BESCHEIDEN PROTEST
De redactie neemt geen „ingezonden" stukken op, en het is ook geen gewoonte om discussies op te zetten naar aanleiding van recensies. Toch willen wij een uitzondering maken voor het , , bescheiden protest" van ds. Lindeboom. Hij schrijft ons als volgt:
Twijzel, 5 december 1958.
Hooggeachte professor Severijn,
Misschien mag ik langs deze weg een woord van bescheiden protest laten horen tegen wat u naar aanleiding van mijn boek in het nummer van 4 dec. j.l. zegt over de leer van de Hervormde Kerk. U schrijft: „Ten eerste kan niemand ontkennen dat de uitdrukking „de leer" hoe men daarover verder wil denken en handelen, teruggaat op de leer der belijdenis. Een andere opvatting past niet in een officieel reglement Het gaat daarom niet zonder meer op om te beweren de Hervormde Kerk heeft de belijdenis der drie formulieren niet."
U hebt echter niet meegedeeld wat ik gezegd heb om te bewijzen dat met de leer in het Algemeen Reglement onmogelijk de drie formulieren konden zijn bedoeld. Het bevreemdt me, dat u alles wat ik op de bladzijden 31—42 heb betoogd afdoet met de bewering: „Een andere opvatting past niet in een officieel reglement". Ik geloof ook, dat dit laatste onjuist is. Kan een officieel reglement geen andere bedoeling hebben? Is dat beslist onmogelijk? Een hervormd predikant als dr. W. Volger is het overigens geheel met mij eens. En die heeft, evenals ik zelf, de stukken van 1816 ijverig bestudeerd. Op dit punt is dus mijn mening, dat u zoudt moeten weerleggen met grondige argumenten, maar niet met de wel wat goedkope opmerking: , , Niemand kan ontkennen... .".
Vervolgens hebt u uw lezers ook niet meegedeeld, dat, stel al dat het waar was dat de Hervormde Kerk de drie formulieren nog , , had", ik heb betoogd dat deze uitdrukking, hoe goed ook bedoeld, misleidend is. Als de Hervormde Kerk de belijdenis nog heeft, moet zij die belijden. Als zij die niet wil belijden, toont zij dat ze die belijdenis niet heeft. Met dank voor de plaatsing,
A. M. Lindeboom.
Het spijt ons voor ds. Lindeboom, maar wij vinden niet de minste aanleiding om iets van ons oordeel, waartegen ds. Lindeboom protesteert, terug te nemen. Zulks ondanks de blz. 31—42 en ondanks , , het goedkope", dat hij in onze opmerking ziet.
Wij behoeven n.l. geen langdurig betoog te houden om aan te tonen, dat de belijdenis in de Hervormde Kerk onder de Synodale organisatie niet heeft gefunctioneerd en nog niet functioneert.
Ook is het niet moeilijk, om aan te tonen, dat de opstellers van het Algemeen Reglement er geen ogenblik over hebben gedacht de leer der Drie Formulieren te handhaven. Dat is trouwens genoegzaam bekend.
De gegevens, waarop ds. Lindeboom verder moge doelen, b.v. dat de voorontwerpen zwegen over de leer, kunnen ons ook al niet bewegen. Maar, de zinsnede, welke ds. Lindeboom dan laat volgen, die geeft ons zomaar het bewijs in handen voor de juistheid van ons beweren in de door hem bestreden , , goedkope" opmerking. Hij schrijft: , , Hoewel het nieuwere onderzoek der archieven dus langzamerhand wel duidelijk heeft gemaakt, dat die klare klaroenstoot over de handhaving der leer, nauwelijks gemeend kan zijn geweest, en hoofdzakelijk heeft gediend om opkomende argwaan tijdig te sussen, (curs. van mij, S.), moet men om ons voorgeslacht recht te doen wedervaren, er mee rekenen, dat het van die geheime besprekingen, welker deksel voor ons thans is gelicht, destijds niet de minste notie heeft gehad." (blz. 32).
Hoe wil ds. Lindeboom nu tegen mijn opmerking: , , Ten eerste kan niemand ontkennen, dat de uitdrukking , , de leer" hoe men daarover verder wil denken en handelen, teruggaat op de leer der belijdenis", protesteren?
, , De leer" is een begrip, waarvan de inhoud in de eerste plaats bepaald wordt door de Schrift zelf, die immers deze uitdrukking gebruikt, en vervolgens door de confessie. Sedert de reformatie in ons land doorbrak en aan de leer expressie gaf in de drie Formulieren van Enigheid, werd in ons land in de kerk der reformatie onder „de leer" verstaan de leer der Drie Formulieren.
De opstellers van het Algemeen Reglement hebben niet volhard in hun zwijgen over „de leer", zij hebben ook geen andere bepaling gegeven van de leer, maar zij hebben tenslotte , , om opkomende argwaan te sussen" in art. 9 gewaagd van handhaving der leer. Wat zij bedoeld hebben, is dus volgens ds. Lindeboom duidelijk. Zij hebben bedoeld argwaan weg te nemen. Zij hebben bedoeld en geweten, dat het volk onder , , de leer" zou verstaan: de leer der drie Formulieren.
En nu gaat het er niet om, wat de opstellers van het Algemeen Reglement zelf als leer voorgestaan hebben, of, wat zij zelf aan critiek op de leer zouden hebben uitgebracht, maar vast staat, dat zij met van de leer te spreken in art. 9 geattendeerd hebben op het gangbare begrip. Alleen de verwachting, dat men het in de : ön der overgeleverde leer zou verstaan, kan overeenkomen met Lindebooms bewering om opkomende argwaan te sussen. Dat zal niemand kunnen ontkennen, ook ds. Lindeboom niet.
Zo kan men wel met recht beweren, dat de auteurs van het Algemeen Reglement en van de organisatie van 1816 de handhaving van de leer der Drie Formulieren niet hebben bedoeld, men kan ook zeggen, dat het noemen der leer misleidend is geweest, maar men kan niet weerspreken, dat de leer in art. 9 de traditionele leer aanduidt. En zo niet, hoe kon het dan misleidend zijn? Toch alleen, als men iets anders bedoelde dan men zei?
En hoe kon dit argwaan sussen, dan alleen, als men verwachten kon, dat hetgeen men zei, in traditionele zin zou worden opgevat?
En als de argwaan het nu in traditionele zin mag nemen, waarom zouden de aanhangers der belijdenis het niet traditioneel en ernstig mogen nemen? Wie kerkelijk van de leer oprecht spreekt, spreekt en sprak van de traditionele, de in de confessie overgeleverde. Temeer, omdat er geen andere is, die aanspraak kon en kan maken op kerkelijke erkenning en handhaving.
Zoals het met de leer is, is het met de confessie.
De confessie is niet het eigendom van een kerkelijk instituut of van een kerkelijke organisatie, maar zij is uitdrukking van het geloof der levende kerk. Daarom heeft enig instituut of kerkelijke organisatie in eigendommelijke zin nooit de belijdenis, maar men kan dit bij wijze van spreken zeggen, zolang het geloof der confessie leeft in de harten der mensen onder het instituut of onder de organisatie.
Naarmate dit meer of minder het geval is, zal de confessie ook functioneren in het instituut of de organisatie.
Het is haast niet te begrijpen, dat de auteur deze dingen uit het oog heeft verloren, terwijl de, helaas, in zovele instituten en organisaties verdeelde gereformeerde gezindheid met de éne gemeenschappelijke traditionele confessie daarvan zo'n duidelijk beeld geeft.
Is dit nu kerkisme, of wat is dat?
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's