De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 1

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 1

7 minuten leestijd

Onder ons is de vraag gesteld: „Behoren de niet-gereformeerden in de Kerk erbij of niet, en hoe behoren wij dan tegenover hen te zijn? " (W. L. Tukker, Theol. Reformata, juni '58, pag. 57)Het probleem, dat met deze vraag wordt aangesneden, roept binnen de kring van de hervormd gereformeerden spanningen op. Het kan zijn nut hebben, er iets over te zeggen-, licht worden ze alleen daardoor al verminderd.

1.  Isolement en isolationisme

Om wat voor spanningen gaat het? Niet om zulke, die worden opgewekt door een verschil van inzicht in bepaalde geloofsstukken, nog minder omtrent fundamentele geloofsstukken. Voor enige tijd is er op gewezen, dat tegenstellingen van die aard zich onder de hervormd gereformeerden hebben doen gevoelen, doch in de laatste tijd belangrijk in betekenis afnemen.

Gelukkig zijn de hier bedoelde spanningen van veel onschuldiger aard. Desondanks is het nuttig, er alle aandacht aan te schenken juist omdat zij onschuldig zijn. Men zou immers anders, in de mening met ernstige tegenstellingen te doen te hebben, onderling wantrouwen kimnen voeden — zo men daar aanleg voor had.

Het gaat dan hierom, dat in de loop der jaren, dat de Gereformeerde Bond als centraal punt in de gereformeerde gezindte in onze kerk heeft gefungeerd, de belangstelling voor Calvijn in onze kring is toegenomen. Daardoor is enerzijds een zekere ontwikkeling aan te wijzen in de prediking en zielzorg, terwijl aan de andere kant een daarmee samenhangende onmiskenbare verheldering in onze inzichten inzake het Verbond de bezinning op ons kerkbegrip heeft bevorderd. En nu worden de consequenties van dit verdiepte inzicht onder ons in uiteenlopende mate beseft.

Het belangrijkst voor ons onderwerp is, dat velen zich zijn gaan realiseren, dat door de doop de niet-gereformeerden voluit behoren tot onze Hervormde kerk met zijn gereformeerde belijdenis. Voluit, omdat zij in de lijn der geslachten behoren tot Gods genadeverbond. Dit behoren-tot is immers ook voor hen in de H. Doop even duidelijk betekend en verzegeld als de besnijdenis onder de oude bedeling dit deed voor alle Israëlieten onder het oudtestalmentische Verbond.

Nu haakt daar ergens iets; waar en wat? Dat deze niet-gereformeerden, hoewel zij tot het Verbond behoren, toch niet mee-belijden wat de Kerk belijdt; dat hun geloof blijkbaar niet wordt gedekt door het schriftuurlijk geloof, dat in de belijdenis der Kerk zijn uitdrukking vindt. Wij durven niet te zeggen, dat zij daarmee zonder meer buiten Christus zijn, want wie zou het wagen te beoordelen hoe ver de afwijkingen en hoe ernstig de accentsverschuivingen in de religieuze voorstellingen daartoe zullen moeten zijn? Zeker niet de gereformeerde, die weet hoe weerbarstig, arglistig en dwaalziek zijn eigen hart is. Evenwel duidt een niet mee kunnen komen met het belijden der Kerk toch ergens op een defect. En waar zulke defecten niet alleen persoonlijk worden gecultiveerd, maar bovendien via het predikambt de Kerk worden ingedragen, daar wordt het kerkvolk van het rechte belijden afgetrokken of afgehouden en aldus het leven der Kerk bedreigd.

Zo zien wij, dat het in de Kerk wringt in dit opzicht, dat velen, die — naar de doop verzegelt en bekrachtigt — voluit tot het Verbond en dus tot de Kerk behoren, tegelijkertijd de functionering van dit Verbond tegenstaan door de volle diepte van het Evangelie (als lidmaat der Kerk) niet te verstaan of (als drager van het predikambt) niet in de prediking te doen doorklinken.

Enerzijds: God verzekert elkeen in de doop, dat Hij ons tot Zijn erfgenamen aanneemt; anderzijds: voor vele gedoopten mist het aanhangen van Christus het schriftuurlijk patroon van het waarachtig geloof, de vaste hoop en de vurige liefde, zoals ons dat in de belijdenisgeschriften onzer Kerk wordt getekend.

Deze omstandigheid nu doet zich niet voor sinds vandaag of gisteren. De geschiedenis van de Kerk vóór de Hervorming laat zien, hoe — bevorderd door de hiërarchische inrichting van de toenmalige kerkregering — in de leer der Kerk zoveel verkeerde dingen kunnen worden opgenomen, dat dit tenslotte op een zeer ernstige kerkdeformatie uitloopt. Met deze ervaring voor ogen zag men na de Reformatie met bezorgdheid opnieuw een functieverlies intreden van de belijdenis der Kerk. Men poogde evenwel, deze belijdenis zijn normerende functie te doen behouden. Dat wil zeggen, dat er in de Kerk waren, die de band van het kerkelijk leven met de belijdenis wilden bestendigen, maar ook, dat anderen die band wilden verzwakken. Daarmee was een situatie gegeven, waarin in zeer concrete gevallen de gereformeerden met de belijdenis der Kerk alleen kwamen te staan.

De ontwikkeling van het kerkelijk leven leidde dus voor hen van tijd tot tijd tot een isolement, wat echter niet wegnam, dat daarbij het zicht op de gehele Kerk bewaard bleef. Men wilde de band met de belijdenis niet alleen voor zichzelf bewaren, maar ook de anderen daar weer bij betrekken. Vanuit het isolement werd een beroep op de gehele Kerk gedaan. De gehele Nadere Reformatie kan (met uitzonderingen) worden gezien als een appèl op de Kerk met een dubbel motief: een bij de reformatie bewaren van de gereformeerden, en een tot de reformatie terugroepen Tan d« anderen.

Op de duur deed de bejegening, die de gereformeerden bij de teruggang van het leven der Kerk gingen ondervinden, hen steeds meer op zichzelf terugtrekken. Hun tweeledig beroep op de Kerk geraakte uit het evenwicht. Het terugroepen van de niet-gereformeerden kwam, ook al bij enkele figuren uit de Nadere Reformatie, op de achtergrond; het kerkelijk bezig zijn begon op te gaan in het bij het Woord bewaren van de eigen gelijkgezinde gereformeerde groep en in het daarvoor ruimte behouden of ruimte veroveren.

Wat eerst incidenteel, niet begeerd, door de omstandigheden werd opgedrongen, werd later stelselmatig gezocht als iets dat men wèl wilde. Het isolement verwerd tot isolationisme.

Aan dit isolationisme was ten nauwste verbonden de voorstelling, dat zij die zich aan de leefregel der Kerk minder gelegen laten liggen ondanks hun gedoopt zijn toch niet werkelijk, echt bij de Kerk behoren. Daarvan kon, zo meende men, pas worden gesproken bij de ware Christgelovigen. De anderen, die wel in de Kerk, maar niet van de Kerk zijn, hoorden er alleen maar formeel bij, doch niet wezenlijk. Het Verbond werd langzamerhand van de Kerk ingeperkt tot de verzameling der uit-, verkorenen, die als de eigenlijke kerk werd beschouwd. In deze kerk in engere zin mochten dan desnoods als in een voorhof ook nog verkeren zij, die wel de belijdenis toestemmen maar zich nog niet durven rekenen tot de kinderen Gods in engere zin.

Het isolationisme versloeg tenslotte onder de gereformeerden zijn duizenden, en gaf zelfs in de vorige eeuw door het toen opkomende modemisme aanleiding tot de doleantie. De Jeremia was een Jona geworden, die na het aanzeggen van het oordeel zich buiten Ninevé neerzette om de voltrekking van een afstand onbewogen aan te zien.

Nu was deze uittocht verre van algemeen. Onder hen die achterbleven waren er die, oog hebbend voor de betekenis van het Verbond in reformatorisch-bijbelse zin, principieel niet meegingen. Vele anderen gingen niet over uit een zeker conservatisme, een niet gemakkelijk in beweging te krijgen zijn, zonder dat zij in beginsel zo afkerig stonden tegenover de isolationistische ideeën van dr. Kuyper, waarhij de gereformeerden onwillekeurig als een af te zonderen, een te isoleren élite werden beschouwd.

Deze laatste groep leverde een belangrijk contingent van het kerkvolk dat zich later schaarde om de Gereformeerde Bond. Hoewel men zich hier stellig niet wenste te vereenzelvigen met de Gereformeerde Kerken wat betreft de prediking, is men vooral in de eerste decennia van het bestaan van de Gereformeerde Bond wel de gedachte blijven koesteren, dat de niet-gereformeerden in de Kerk eigenlijk niet echt erbij behoren.

Dit werkt nog altijd na in dit opzicht, dat velen onder ons de niet-gereformeerden uitsluitend beschouwen als mensen op wie men terrein moet veroveren of wel die men zich zo goed mogelijk van het lijf moet houden. Men gelieve er op te letten, dat het hier niet om de prediking gaat, maar om-de mensen; om de beschouwing niet van de niet-gereformeerde verkondiging, maar van de niet-gereformeerden zelf.

In zulk een isolationisme is er weinig of geen plaats voor een doordenken van de consequenties voor het kerkelijk leven van onze Verbondsopvatting, zoals die meer en meer naar voren komt. Men heeft alleen maar oog voor de eigen gereformeerde groep, en let slechts op anderen in zover zij onze eigen ontplooiing in de weg staan.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's