De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 2

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 2

6 minuten leestijd

Wij zagen, hoe onder de hervormd gereformeerden het isolationisme, d.i. het opzettelijk zoeken van het isolement in de Kerk, nog altijd nawerkt. Men vreest blijkbaar een gelijkschakeling van gereserveerdheid en van trouw ten aanzien van de belijdenis der Kerk, indien men het systematische isolement zou opgeven. Daarom speelt men onder ons graag met de gedachte, zich van de anderen te moeten afgrenzen alleen omdat zij niet-gereformeerd zijn.

2. Kerk en Verbond

Nu mag men zich wel zeer in acht nemen, niet op zulk een isolationistische houding neer te zien.

In de eerste plaats menen wij te hebben duidelijk gemaakt, hoe deze houding historisch verklaarbaar is.

In de tweede plaats dient men er de zorg in te waarderen voor het gereformeerd karakter van het kerkelijk leven. En dat is toch een uiterst gewichtige zaak. De tekst , , Bewaar het pand, u toebetrouwd" moge door het veelvuldig gebruik als slagzin wat versleten schijnen, het staan naar gehoorzaamheid aan deze oproep blijft prijzenswaardig en noodzakelijk.

In de derde plaats is het niet te verwonderen, dat onder ons de gedachte in de hand is gewerkt, dat een bredere kijk op de Kerk identiek zou zijn met: het niet zo nauw nemen met de gereformeerde normen. Daar is eerst de ontwikkeling van het kerkelijk leven omstreeks en na de invoering van de nieuwe kerkorde, onder invloed van een vervaging van de theologische grenzen. Daar is verder het kerkelijk gedrag van enige oorspronkelijk hervormd gereformeerde figuren in die periode, die blijkbaar wèl gevoel hadden voor een bredere kerkelijke visie, maar die kennelijk moeite hadden met daarin de juiste houding te vinden. Zij wisten daarbij doorgaans geen eigen gereformeerde stijl te bewaren en , , vielen om", zoals de gereformeerde goegemeente dat — met een niet te onderschatten intuïtie ! — wel uitdrukt.

Desondanks betekent dit alles niet, dat in het isolationisme de zorg voor het gereformeerd karakter van het kerkelijk leven nu ook op de meest verantwoorde wijze wordt beleefd.

De gedachte, dat de gereformeerden eigenlijk pas de ware leden der Kerk zijn en „de anderen" er niet werkelijk bijhoren, strookt niet met de verbondsopvatting van Calvijn, zoals die onder ons steeds meer de aandacht heeft. Die opvatting houdt voor de huidige kerkelijke situatie in, dat gereformeerden en niet-gereformeerden gelijkelijk verkeren onder de beloften des Verbonds.

Deze stelling vereist wel enige toelichting, zonder dat zelfs maar kan worden overwogen, hier een volledig beeld te geven van hoe Calvijn over het verbond en de kerk heeft gedacht. Het bestek van dit opstel laat dat niet toe; bovendien is de schrijver niet deskundig. Een theoloog zal dit over enige tijd wel eens kunnen behandelen.

Thans dus een toelichting op de opmerking, dat gereformeerden en nietgereformeerden gelijkelijk onder de beloften des Verbonds zijn.

Is er dan geen onderscheid tussen gereformeerd en niet-gereformeerd ? Betekent het dan niets, dat de gereformeerden eerlijk alle aspecten van wat de Schrift ons openbaart en door de belijdenisgeschriften wordt , , samengevat en uitgelegd" (naar de jongste synode-verklaring o.i. gelukkig uitdrukt) tot gelding willen zien gebracht, en dat de niet-gereformeerden dit minder stringent schijnen te achten?

Ongetwijfeld is er dat onderscheid, en betekent dit zeer veel, maar het betekent niet, dat er een wezenlijk onderscheid zou zijn in het in-de-Kerk-zijn van gereformeerd en niet-gereformeerd, of: tussen het in-het-verbond-zijn van gereformeerd en niet-gereformeerd. Want: voor het in-de-Kerk-zijn is bepalend, dat God ons in het Verbond Zijn heil belooft. Daarvoor is niet bepalend, hoe wij op die aanbieding, op die beloften reageren — wat overigens natuurlijk wèl beslissend is voor Gods oordeel over ons.

Evenwel ontvangen allen, die tot de Kerk behoren — tot de zichtbare kerk, die doopt — daarmee het heil, Christus, het Woord, de rijkdom van het Evangelie. Het heil wordt echter in het Verbond in belofte ontvangen ; niet omdat, maar opdat wij geloven. Dat betekent, dat die belofte moet worden ingelost,  gerealiseerd. Het heilsgebeuren wordt aan de enkele mens toegepast door het werk van de Heilige Geest, die voor Christus in het hart plaats maakt. Daardoor wordt het in de weg van zelfontdekking en wedergeboorte ook ten volle 's mensen deel.

Wij geven dan onszelf prijs om Christus te gewinnen. Nochtans was het heil „enigszins" ook al in het Verbond aan de enkele mens geschonken, want dat was wel een schenken-inbelofte, maar wat de Here belooft, dat zal Hij ook doen ; met name aan een ieder die gelooft.

Wij kunnen echter ook de beloften, bijvoorbeeld door een gering achten van de verzegeling ervan in de doop, voor kennisgeving aannemen en verder onszelf blijven. Wij kunnen ook menen, eerlijk menen, Christus in het geloof te aanvaarden zonder ons onbevangen te stellen onder de tucht van het Woord ; het oor lenend aan vreemde leringen, zonder ons veel gelegen te laten liggen aan de normerende functie van de belijdenis der Kerk.

Zo komt pas hier, nadat dus het inhet-Verbond-zijn van allen die tot de Kerk behoren bij voorbaat vast staat — de betekenis naar voren van het schrift­uurlijk geloof zoals dit in de belijdenis is samengevat, van het zich naar dat belijden richten der gereformeerden en van het gereserveerd daar tegenover staan der niet-gereformeerden. En als de apostel vraagt: hoe zullen zij geloven zonder die hun predikt ? , dan is daarmee tevens de betekenis gegeven van de rechte prediking, die is , , naar den Woorde Gods" en die daarom nauwkeurig acht geeft op hoe de Kerk in tijden, dat het Woord Gods rijkelijk in haar woonde — zoals de Reformatie —dit Woord heeft verstaan en beleden. Deze prediking is levenwekkend omdat de H. Geest daardoor werkzaam wil zijn en daar'in de vernieuwende kracht van het Woord wil doen gevoelen.

Het maakt echter de indruk, dat de isolationisten onder de gereformeerden deze vernieuwende kracht willen reserveren voor de eigen gereformeerde groep, die daarvoor alleen vatbaar wordt geacht. „Tot bekering komen" schijnt eigenlijk — hoewel de mogelijkheid van uitzonderingen wordt erkend — slechts denkbaar te zijn onder hen, die de gereformeerde leer bij voorbaat zijn toegedaan.

Het kan evenwel duidelijk zijn dat, juist omdat het Verbond gereformeerden en niet-gereformeerden gelijkelijk omvat, niet alleen tot een persoonlijk mee-belijden met het belijden der Kerk moeten worden opgeroepen allen die de gereformeerde leer voorstaan, maar om des Verbonds wil even goed allen, die deze gereformeerde leer — de leer der Kerk! — hetzij tegenstaan, hetzij er niet goed weg mee weten.

Daarbij laten wij staan, dat waar deze en gene tot zulk een mee-belijden wordt gebracht, dit niet is door onze oproep tot bekering op zichzelf, maar door de kracht van de Heilige Geest. Het is de H. Geest, die ook in deze harten het willen en werken wil bewerkstelligen. Het is ook de H. Geest, die daarbij ons oproepen als middel wil gebruiken. Het eerste doet ons beseffen, dat het niet uit ons is, doch Gods gave ; het tweede, dat wij, voor de verantwoording worden gesteld, met dit oproepen, ook van de anderen, werkelijk ernst te maken.

Met dit alles in te stemmen vereist misschien voor enigen onder ons een omschakeling, die allicht sterk wordt bemoeilijkt door de jongste kerkelijke ontwikkeling.

Al zouden wij meer algemeen dan tot nu toe bereid zijn, de niet-gereformeerden als Verbond-genoten te zien en van daaruit kerkelijk te handelen, dan staat deze ontwikkeling daar als een levensgrote barrière om ons daarvan af te houden. Zij die voor die ontwikkeling verantwoordelijk zijn en die vaak vooraan stonden om aan de gereformeerden geborneerdheid (begrensdheid) in kerkelijke visie toe te schrijven, mogen dat wel eens goed bedenken, en zich realiseren dat met dit afstoten van de gereformeerden het verwijt van geborneendheid op henzelf terugvalt.

Kan onder deze omstandigheden van de hiervoor ontvouwde gedachten in de practijk nog iets worden gehonoreerd ? Daarover in het slotartikel.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1958

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1958

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's