De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 3

Bekijk het origineel

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 3

10 minuten leestijd

Vorige week zagen wij dat naar de opvatting van Calvijn, die zich onder ons meer en meer doet gelden, niet verkiezing en verbond, maar Kerk en verbond samenvallen. Gereformeerd en niet-gereformeerd behoren daar gelijkelijk toe. Tweeërlei kinderen des Verbonds zijn te onderscheiden: zij wier gedachten gevangen geleid werden tot de gehoorzaamheid van Christus, en zij die Hem tegenstaan ongeacht of zij de leer die naar de Schrift is met het verstand toestemmen of niet. Deze laatsten moeten tot het geloof worden opgeroepen, ook indien de gereformeerde leer hun niet of maar ten dele aanspreekt.

Maar dat is zo moeilijk! Het is veel gemakkelijker, deze niet-gereformeerden hun eigen weg maar te laten zoeken, hen om het zo te zeggen maar in hun eigen niet-gereformeerde sop gaar te laten koken. Maar dat mag juist niet, om der wille van het éne Verbond waar wij tezamen met hen in zijn geplaatst. Ook deze hongerigen en dorstigen moeten gevoed, deze naakten gekleed, omdat zij vanwege het Verbond broederen van Christus zijn en wellicht niet eens de minste.

Het moeilijke zit hierin, dat zij het voedsel, de drank, de kleding niet schijnen te willen, omdat zij zich hun. werkelijke diepste behoeften niet eens bewust zijn. Van de befaamde , , vierde mens" van prof. Hoekendijk, de zoon van de verloren zoon die niet eens weet meer heeft van het Vaderhuis en er daarom ook niet naar verlangt, bestaat helaas ook een kerkelijke versie.

Nog veel moeilijker wordt het, doordat dit terugroepen der Kerk tot haar reformatorische grondslag door de kerkregering als geheel allerminst wordt be­vorderd. De indruk wordt niet vermeden, dat het deel der Kerk dat zich tegen een terugleiden der Kerk tot haar confessie verzet, zich op de achtergrond geestelijk gesteund kan weten door het overheersende gevoelen bij de leiding der Kerk en juist daarom zich zo breed durft maken. Wij schrijven dit allerminst neer om deze kerkelijke leiding bij ons hervormd gereformeerde volk zwart te maken. Het doet ons juist zo bijzonder pijn dit te moeten zeggen omdat wij weten, hoe meerdere figuren in de kerkregering deze ondergrondse sabotage van de wederkeer der Kerk bepaald niet wensen, en omdat wij respect hebben voor hun trouw op de plaatsen waar zij gesteld zijn en voor de wijze waarop zij hun krachten en gaven aan hun moeilijke en ondankbare taak wijden.

Dit geen moment uit het oog verliezend, zouden wij toch de vraag willen opwerpen wat de leiding der Kerk dan eigenlijk wèl wil. Is de vanzelfsprekendheid waarmee men een terugkeer tot de Reformatie laat liggen werkelijk een uiting van zelfbewustzijn? Gaat het onder die door de middengroep bepaalde leiding in geestelijk of ander opzicht dan zo florissant? Of vreest men wellicht heimelijk een debacle van de eigen koers, en geeft dit aanleiding tot de drang, zich vóór een ergens vermoede crisis nog zoveel mogelijk te laten gelden? Wil men onderbewust daarom met zoveel haast de gereformeerde structuur van onze Kerk nog ernstig verstoren? Men kan er toch niet blind voor zijn, dat bijvoorbeeld de toelating van de vrouw tot de ambten en het instellen van scheurgemeenten tot brokken aanleiding dreigen te geven? Is het nu werkelijk zó ongehoord, het stuur om te gooien en de Kerk te gaan leiden in gereformeerde zin? Natuurlijk is dat voor de velen in de kerkelijke leiding, die zich vreemd weten aan de Reformatie, iets dat tegen hun geestelijke habitus in gaat. Zij moeten daarvoor a.h.w. buiten zichzelf gaan staan. Evenwel zouden zij zich toch desondanks kunnen gewennen aan de gedachte, daar heen te moeten, zowel met de Kerk, als innerlijk voor zichzelf. Wat zij menen te verliezen zou een rijke winst blijken.

Onzerzijds zouden wij zo gaarne daarbij van dienst zijn. Wij erkennen met schaamte, daar nog weinig blijk van gegeven te hebben, en er ook nog niet erg toe in staat te zijn. Wij zijn echter ook zo aanhoudend tegen de muur gedrukt, dat wij ternauwernood de gelegenheid kregen ons op een zo moeilijke taak te bezinnen en er ons op voor te bereiden. Laat de leiding der Kerk dan zo genereus (grootmoedig) zijn, ons om der wille van de erve der vaderen die gelegenheid te geven, en laat ze ons niet de adem benemen met de ene aanslag na de andere op het nog restende gereformeerde leven.

Vooronderstellend, dat aan de gereformeerde gezindte deze gelegenheid wordt gelaten, kan worden gezegd dat zij zal tonen haar taak minder goed te verstaan, indien zij zich blijvend zou isoleren van de rest van de Kerk vanuit het idee dat dit deel niet werkelijk kerk is.

Deze taak houdt in, te bevorderen dat de Kerk haar reformatorisch karakter herkrijgt.

Het is zeer wenselijk en naar ons voorkomt ook mogelijk, dat te dien einde de gereformeerden daadwerkelijk pogen, ook de anderen onder beslag van Schrift en belijdenis te brengen met alle middelen, die daartoe dienstig zijn.

Wat is dan dienstig en wat niet? Dit wijst zich wel uit, .wanneer twee punten in aanmerking worden genomen die ons in het verleden altoos maar kwalijk te verenigen schenen.

Het eerste is, dat wij bij het in het oog houden van het geheel der Kerk onszelf, dus gereformeerd, moeten blijven. Wij moeten het niet daarin zoeken, dat wij op punten waar wij denken dat dit nog wel min of meer kan, óók wat midden-orthodox gaan doen. Aandacht voor de gehele Kerk kan en mag niet inhouden: de middengroep naar de ogen zien. Van onderdanige dienaren kan niet worden verwacht dat zij degenen, in wie zij onderbewust hun heren en meesters zien, geestelijk en kerkelijk weten te brengen waar zij behoren. Aan zulken heeft de Kerk niets. Als Mozes, die door het dorstende volk Israels beslist veel onvriendelijker werd bejegend dan de gereformeerde groep in onze kerk nu, tot de Here roept: Wat moet ik met dit volk doen? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen! (Exod. 17), dan zegt de Here niet: Houd maar wat rekening met die kwaadwilligheid, maar: Ga met uw staf vóór het volk uit naar de rots Horeb. De Here gaat niet eens in op Mozes' vrees, maar verlangt van hem een vorstelijk gedrag.

Het tweede is — en daar hebben onze mensen veel meer moeite mee —, dat deze eis, onszelf te blijven, niet in het minst in mindering mag worden gebracht op ons kerkelijk bezig zijn met de niet-gereformeerden. Dat dezen ten prooi zijn aan vreemde leringen is immers ook een stuk schuld van onszelf. De taak van de Gereformeerde Bond is toch niet alleen, de Waarheid in de Kerk te verdedigen, maar ook — in het verootmoedigend besef van slechts middel te zijn, als de Here dat zo wil —: de Kerk op te richten uit haar diepe val. Mozes kreeg bij de Horeb ook niet de opdracht, het hoofd maar wat te schudden over zóveel afwijken van de Here, en er zich verder niets aan gelegen te laten liggen.

Een concreet voorbeeld ter toelichting. Een gereformeerde kerkeraad is niet klaar met een niet-gereformeerde minderheid toe te voegen: komt u maar onder het Woord, de kerkdeuren staan open. Met alle begrip voor de grote moeilijkheden voor zulk een kerkeraad, moet toch worden verstaan dat dit tactische onzin is. Een maagpatiënt kan men niet als een gezond mens behandelen en voedsel voorzetten dat voor hem zwaar te verteren is. Met zulk een houding mag men het (officiële) kerkelijke leven ter plaatse ongerept gereformeerd houden, men steekt echter geen vinger uit om te bereiken dat de minderheid ook. metterdaad naar de eis nvet het Woord wordt geconfronteerd. Dat is niet gereformeerd in de zin van: levend uit een kerkbesef dat opkomt uit de verbondsopvatting van Calvijn.

Hoe dat dan moet? Laten we eerst maar eens ervan doordrongen worden dat het moet.

Dat lijkt een wat goedkope opmerking. Immers: het is gemakkelijk, een diagnose te stellen, maar veel meer waard, een weg ter genezing te wijzen. Dat niet te doen, brengt de zaak — niet alleen die van de niet-gereformeerde minderheden in gemeenten van gereformeerde stempel, maar ook die van de niet-gereformeerde meerderheid in de Kerk als geheel — niet verder. Schrijver dezes erkent, in dezen te kort te schieten, doch meent dat al veel gewonnen is als men iets gaat zien van onze taak in het probleem, dat Hervormde kerk heet. Het is een kwaal van deze tijd, dat men oplossingen van problemen van een leiding verwacht. Wij moeten ons niet in deze geestelijke onzelfstandigheid laten wegglijden, maar zelf gaan meedenken over hoe hier uit te komen. Dit moet een zaak van ons allen worden, niet het minst ook een zaak van gebed om meer licht in dezen. Het is dan ook in dit verband te waarderen, dat de hervormd gereformeerde predikanten zich meer dan vroeger verdiepen in Calvijn in het bijzonder en in de bronnen van Reformatie en Nadere Reformatie in het algemeen, om daarmee zichzelf te corrigeren, en dit vruchten te doen dragen zowel naar binnen voor het geestelijk leven in de eigen gemeenten als naar buiten voor de gehele Kerk.

Het is te waarderen dat daartoe het tijdschrift , , Theologia Reformata"is uitgekomen. Het is ook te waarderen dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond studiecommissies heeft benoemd, waarvan één de z.g. minderhedenkwestie principieel wil bezien, en een andere zich bezig houdt met de vraag naar de methodiek voor een , , comprehensive approach" van de niet-gereformeerden met de reformatorische noties. Dit zijn tekenen, dat men in beginsel het isolationisme wil verlaten, zin wil geven aan het in de Hervormde kerk zijn van de hervormd gereformeerden, en daarbij het oog wil gaan slaan en durft te gaan slaan op de gehele Kerk.

Zo zien wij ten aanzien van de kerkelijke visie twee polen, waartussen de Gereformeerde Bond op weg is. Enerzijds het isolationisme, dat van een wezenlijk contact met de anderen niet weten wil, er althans niet voor voelt; anderzijds de houding die beoogt, om des Verbonds wil en tegen alles wat voor ogen is in, de gereformeerde noties in de gehele Kerk erkenning te doen vinden, zonder in voorkomende gevallen een opgedrongen isolement te vermijden.

Wij treffen in de Gereformeerde Bond het isolationisme nog allerwegen aan. Het verbondsmatige kerkelijke inzicht doet zich echter steeds meer gelden. En voor de meesten onder ons zal het wel zo zijn, dat zij eigenlijk wel isolationistisch geworteld zijn, maar in bepaalde situaties , , je und je" de noodzaak gevoelen van een verbondsmatige component in de kerkelijke praktijk. Vooral deze laatsten doen uitkomen, dat wij niet zo onverstandig moeten zijn, ons door kortzichtige vertegenwoordigers van de ene of van de andere stijl in twee kampen te laten verdelen. Het is éne hervormd gereformeerde groep, waarin alleen de een wat verder op de weg is dan de ander. Men moet echter vertrouwen in elkaar hebben. Zij die zich nog nauw aan het isolationisme verwant weten moeten aannemen, dat wie de hele Kerk op het oog hebben daarom nog best integer (onkreukbaar) kunnen zijn in hun gereformeerdheid. En omgekeerd moeten dezen met de isolationisten geduld hebben, en bij voorkomende gelegenheden maar eens rustig onderzoeken, of de door de anderen gesignaleerde wolven en beren wellicht ook werkelijk bestaan en daarom misschien nopen tot een incidenteel isolement.

Indien iets, dan leert ons zeker de jongste kerkelijke ontwikkeling dat wij ons onderling geen tweespalt kunnen veroorloven, maar gezamenlijk het schriftuurlijke uitgangspunt der Reformatie met het daarmee verbonden élan in de Kerk hebben te stellen. En als onze kerk de Schrift schijnt te willen gaan interpreteren naar de smaak van deze tijd — niet mensen in de kerk, maar de Kerk als zodanig! — om zo over het Woord te heersen in plaats van zich erdoor te laten voeden, dan moet het geestelijk leven in de Kerk wel verkwijnen. Laten diegenen die deze dreiging gevoelen dan allen eensgezind de Here aanroepen, pleitend op Zijn verbond. De Here mocht ook nu Zijn Woord weer uitzenden, en de Kerk verlossen uit haar ingezonkenheid, aldus rijke stof gevend om Hem te loven, als vanouds (Psalm 107 : 18—21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONTWIKKELING IN HET KERKBEGRIP VAN DE GEREFORMEERDE BOND 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's