IN MINEUR GESTEMD
„Woord en Dienst" dd. 27 december, het laatste nummer van het jaar 1958, vangt aan met een artikel van de hand van de secretaris-generaal der Synode onder de titel:
TERUGBLIK IN 1958
, , Wanneer een buitenlander mij zou vragen — en dit gebeurt ook niet zelden — wat 1958 voor de Hervormde Kerk in haar geheel heeft betekend, dan zou mijn antwoord zeker in mineur gestemd zijn", zo luidt de aanhef daarvan.
Ook wij hadden het voornemen zoiets als een terugblik te schrijven en, als wij het juist zien, is datgene, wat de secretaris-generaal aanleiding geeft tot zijn stemming in mineur, ons oorzaak van grote droefheid. Desniettemin staan wij geheel tegengesteld in de zaak, waarom het gaat en in de beoordeling daarvan. Daarom kan die buitenlander ons niet zoveel belang inboezemen. Er zijn ook buitenlanders, die het met ons eens zijn.
Ik laat de vraag rusten, of de geachte scribent van , , Woord en Dienst" voor zich zelf spreekt, en neem aan, dat hij in de zaak, die ons zo buitengewoon ter harte gaat, een min of meer officieel geluid laat horen en met name het gevoelen van het moderamen, of (en? ) van een, hoewel zeer kleine, meerderheid der Synode weergeeft. Wij hebben nl. de beslissing om de vrouw tot de ambten toe te laten op het oog.
Daaromtrent schrijft hij het volgende:
, , Minstens een vijftal jaren is besteed aan de doordenking van vragen, die het ambt betreffen voor de vrouw in de gemeente. Rapporten zijn verschenen waarin om de zin van de Schrift over dit onderwerp is geworsteld, waarin met de uitlegging van de Schrift in haar geheel en van bijzondere teksten ernst is gemaakt. Er is gevraagd naar de Geest, die in alle waarheid leidt en voortleidt. De meerderheid heeft de minderheid niet kunnen overtuigen. Verschil van mening is gebleven, ook waar men elkaar duidelijk maakte aan dezelfde Schrift gehoorzaam te willen zijn. Zal het mijn gesprekspartner uit het buitenland niet bevreemden wanneer ik moet zeggen, hoezeer er zich een beweging voordoet, die op verzet tegen de synode aandringt, ja de mogelijkheid van en afscheiding binnen de gezichtskring betrekt? Is hier, zo hoor ik vragen, geen verwarring met betrekking tot vragen, die het zijn (esse) en het wel-zijn (bene-esse) van de kerk aangaan? Is het niet noodzakelijk de leer van de onfeilbaarheid van de openbaring Gods, waarvan de Schrift de oorkonde is, opnieuw te doordenken, omdat de onfeilbaarheid niet als een intellectualistisch begrip, maar als gebrekkige omschrijving van de betrouwbaarheid van Gods heilsopenbaring moet worden verstaan? Is er niet alle aanleiding om werkelijk theologisch de vraag van wet en Evangelie opnieuw te onderzoeken? Heeft bovendien, hetgeen in andere kerken der oecumene beslist is, met de leiding en voortleiding van den Geest niets te maken? Het is juist dit vragen, hoe ook onderscheiden, dat in de gemeenschap der kerk thuis behoort en ons eer dichter bijeen dan verder van elkander heeft te brengen, wanneer wij tenminste het lichaam des Heren niet verder willen verscheuren".
Wij kunnen niet nalaten tegenover deze uiteenzetting uiting te geven aan de droeve conclusie, dat degenen, die het met het oordeel van de secretaris-generaal eens zijn, daarin blijk geven van zo bitter weinig begrip van de ernst van de genomen beslissing en van de betekenis daarvan voor heel het kerkelijk leven in en buiten de Hervormde Kerk.
De meerderheid (en welk een meerderheid!) heeft de minderheid niet kunnen overtuigen, zo wordt gezegd.
Waarvan overtuigen?
Van een recht der Synode om de vrouw tot de ambten toe te laten, als het getuigenis der Schrift daar evident tegen is, de Schrift in haar geheel en de bijzondere teksten?
Of is het niet evident, dat Oude en Nieuwe Testament de regel stellen: het ambt voor de man en niet voor de vrouw?
Is het niet waar, dat Christus twaalf mannen tot apostelen heeft gesteld en geen vrouwen?
Is het niet opvallend, dat op de klacht aangaande het verzuim jegens de Griekse weduwen, zeven mannen tot diakenen werden gekozen, ofschoon hier wel in het bijzonder aanleiding kon geweest zijn om ook vrouwen te verkiezen?
Hebben ook de apostelen niet mannen tot opzieners en diakenen bevolen en geen vrouwen en wordt dit alles niet door hun woord bevestigd?
En dan het zwijggebod (1 Cor. 14 : 34 en 35)?
Het is hier niet een kwestie van elkander overtuigen. Geen kwestie van argument tegen argument afwegen, geen meningsverschil. Wie dat zo stelt, maakt zich schuldig aan bagatelliseren van een uiterst fundamentele aangelegenheid.
Het gaat in deze zaak om de erkenning van het Goddelijk gezag van de Heilige Schrift naar het voorbeeld van de Heere Jezus Christus en Zijn apostelen, zoals de kerk dat ook in haar confessie belijdt.
Het gaat er om, of wij ons, om Gods wil, aan het Voorbeeld van de Heere Jezus en aan de leiding der apostelen, ook aangaande het verkeren in het huis Gods, gebonden weten, of menen daarin naar eigen smaak te kunnen handelen.
Nog eens, dit is niet een kwestie van elkander overtuigen, alsof er iemand van de genoemde meerderheid zou in staat zijn aan te tonen, dat de Heere Jezus Christus vandaag wel vrouwen onder Zijn apostelen zou opnemen en andere bevelen aan Zijn dienaren geven.
Neen, hier zijn geloof en belijdenis in het geding. Niet maar het geloof als individuele overtuiging, maar de beleving der Christelijke Kerk, (Vgl. Ned. Geloofsbel. artt. III, V en VII.)
De schrijver van de , , Terugblik" gevoelt dat wel, want hij spreekt van verwarring omtrent zijn en welzijn der kerk. Klaarblijkelijk vindt hij het een zaak van welzijn en acht hij zijn standpunt bevorderlijk voor het welzijn. Zo kunnen wij het onmogelijk zien.
Waarlijk, dit conflict met de belijdenis aangaande de Heilige Schrift, wordt niet overwonnen door wat de secretaris aangeeft als noodzakelijk n.l. , , de leer van de onfeilbaarheid van de openbaring Gods, waarvan de Schrift de oorkonde is, opnieuw te doordenken." Het gaat niet om de doordenking, maar het gaat om de doorleving van de waarheid Gods, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Theologie kan de kerk niet uit de nood helpen, maar geloof in de Christus der Schriften.
Doordenken kan trouwens nooit verder komen dan tot een begrip en dit begrip is, wat zuiverheids- en waarheidsgehalte betreft, evenredig aan de zuiverheid en de waarheid van het geloof, waaruit men theologiserend denkt.
Intussen kan de aangehaalde zinsnede aangaande de doordenking van de onfeilbaarheid van de openbaring Gods ons duidelijk maken, waar het in de grond der zaak op vast zit. Deze zinsnede raakt aan de verhouding van de Godsopenbaring en de Schrift, of, zoals men ook zegt, van Woord en Schrift. Die verhouding wordt in genoemde zinsnede uitgedrukt door de woorden : , , waarvan de Schrift de oorkonde is." Hierdoor wordt scheiding gemaakt tussen de Godsopenbaring en haar optekening, mededeling of teboekstelling.
Die scheiding vindt haar grond in overwegingen van deze aard: De Godsopenbaring is als zodanig wel onfeilbaar, want het is Gods werk. Doch wat haar mededeling, overlevering en teboekstelling aangaat, daarbij kunnen menselijke zwakheden, onnauwkeurigheden en fouten ingeslopen zijn. Conclusie: de , , oorkonde" is niet onfeilbaar, men kan dat althans zonder meer niet onderstellen en zou eigenlijk een vergelijking willen treffen tussen het openbaringsgebeuren, dat men stelt, en wat de Schrift daaromtrent meedeelt.
Geen mens ter wereld kan echter controleren, of de optekening met die Godsopenbaring overeenkomt. Immers, om die controle te kunnen uitvoeren, moest hij over een rechtstreekse weg tot kennis der Godsopenbaring kunnen beschikken en daarmede de Schrift vergelijken. Die beschikking is er niet, maar, als die er was, zou de Schrift volmaakt overbodig zijn.
Aangezien wij geen beschikking of macht hebben over een directe weg tot kennis der Godsopenbaring, zijn wij van Godswege op de Schrift als de enige weg tot kennis daarvan aangewezen, omdat het Gode behaagt door haar Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven. (Vgl. Calvijn Inst. I, VII, 1).
Het is bovendien een wonderlijke leer, die de openbaring Gods los maakt van haar overlevering en te boekstelling, alsof de leiding Gods niet ook daarover ging. Zij, die behoefte hebben aan zulke voorstellingen, hebben er klaarblijkelijk geen oog voor, dat de openbarende werkzaamheid Gods samenhangt met Zijn voornemen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te scheppen en derhalve mede de Schrift en haar werkingen in de mensheid, zowel in de kerk als in de wereld, omvat. Scheiding maken tussen de openbaring Gods en de Schrift is ontkenning van de leiding des Heiligen Geestes bij de overlevering en de teboe'kstelling van het geopenbaarde Woord. De Schrift wordt gezien als een menselijk gewrocht en als zodanig van goddelijk gezag beroofd. Zulk gezag kan men dan alleen laten gelden voor die overlevering, welke men conform acht aan de waarheid der openbaring. Doch, zoals gezegd, een directe kennis dier openbaring buiten de Schrift om, ontbreekt. Men heeft geen maatstaf dan zijn godsdienstig inzicht en gevoel.
Geenszins is het teveel gezegd, als men beweert, dat die zulke dingen leren, niet alleen eigen twijfel en ongeloof bewijzen, maar ook voor anderen de kennis der openbaring Gods onzeker maken, en de Schrift overleveren aan de willekeur der mensen, ja kerkroof plegen.
Niettemin kan men begrijpen, dat de mensen, die aan de kant van de z.g. meerderheid staan, altijd praten over de leiding van de Geest.
Daarin geven zij blijk van de behoefte aan een rechtstreekse maatstaf om de Schriftgegevens op hun blijvende en eeuwige waarde te toetsen. Tevens bewijzen zij daarmede, dat zij de Heilige Geest losmaken van de Schrift, deze als onfeilbare regel des geloofs verwerpen en zouden willen ontdoen "^ an haar goddelijke kracht en werking.
Ziedaar het bedroevende van zulke , , Schriftbeschouwingen". En het feit, dat de Synode een meerderheid gevonden heeft, die daaraan meedoet, is wel het meest bedroevende teken van kerkelijk verval, dat in het jaar 1958 werd gezien.
Daarmede heeft de hoogste vergadering van de Hervormde Kerk haar belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift verloochend. Inzonderheid wijzen wij op artt. III, V en VII der Ned. Geloofsbelijdenis.
Dat ook buitenlandse kerken zich aan zulk een verloochening schuldig maken, kan bezwaarlijk een reden zijn om daarin leiding des Geestes te zien. Daarentegen zij er op gewezen, dat, indien de Heere God niet over het bij geschrift stellen van zijn geopenbaarde Woord heeft gewaakt, zoals wij met art. III geloven en belijden, wij geen Heilige Schrift, geen goddelijk getuigenis, geen onfeilbare regel des geloofs hebben.
Indien wij echter getrouw blijven aan het geloof en de belijdenis der reformatoren, en de Schrift als Gods getuigenis omhelzen, dan zijn wij gehouden gehoorzaamheid te betrachten aan het geen daar staat geschreven.
Overigens houden wij ons er van overtuigd, dat iemand, die met de Schrift in aanraking is geweest, niet straffeloos vergeet, dat God over Zijn Woord waakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's