DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 38
ZONDAG 35
Gebed in geest en waarheid.
Calvijn opent deze zondag met de opwekking: Laten we nu spreken over de wijze, waarop we tot God rnoeten bidden. Is het voldoende, het alleen met de tong te doen, of moeten onze geest en ons hart er bij zijn?
Calvijn stelt hier de twee mogelijkheden, zoals de practijk ze doet ontmoeten. Voor hemzelf is de keus echter niet onduidelijk: De tong is er niet altijd toe nodig, maar wel moet er aandacht en aandrang zijn.
Bij het neerschrijven van het eerste deel van dit antwoord heeft Calvijn zeker wel aan Hanna en haar gebed gedacht (1 Samuel 1) en aan de woorden van Paulus aangaande het bidden door de Heilige Geest in ons, wanneer wij zelf het niet tot woorden brengen (Rom. 8 : 26). Dat hij dit erkent, bewijst, hoe weinig verstandelijk hij het gebed beoefende en met hoeveel passie. Merkwaardig, dat hij daarbij niet schroomt, de Dopers enigermate gelijk te geven. In de oudste doperse gemeentesamenkomst kende men het „stille" gebed. Het gebed kwam dus niet tot woorden en zinnen, maar zal veel op het gebed van Hanna hebben geleken. Maar zoals Eli dat toen misverstond, zo hebben de dopers ook, onder gereformeerde invloed en wegens veel misverstand, dat , , stille gebed" afgeschaft en de , , openbare" aanroeping van Gods Naam ervoor in de plaats gesteld.
Calvijn heeft blijkbaar begrip voor dat , , stille" gebed. Wanneer wij dit mogelijk niet hebben, kan dat niet licht voor ons pleiten. Wanneer ons gebed immers zo vlak en vlot verloopt, vaak in gezochte en zelfs opgesmukte woorden, hebben we er blijkbaar geen besef van, hoe de verlegenheden en de aanvechtingen, de noden en de voorbeden zo op ons kunnen afstormen, dat ze ons dreigen te overmeesteren en de geordende overdachte woordenstroom onderbreken. Calvijn heeft daar kennelijk van geweten, het moet dan ook tot het wezen van een werkelijk bewogen gebed worden gerekend.
Maar gaat het daarmee niet de weg naar de geestdrijverij op? Moéten we ons dan maar laten drijven op de golven van het gevoel, niet recht wetend, waar aan te komen?
Het is duidelijk, dat Calvijn daaraan niet denkt. Hij kent de mens als eenheid en wil lichaam en ziel, hart en hoofd samen zien optrekken in plaats van ze tegenover elkaar te zien gesteld. Dit moet betekenen, dat hij in het algemeen ook de tong een plaats in het gebed toekent, maar, hoe het daarmee ook zij, in alle geval aandacht en aandrang onmisbaar zijn. De woorden, die Calvijn gebruikt, zijn moeilijk te vertalen. In de bedoelde aandacht is ook het hoofd betrokken, zonder dat daarmee het hart is uitgeschakeld. En in de bedoelde aandrang is het hart (het gevoel) wat voorop gekomen, maar zonder dat daarmee het hoofd (het overleg) in de ban zou gedaan zijn. We voelen, dat hij zeker sterk gedacht heeft aan die woorden van Paulus over het met hart en verstand spreken of bidden. Samenvattend moeten we zeggen, dat hij heel de innerlijke en de uiterlijke mens in het gebed wil zien betrokken.
We begrijpen, dat deze woorden voor de leerling gezag hebben. Maar Calvijn wil bepaald niet, dat de leerling bij zijn woorden zou zweren. Zoiets kan in een gereformeerde kerk zeker niet gedoogd worden. Daarom klinkt de vraag: Hoe zou je dit bewijzen? Daarmee is alleen een Schriftbewijs bedoeld, dat aldus luidt: Daar God een Geest is, vraagt Hij altijd ons hart. Bijzonder in het gebed, waar het er om gaat, met Hem gemeenschap te beoefenen. Toch belooft Hij om alleen nabij hen te zijn, die Hem in waarheid aanroepen en daartegenover vervloekt Hij allen, die het doen in huichelarij en zonder aandrang (Psalm 145 : 8; Jesaja 29 : 13).
Na wat we bij de vorige vraag optekenden, behoeven deze woorden weinig nieuwe verklaring. De eis van de waarheid en de oprechtheid wordt sterk onderstreept. De God, die Geest en Waarheid is kan alleen haten alle vormelijkheid en huichelarij. De verhoring van het gebed is nooit automatisch. Ze is op een zeer ruime wijze beloofd, maar blijft toch gebonden aan dit ene, dat de Here nabij allen is, die Hem aanroepen, d.w.z. die dit in waarheid en niet huichelachtig doen.
Hier is een onderwerp aangesneden, waarover heel wat is te zeggen. Calvijn's gemeente was, vooral in de tijd dat hij zijn Catechismus schrijft, zeker nog niet los van die vormelijkheid en sleurdienst, die de roomse geibedspractijk meebrengt. Daar richt hij dan ook zijn scherpste pijlen op, als hij vraagt: Alle gebeden, die enkel met de mond gedaan worden, zijn dus zonder nut ? Het blijkt zo te zijn en wordt zelfs nog versterkt: Ze zijn niet alleen nutteloos, maar zelfs ook Gode onwelkom. In deze, zaak bestaat immers geen , , neutrale sfeer". Waar het hier om leven en waarheid gaat, daar gaat het ook om alles of niets, om een Gode behagen en een Hem diep mishagen.
De grondtoon van het gebed.
Calvijn gaat dan over op de aandrang, die er in het gebed moet zijn. Welke aandrang moet er in het gebed zijn ? Antwoord: In de eerste plaats, dat we onze ellende en onze armoede gevoelen en dat het gevoel daarvan ons verlegenheid en angst inboezemt. Vervolgens, dat we een sterk verlangen kennen, om genade bij God te vinden, welk verlangen ons hart in gloed zet en in ons een aandrang tot gebed opwekt.
We merken wel, dat de opstellers van onze Heidelberger dit antwoord gelezen hebben en het nog niet waren vergeten, toen ze hun eigen overwegingen over het gebed te boek stelden. Bidden is bedelen; een bidder een bedelaar. Het is een bedelaar eigen, door z'n nood en armoede geleerd te hebben, zijn lege hand op te houden. Het kan niet anders, of Calvijn moest dit voorop zetten. Het is, wat de klankbodem voor een gespannen en aangestreken snaar is. Zonder klankbodem geen klank, tenminste geen diepe: zonder diep besef van nood en verlorenheid en alle tekort, ook geen gebed, tenminste geen echt gebed.
Als dit de ene pool is: onze schuld en verlorenheid, dan is de andere, de wetenschap, dat er bij God vergeving, gratie bestaat, opdat Hij gevreesd worde. Zoals er een vonk of een electrische stroom ontstaat, wanneer de twee polen verbonden worden, zo ontstaat er in het gebedsleven die stroom (des geloofs), die het hart beweegt, doet trillen, onder (hoog)spanning zet en de drang en het vuur tot het gebed in ons verwekt.
Dat het zo moet zijn en zo ook is in levend gebed, zal wel ieder beamen. Maar: hoe komt het daartoe? Als we ons afmeten aan dit , , ideaal", dat toch nog zeer bescheiden is, en we ons vragen of zo altijd, of doorgaans of althans gedurig ons gebed opklinkt, worden we niet licht zelfvoldaan. En dan verstaan we ook wel Calvijn's volgende vraag:Komt dat uit onze natuur voort of uit de genade van God? Waarop de leerling dan leerde antwoorden: Daar moet God aan te pas komen, want wij zijn te onbekwaam; maar de Geest van God wekt ons op tot onuitsprekelijke verzuchtingen en vormt in onze harten die aandrang en die ijver, die God vraagt, zoals Paulus zegt. Rom. 8 : 20; Gal. 4 : 6.
Men heeft wel van Calvijn gezegd, dat hij de woorden van Paulus wel in de mond neemt, als gezaghebbend, maar dat het hem aan een persoonlijk na-beleven ervan schort. Onder andere dit antwoord van onze zondag kan dat krachtig tegenspreken. Hier is niet een man, die Paulus van uit de verte na-, praat, maar een geestverwant, die met hem in één diepte staat en met hem één hoogte kent. De zo verstandige Calvijn weet zich, in het gebed tegenover de Here staande, als zo onvernuftig als Asaf. De man van het woord, die hij was, erkent, niet te weten te spreken, zoals het behoort. Woorden zijn te pover en te bros, om zoveel inhoud te bergen. Zo heeft het een zware nadruk: God moet er aan te pas komen. Het echte gebed en de waarheid van ons gebed komt voort uit de Heilige Geest.
Daar staat Calvijn dan weer aan die rand van de , , geestdrijverij", die we al menigmaal aanwezen. Toch blijft hij, zeer bewust, binnen deze perken. Calvijn's Bijbel begint wel met de God, die alleen alles doet, maar hij vervolgt ermee, dat deze God de wereld geschapen heeft en dat niet vruchteloos. Het , , middellijke" heeft altijd z'n kracht en belang, al spreekt het geen laatste woord.
Zijn we in het gebed énkel lijdelijk?
Daarvan getuigt ook weer de vraag, die nu volgt: Wil dat dan zeggen, dat we daarom ons zelf niet moeten opwekken en aanzetten om tot God te bidden? Dat zou de logische gevolgtrekkinig uit het zoëven neergeschrevene zijn. Die gevolgtrekking maakt Calvijn intussen niet, want hij is geen verstandelijk redenerend man. Hij erkent daarom van harte: Neen, dat betekent het niet. Integendeel: wanneer wij een zodanige bereidheid in ons niet aantreffen, moeten we de Here smeken, dat Hij ze ons geve en ons in staat stelle en geschikt make, om te bidden, zoals het behoort.
Onze , , lijdelijkheid" wordt hier erkend. Maar ze wordt geen schuldige, gemakkelijke lijdelijkheid, juist omdat de schuldvraag er achter ligt. Wanneer lijdelijkheid niet gedragen wordt door diep besef van verantwoordelijkheid; door de erkenning, dat die kracht bij ons behoorde te zijn, dan wordt die lijdelijkheid ziekelijk en dood. Dat doet Calvijn zeggen: Bidden betekent niet: maar niets doen en maar afwachten, of de Geest ons wil aandrijven. Het betekent wel, ons zo arm en zo geesteloos als we zijn, tot de Here wenden. Hem bidden, dat Hij toch schenke en doe, wat ons ontgaat. We herinneren ons hier, hoe juist in de eerste, warmste tijd van de Nadere Reformatie dit bedoelen van Calvijn uitstekend verstaan is. Willem Teellinck heeft daar kostelijk over geschreven, , , hoe wij de Geest des gebeds in ons verwekken zullen". Er waren er, die dat remonstrants(!) noemden. Daar zal Calvijn dan ook wel onder moeten vallen. Als dit niet waarschijnlijk is, zullen we het van Teellinck, zijn leerling, ook maar liever in het water of het zand schrijven.
De plaats van de tong in het gebed.
Daar is het , , middellijke" weer in ons gezichtsveld gekomen. Leermeester en leerling vatten er het belang van, want ze stellen het breder aan de orde. De dominee vraagt nu: Je bedoelt in alle geval dus niet, dat de tong in het gebed helemaal onnut is?
De tong speelt in de Bijbel een machtige rol. Geen wonder, dat de zo in de Bijbel levende Calvijn die tong ook niet gemakkelijk kan afschrijven, al behoort ze dan , , 'maar" tot de middellijke dingen. Hij zegt hier van die tong: Neen! Want op z'n tijd helpt hij onze geest en houdt hem vast, door hem te versterken, zodat hij zich niet zo spoedig van God afwendt. Bovendien, daar ze is geschapen. om God groot te maken, meer dan onze andere lichaamsdelen, komt het wel van pas, dat ze daarin op alle mogelijke wijzen bezig zij. En de drang des harten dwingt ook vaak, door zijn aandrift en kracht, de tong om te spreken, zonder dat men er bij denkt.
Jacobus schreef immers die bekende klaagzang over de tong (Jac.3). We zouden durven zeggen, dat Calvijn, die ze van harte beaamt, hier toch in zekere zin een lofzang op de tong heeft gegeven. Heeft hij daartoe dan misschien niet inspiratie ontvangen uit Psalm 19: Laat U mijn tong en mond. En 's harten diepste grond. Toch welbehaaglijk wezen? Ze trekken altijd weer uit elkaar, die twee. En ze horen toch zo vlak bij elkaar. De één kan niet zonder de ander. Als tong of mond mèt de grond des harten samenstemt, vindt Calvijn het gevaar van „doorvloeien" minder groot. Gevoelens, indrukken, „bevindingen" alleen vervloeien snel. We kunnen ze niet in verband zetten. Als er tong en woord bijkomt, die ze louteren, ordenen, en concentreren, dan wordt inderdaad de geest geholpen zich intenser op de kern der zaak te concentreren.
Daar bedoelt Calvijn geen eigenmachtigheid mee. Hij spreekt op hoogst gezag: zo heeft de Here het krachtens Zijn schepping gewild. De tong is bijzonder bestemd, om de bezielde tolk van heel ons bestaan, van heel de schepping te zijn, om de Schepper en Onderhouder van alles te loven. Dan is het goed en geboden, dat dit gebeurt, waar het maar kan. En wanneer tenslotte het hart loskomt, wordt de tong vaak losgemaakt en welsprekend, zonder dat we dat zelf eigenlijk bedoelden. Daar doet Calvijn al weer een waarneming uit het leven. De Ouden zeiden: Het hart maakt welsprekend. Welsprekendheid is geen opzettelijk mooie woorden kiezen, om zo bepaald indruk te maken. Maar echte welsprekendheid komt uit de zaak voort en dient die, en vindt zo goede, warme woorden, voor een goede, warmmakende zaak.
Calvijn besluit met een vraag en antwoord, die veel breder uitleg zouden kunnen ontvangen, dan we hier zullen geven. Hij haalt 1 Cor. 14 aan, dat bekende hoofdstuk, waar over het „spreken met andere tongen" wordt gehandeld. In zijn toelichting op 1 Cor. 14 heeft Calvijn daar breed over gehandeld en we verwijzen gaarne daarheen. Bij vergelijking blijkt, dat hij er hier maar heel kort, heel weinig van zegt, aangepast aan de kinderlijke bevatting. Wij zullen ons hier toch maar aan deze maat houden, al kan die niet iedereen verzadigen.
Calvijn verstaat die andere tongen als andere talen; talen intussen, die men in hoogspanning en geestvervoering sprak, zo dat ze niet werkelijk verstaan werden, Paulus heeft het resultaat van dit spreken zeer bescheiden beoordeeld. Calvijn nóg bescheidener. Hij moet bedoelen: Als we bidden zouden, in die andere talen, die niet werkelijk ons hele innerlijk beheersen, dan is dat verwerpelijk. Dat komt neer op een met God spotten en een verdorven huichelarij. (1 Cor. 14 : 14). Want de Here wil ons zélf horen en geen vreemde. Deze zondag eindigt, zoals hij begon: het gebed behoort te zijn een gebed in geest en waarheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's