De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONZE PLAATS IN DE HERVORMDE KERK . . . NU*) 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE PLAATS IN DE HERVORMDE KERK . . . NU*) 1

10 minuten leestijd

I

Deze titel bevalt mij niet erg, omdat hij begint met het woord , , onze". Al mag de bedoeling duidelijk zijn, op het eerste gezicht geeft deze titel alleen maar aanleiding tot misverstanden. Immers het stelt de mens, onszelf direct in het middelpunt. Dat is wel naar onze natuur, maar niet naar de Schriftuur. De Heilige Schrift stelt immers God in het middelpunt.

Wanneer wij het over de Kerk hebben, dan hebben wij het over kuriakè, dat betekent: wat des Heren is. Wanneer er voor Hem plaats is, komen wij wel op onze plaats, wanneer er voor Hem geen plaats is, nemen wij in onze vroomheid of goddeloosheid de eerste plaats in en... is de Here een vreemdeling in Zijn eigen Huis.

Wat is de Kerk? Hoor wat de Kerk van zichzelf belijdt in artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: , , Wij geloven één enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze Kerk is geweest van het begin der wereld af en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld: hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk zich de Here gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Ook mede is deze heilige Kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld; nochtans tezamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht des geloofs".

In de Heidelberger Catechismus lezen wij op de vraag: Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk ? , , Dat de Zoon Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven."

Deze twee omschrijvingen — hoe onderling ook genuanceerd — geven een treffende weergave van wat de Bijbel ons leert over de Kerk. Onmiddellijk wordt het standpunt des geloofs ingenomen. Alleen voor en door het geloof wordt de Kerk op deze wijze beleden. De Kerk is een vergadering van alle ware Christgelovigen. Zij is een vergadering, niet een vereniging. Zij is er niet krachtens de beslissing van mensen, maar krachtens de verkiezing. Zij is geen corporatie van afzonderlijke wedergeborenen, maar een vergadering van mensen, die nader worden aangeduid. Het zijn mensen, die al hun zalig­heid verwachten in Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed en verzegeld door de Heilige Geest. Zij worden bijeen gehouden met hart en wil door één zelfde Geest, door de kracht des geloofs. De Kerk is dus de verwerkelijking van de verkiezing, waarbij Christus de gemeente vergadert door Zijn Woord en Geest.

Wanneer wij vragen, of Guido de Brés hier de onzichtbare of de zichtbare Kerk bedoelt, kunnen wij zeggen, dat hij hierop antwoorden zou: beide. In eigenlijke zin gaat het hier over de Kerk naar haar onzichtbare zijde, enigermate ook over de zichtbare Kerk. Zelfs is bij de reformatoren aan te wijzen, dat zij tegen de woorden zichtbaar en onzichtbaar bezwaren hadden, maar de zaak, die daarmee werd aangeduid, aanvaardden zij van harte.

Want de zaak, die door deze onder­scheiding aan het licht komt, komt niet uit de brein van mensen, maar uit de Heilige Schrift. Deze leert ons duidelijk dat de vergadering van de Christgelovigen, zoals wij die waarnemen, niet samenvalt met die, welke God waarneemt.

Wanneer wij verder in de Nederlandse geloofsbelijdenis lezen, dat de ware Kerk te kennen is aan de reine prediking van het Evangelie, de reine bediening van de Sacramenten en aan de kerkelijke tucht, zo deze gebruikt wordt om de zonden te bestraffen, dan komt deze Kerk nader voor ons te staan.

Wanneer wij nu samen gaan bezien de nadere aanduiding van de titel: Onze plaats in de Hervormde Kerk. ... nu, dan is het duidelijk, dat wij aan de vraag toekomen: Is de Hervormde Kerk in de zin van onze belijdenis, waarmee zij zegt in gemeenschap te leven?

Wij zullen het erover eens zijn, dat de Hervormde Kerk is aan te spreken op wat zij belijdt aangaande de Kerk en wij vergeten niet, dat wij het dan mede over onszelf hebben als leden van die Kerk. Artikel 10 van de Kerkorde zegt ons, dat de Kerk weert wat haar belijden weerspreekt. Tot dat belijden behoort zeker de Nederlandse Geloofsbeiijdenis.

Er is een tijd geweest, dat er in de Gereformeerde Gezindheid in de Hervormde Kerk, nog gezegd kon worden, dat de Hervormde Gemeenten in ons vaderland hoe ook in verval, hoe ook gedeformeerd, hoe ook door dwaalleer aangetast — openbaringen waren van het Lichaam van Christus, krachtens het Verbond der Genade, waarvan alle leden in die plaatsen het teken en zegel op hun voorhoofd droegen. Met andere woorden: men hield idealiter aan het gemeente-zijn van de Here Jezus Christns vast, ook al was de gedaante van de Here Jezus in die gemeente voor het geloof zeer zwak aanwezig. Voor ongeveer dertig jaren werd dit nog uitgesproken.

Nu leven wij in 1958. Durven wij dat nog met dezelfde vrijmoedigheid te zeggen? De aarzeling is groter geworden, omdat de versterving en verstening niet is gestuit, maar met rasse schreden is voortgegaan.

Wanneer wij waarnemen, dat verschillende gemeenten van deze Hervormde Kerk niet meer in staat zijn de geregelde voortgang van de dienst des Woords en der Sacramenten te onderhouden, eenvoudig omdat de belangstelling daarvoor ontbreekt; bedenken, dat de Hervormde Kerk volkskerk af is; bedenken, dat er plaatsen zijn, waarin de gemeente weg is, waar ook geen huisgemeenten of evangelisaties of conventikels meer zijn en de Kerk dus weg is; wanneer wij voor ogen zien, dat de teruggang van de Hervormde Kerk niet in kracht afneemt, maar eerder toeneemt; wanneer wij bedenken, dat gehele streken door het Modernisme verwoest zijn en andere streken volledig aan het versterven zijn, zelfs naar haar zichtbare zijde, wordt deze aarzeling steeds groter.

Wanneer wij verder bedenken, met smart bedenken, dat de Kerk was toegezegd dat de reglementenbundel voortaan zou verdwijnen onder het Woord en sinds de invoering van de nieuwe Kerkorde daarvan weinig is openbaar gekomen, maar wel is openbaar gekomen, dat de Kerk in haar hoogste vergadering een- en andermaal getoond heeft uit een ander geloof te leven dan het geloof, dat aan het woord is in de Geloofsbelijdenis, waar de volledige autoriteit van het Woord Gods onvoorwaardelijk wordt beieden, dan wordt deze aarzeling nog steeds groter.

Daarom is de vraag gewettigd: Is de Hervormde Kerk nog Kerk van Christus? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo neen, is het dan geen tijd, dat wij deze Kerk gaan verlaten?

Met deze vraag zitten wij in het hart van de kwestie. Deze vraag beroert ons geslacht, onze tijd, maar heeft ook de voorgeslachten beziggehouden. Daarmee bedoel ik allen, die tijdens en na de Afscheiding en Doleantie zich rekenschap hebben gegeven van hun Hervormid zijn en blijven, juist tegenover hen, die zijn heengegaan. Waarom zijn zij gebleven? Was hun blijven legitiem of was dit te wijten aan slapheid, sleur, de weg van de minste weerstand, enz.? Dat al deze motieven bij sommigen hebben meegespeeld en nog meespelen, valt niet te ontkennen. Maar daarmee is de zaak niet ten diepste gepeild. Want op de beschuldiging van de zijde van Afgescheidenen en Dolerenden, dat zij ontrouw waren, zo zij de banden niet verbroken met het , , Synodale Genootschap", hebben zij immer geantwoord, dat de grondfout van de waardering der Hervormde Kerk bij de Afgescheidenen enz. was, dat zij geen onderscheid maakten tussen het wezen der Keric naar art. 27 N.G.B, en de Synodale stolp, die daar wederrechtelijk was opgedrongen. Zij die bleven, hebben deze Synodale stolp al zuchtend en biddend als een oordeel Gods verdragen in de hoop, dat de tijd zou komen, waarin als door een wonder Gods, de Kerk zou worden uitgeleid uit een slavernij van de Reglementenbundel. De Gereformeerden in de Hervormde Kerk hebben steeds gewankeld tussen enerzijds een op hoop tegen hoop vasthouden aan het geheel van de Hervormde Kerk en anderzijds een aanvaarden van het eeuwenlang gegroeide en vergroeide en een accepteren van een Modus Vivendi in de een of andere gedaante.

Steeds is er een Gereformeerd volk binnen de Hervormde Kerk gebleven, dat op hoop tegen hoop naar reformatie en reorganisatie uitzag. En op grond van de onderscheiding tussen het wezen van de Kerk zoals die uit de Belijdenis der Kerk oplicht èn de Synodale stolp, die mede de ontbinding der Kerk in de hand gewerkt heeft, zijn de Hervormd Gereformeerden gebleven. Al de pijn en lidtekenen van de scheiding van broeders enerzijds en de smart over de verwatering en de verwildering van het kerkelijk leven anderzijids, ligt in het midden van dit volk. Beladen met eigen schuld en de sdhuld van de voorgeslachten, is het gebleven. Zij en wij hebben geweigerd de gelijkstelling van het „Hervormd Genootschap" en de Kerk, zoals zij voor het geloof in de Belijdenis verschijnt, te aanvaarden.

Intussen mag de vraag worden gesteld, of dat Gereformeerde volk zelf vrij is gebleven van de gevolgen van de ontbinding van het kerkelijk leven. Hoe zou dat kunnen? Draagt het niet éénzelfde teken van Gods genadeverbond als de anderen, die het niet als broeders in Christus kan aanvaarden, omdat en voorzover zij de levende uitdrukking van het geloof niet aanvaardden? Is dat Gereformeerde volk ook zelf niet op allerlei wijzen aangetast door de ziekten van de Kerk?

De vraag mag en moet worden gesteld, of het wel alles heeft gedaan om levende tekenen van protest op te stellen tegen alle verlating van het Woord Gods? De vraag dient te worden gesteld of die geloofskracht en - moed in onze vaderen was en in ons is, waardoor het blijven in de Hervormde Kerk niet betekende zich immer neerleggen bij verdere verzwakking van het reformatorische belijden? Hier mag wel een diepgaand zelfonderzoek plaats vinden! Want het , , wij en onze vaderen hebben gezondigd", moet zeer concreet worden. wil het niet in de vaagheid van de stichtelijkheid en de onoprechtheid verdwijnen.

Waarin zondigen wij? Hierin, dat het vlammend protest en de diepe verontwaardiging tegen allerlei bediening van het Woord vaak in moedeloosheid verstomde. Hierin, dat wij allerlei kerkelijke handelingen verrichten, die wij met een verontruste consciëntie doen, maar waarin de nood ons niet neerbuigt voor de grote en geduchte God der legerscharen. Hierin, dat de prediking niet genoegzaam doorademd is met de Heilige Geest en wij niet genoegzaam geworsteld hebben om de volmacht van de Christus Zelf. Doet deze prediking het bloed van Christus druipen op de scharen? Ons zijn en blijven in de Kerk was en is nog vaak niet een zaak van leven en dood, maar van een overnemen van traditionele argumenten, die niet geladen waren en zijn met de kracht van het Woord Gods. Sussen wij onszelf vaak niet in slaap met te zeggen, dat het een geesteloze tijd is en dat er maar weinig uitverkorenen zijn?

Inderdaad is de geschiedenis van ons blijven een geschiedenis van zonde en schuld, van vlekken en smetten, waarvoor maar één middel is, nl. schuldbelijdenis en verzoening door het bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zonden. Dan zal er ook bekering en opwaking zijn. De geschiedenis van de Gereformeerde Bond en de Mannenbond is een geschiedenis van velerlei gebrek en zonde!

Maar dit houdt niet in, dat ons blijven in de Hervormde Kerk zelf zonde was en is. Was dat het geval, dan was uw jubileum zonder meer veroordeeld.

(Wordt vervolgd)


*) Uitgesproken op de Lustrum-bondsdag van de bond van Ned. Herv. Mannenverenigingen op G. G. op 15 november 1958.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONZE PLAATS IN DE HERVORMDE KERK . . . NU*) 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's