Ze zijn daartoe niet in staat en bovendien niet nodig. Want de Here is nabij allen die Hem aanroepen, die Hem aanroepen in waarheid.

Het is dus volkomen gepast en geboden, dat wij in voorvallende zaken elkaars hulp inroepen, waar we elkanders leden zijn. Wat daar onder blijft, is zondig verzuim; maar wat daar bovenuit grijpt in de richting van de heiligenverering, is vermetelheid.

De betekenis der „middelen".

Deze zaak blijkt Calvijn hoog te liggen en we vermoeden, dat doperse en libertijnse overgeestelijkheid verschillende gemeentenaren in dit opzicht in de war heeft gebracht. Want Calvijn wil de zekerheid hebben, dat z'n leerling hem goed begrepen heeft. Hij vraagt daarom nog eens: Dus je bedoelt, dat het hulp vragen aan mensen niet tekort doet aan het feit, dat we God alleen moeten aanroepen, mits we ons vertrouwen niet op die mensen stellen en ze niet anders opzoeken, dan in zoverre God ze heeft gesteld tot dienaren en beheerders van Zijn goederen, om ons ermee te hulp te komen?

We merken hierin op Calvijn's beduchtheid, dat die , , tussenoorzaken" toch weer zullen proberen tot enige eigenmachtigheid te komen. De Roomse theologie was hem hier een baken in zee. Calvijn wil de verhouding van de Onmiddellijke en het middellijke zuiver houden. De tussenoorzaken en middelen hebben geen eigen heerlijkheid of het moest een gestolene zijn. Ze dienen enkel de heerlijkheid Gods, die ze een plaats geeft, bescheiden en toch rijk, opdat, waar de schat in aarden vaten bewaard wordt, de uitnemendheid der kracht van God zou blijven en niet van ons zou worden.

Het antwoord drukt dit zo uit: Zo is het. Want waarlijk, alles wat wij aan goeds ontvangen, moeten we beschouwen als van God zelf komend, zodat in werkelijkheid Hij het ons toezendt door de handen der mensen.

Het gebruik der „middelen" bindt samen.

Deze wijze van beschouwen kan op een koude en liefdeloze wijze worden uitgewerkt. Als iemand mij met levensgevaar uit het water haalt, kan ik me op een koude en goedkope wijze van hem af maken, door te zeggen, dat deze man toch immers niets gedaan heeft, en het de Here is, Wien alleen alle dank toekomt. We zouden niet durven zeggen, dat iets en veel daarvan onder ons niet soms voorkomt en dan misschien nog wel onder een , , gereformeerd" mom. Ook Calvijn moet daarvan hebben geweten, want hij gaat ook daarop nog weer in. De vraag klinkt: Moeten wij, hoewel het zo staat, toch niet aan de mensen, die ons goed doen, erkentelijkheid bewijzen? Na wat we van Calvijn's aanvoelen der dingen zeiden, ligt het antwoord voor de hand: Ja, zeker, al was het maar, omdat God hen de eer aandoet om ons Zijn goederen te doen toekomen door hun handen. Dat doende, verplicht Hij ons aan hen en wil Hij, dat wij ons aan hen verbonden gevoelen.

Juist in het Gereformeerde Protestantisme met z'n nadruk op de persoonlijke vroomheid, is het gevaar van de vrome eenspanner niet uitgebleven. Dit Protestantisme in z'n nadruk op de alleswerkende God, moet wel tot aan de grens van het zeer-geestelijke, overgeestelijke raken. Maar verder dan ook bepaald niet. Want nochtans is gereformeerd geestelijk leven tevens kerkelijk leven en evenzo heeft de gereformeerde ethiek een ruime plaats ingeruimd aan de sociale ethiek.

In het antwoord, dat Calvijn hier geeft, staan we bij de bronnen daarvan. God alleen is groot en te prijzen en de middenoorzaken zijn op zichzelf niets en danken aan Hem alleen hun zegen. Maar zelfs dat wil de Here niet wegcijferen of miskend zien: als Hij iemand ertoe gebruiken wil, om ons middellijk te helpen, dan krijgt die man daarmee een ereplaats en dan wil de Here, dat er daardoor band tussen ons komt. De Grote Werkgever is goed voor Zijn personeel, zelfs (vooral) voor het laagste. Hij durft , , medewerkers Gods" te noe'men mensen, die van zichzelf niet anders zeggen kunnen dan: wij zijn onnutte dienstknechten. Hij verhoogt nederigen, maar vernedert ook krachtig, die naar boven streven.

De „band" in een gereformeerde kerk.

We voelen hier, hoe een gereformeerde kerk er uit moet zien. Daar leeft en spreekt die band, die de Here tussen mensen legt. De band tussen de dragers der ambten en hen, die ze dienen; de band tussen zieken en zwakken en hen, die ze ondersteunen; daarbuiten ook de band aan de overheid en de vorst, door wiens hand het Gode belieft ons te regeren. Doperse en libertijnse overgeestelijkheid kan zich nooit handhaven, omdat deze band ontbreekt en korrels zand nu eenmaal geen samenhang hebben. Dat wil dus ook voor ons zeggen, dat wanneer een echt kerkelijk leven ons ontbreekt, we de fout hebben te zoeken in een schrale, zure „geestelijkheid", waarvan Calvijn in geen geval de vader wil zijn.

Heiligen noch engelen nodig of mogelijk.

Aan het begin van onze zondag werd de aanroeping der heiligen al afgewezen. Nu komt Calvijn er nog even op terug. Hij vraagt: Kunnen we daaruit niet afleiden, dat het ongeoorloofd is, engelen of gestorven heiligen aan te roepen? De leerling beaamt dat van harte en zegt: Ja zeker: Want God heeft aan de heiligen niet de opdracht verleend, om ons te helpen. Wat de engelen aangaat: hoewel Hij ze gebruikt ten dienste van ons heil, zo wil Hij toch niet, dat wij ze aanroepen noch dat we bij hen hulp zoeken.

Dat is goed Schriftuurlijk gesproken. De echte heiligen hebben veel bescheidener taak dan om God van Zijn heel eigen werk te beroven. Het is een zeer ondiepe religie, die zulke steunsels zoekt. En de engelen, wier goede diensten Calvijn dankbaar erkent, hebben evenmin die plaats in Gods bestel. Ze zijn geschapen en bovendien geen menselijke wezens. Hoe zouden ze ons verstaan en middellijk kunnen dienen, ook al wilden ze?

Een gedeeld gebed en gedeeld hart is ongeloof en afgoderij

Zo loopt het op de conclusie uit: Je zegt dus, dat alles, wat niet overeenkomt met de orde, die de Here gesteld heeft, met Zijn wil strijdt? Antwoord: Ja. Want als wij niet tevreden zijn, met wat de Here ons geeft is dit een duidelijk teken van ongeloof. Meer nog: indien wij in plaats van onze enige toevlucht in God te hebben, zoals Hij het ons geboden heeft, ons tot heiligen en engelen wenden, en een deel van ons vertrouwen op hen vestigen, is dat afgoderij, omdat we dan op hen overdragen, wat God alleen Zichzelf voorbehoudt.

Wat het betekent: een God te hebben.

Calvijn is geen man van grote, sterke woorden. Alleen de leugen heeft die innerlijke zwakheid, die (vergeefs) naar „krachttermen" grijpt. Toch spreekt hij graag een klare taal. Zo ook hier, als hij de aanroeping van anderen niet anders dan ongeloof en afgoderij noemt. Hij doet daarom niet anders dan beamen, wat patriarchen, profeten en evangelisten beleden. Het verblijdt ons, hem hier zo dicht in Luther's buurt te zien, wiens warme woord uit zijn Catechismus Calvijn hartelijk beaamt: Een God hebben betekent: van Hem alle goeds verwachten en zijn toevlucht bij Hem hebben in alle noden, zodat het niet anders betekent dan: Hem van harte vertrouwen en geloven, zoals ik zo vaak gezegd het), dat alleen het vertrouwen en geloven des harten ze beide uitmaakt: God en afgod.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 37

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's