De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE 10

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE 10

7 minuten leestijd

(10)

L. G. BRUIJN, Em. pred.

In het Schatboek van Ursinus, (over de Heid. Cat.) wordt op de bewering, dat de beelden o.a. zouden dienen tot versiering der kerk, geantwoord: , , De waarachtige versiering der Kerken is de reine Leer en verkondiging des Evangelies, het wettig gebruik der Sacramenten, en de ware aanroeping en dienst van God, overeenkomende met Zijn Woord". Daarom heeft een protestant ook zo weinig belangstelling in de structuur van een kerkgebouw. Door de nood der tijden geldreven kon men ook wel vergaderen in lokaal of schuur, als het ging om , , de reine Leer en verkondiging des Evangelies". En de hagepreken in de openlucht gaven in hoogste instantie getuigenis aan Salomo's gebed: , , Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb" (2 Kron. 6 : 18); door Stefanus weergegeven in Hand. 7 : 48: „Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen, met handen gemaakt".

Dat neemt niet weg, dat daar reeds van ouds waren huizen, waarin de gemeente samenkwam, waarop reeds in het N.T. gedoeld wordt; en dat er allengs, bij de uitbreiding der gemeenten, gebouwen ontstonden, voor de dienst des Heren; van eind 2e eeuw in basiliekstijl (een langwerpige zaal met zuilengangen), sinds de 9e eeuw overgaande in romaansche stijl (vorm van het Latijnse kruis, dus met verlengd middenschip en een verhoogd koor), sedert de 12e eeuw in gotische stijl (vooral spits- en luchtbogen). De 15e eeuw bracht nog een z.g. renaissance-stijl (tongewelf en koepel op het kruispunt  (1).

Wij verstaan, dat deze stijl-overgangen in verband stonden met geloof en theologie van het Christendom in een bepaalde periode. En dat was al spoedig een nedergang. Want ons wordt bericht: „toen de kerken werden van goud, waren de leraars van hout." (Wellicht is daarvóór het omgekeerde waar geweest.)

Vanaf de romaanse stijl zien wij al, dat het mis gegaan is door de , , mis" en de instelling van het kerkkoor; vandaar het verlengd middenschip en verhoogd koor.

Evenzeer kunnen wij weten, dat de Reformatie het hek, dat de altaarruimte afzonderde van het schip der kerk, voorgoed heeft gesloten: altaar en priester zijn nl. verdwenen, het volk is niet langer toeschouwer van onbegrijpelijke handelingen, maar wordt in zijn geheel betrokken in de verkondiging van het Woord des levens. Zo wijst nu dr. Lekkerkerker er op, dat bij kerkbouw onze Gereformeerde vaderen de z.g, centraalbouw kozen en niet de gestrekte (de lange gang naar koor en altaar). Als centraalbouw gelden de Nieuwe Kerk in Den Haag, de Noorderkerk te Amsterdam, de Marekerk te Leiden (2). Men gaf daarbij uiting aan het feit, dat de kerk een Kerk des Woords is, en kon daarom de mensen opwekken, om , , inzonderheid op de Sabbath, dat is op de rustdag (daar) tot de Gemeente Gods naarstiglijk te komen, om Gods Woord te horen; de Sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen en de armen christelijke handreiking te doen" (zondag 38 Heid. Cat.). Wij lezen dan in diezelfde vraag 103: God gebiedt, , , Eerstelijk, dat de kerkedienst of het predikambt, en de scholen onderhouden worden". Kerkedienst, of wilt ge eredienst, is in der vaderen schatting even hetzelfde als predikdienst (ambt). Hier krijgt aanstonds de prediking haar centrale plaats in de kerkdienst, en dus ook in het kerkgebouw.

Houden wij dit voor ogen, dan gaat ons tevens een licht op inzake liturgistisch en aanverwant drijven bij restauratie en nieuwbouw van kerken, waardoor men sacramentstheologische principes en romaniserende tendenzen tot geldigheid en , , burgerrecht" zoekt te brengen. Na de laatste oorlog bleken zeer vele kerkgebouwen verwoest of sterk beschadigd en hebben Kerk en Rijk zich moeten inspannen, om tot herstelling en nieuwbouw te komen. Hier past dankbare erkenning, voor wat adopterende gemeenten voor noodlijdende broedergemeenten gedaan hebben en in 't algemeen voor allerlei andere hulp, met raad en daad. De kerk liet zich niet onbetuigd met haar aanstonds ingestelde Bouw- en Restauratiecommissie, die veel goeds heeft tot stand gebracht. Wij weten dit ook uit ervaring. In diverse besprekingen kwam dan dikwijls de vraag naar voren : hoe zal een protestantse kerk er uit zien? En dan lieten meermalen liturgische gedachten zich gelden: een vaste avondmaalstafel moest er komen, in het koor, dat voor liturgisch centrum zal dienen. Men ging op eigen gelegenheid beslissen over de plaats, die kansel, doopvont en avondmaalstafel moesten innemen, al werd hier en daar ook bezwaar gemaakt door kerkvoogdij en gemeente, als een predikant met nieuwigheden kwam.

Een en ander wijst er op, dat kerkrestauratie en kerkenbouw samenhangt met vragen rondom de eredienst, uiteindelijk met geloof en belijdenis. En wat dit laatste betreft, geldt het de al of niet gereformeerde opvatting van de verhouding van Woord en Sacrament. De Liturgische Kring gaf als beginselverklaring de volgende stelling af: , , Wij getuigen, dat de prediking des Woords niets vermag boven de bediening van het Sacrament, noch ook de Sacramentsbediening boven de Woordprediking". Wij hebben reeds gezien, dat, bij deze theoretische gelijkstelling van Woord en Sacrament (op zich zelf al een ketterij) behoort de praktische bovenstelling van het Sacrament, waardoor de prediking gedegradeerd wordt tot een soort cathechese; daarom de preekstoel in de hoek.

Hiertegenover staat nu de sacramentsleer der vaderen, Z.d. 25-31 en Ned. Gel. Bel. Art. 33-35; terwijl het Formulier om te bevestigen de die­naren des Woords ons nog het volgende verzekert: , , Nu is de weide, waarmede deze schapen worden geweid, niet anders dan de verkondiging des Goddelijken Woords, met de aanklevende (wij cursiveren, Br.) bediening der gebeden en der Heilige Sacramenten". Dat de bediening der sacramenten , , kleeft aan" die des Woords, frappeert ieder, die bij de restauratie of nieuwbouw van een kerk gedwongen is na te denken over de plaats van preekstoel en avondmaalstafel (3).

Nu heeft de Gen. Synode dan ook aanleiding gevonden, om tegenover allerlei liefhebberij en vrijbuiterij leiding te geven, in de op 9 juni 1947 gegeven , , Aanwijzingen voor gemeenten en bouwmeesters, ten gebruike bij het ontwerpen en bouwen of restaureren en inrichten van Ned. Herv. kerkgebouwen". Dat is een hele mond vol. Maar het gaat dan ook over belangrijke zaken, waarbij soms heel wat personen betrokken zijn; en zowel bij inrichting als bouw zijn vaak geslachten betrokken, zodat misgrepen moeten voorkomen worden. In de Kerkorde is dan ook verder opzicht en toestemming in deze geregeld. Uit art. 4 Ordinantie voor de predik- en eredienst blijkt, dat over bouwplan, inrichting en kerkmeubelen, de beslissing berust bij de kerkeraad, behoudens dan goedkeuring door de Commissie voor bouw- en restauratiewerken. Een goede bepaling, want de kerkeraad vertegenwoordigt de belanghebbende gemeente. Er staat in genoemd artikel nog een gewichtige clausule; deze: , , een en ander niet strijdig met de grondgedachten der Reformatie". Hierover zou geen verschil behoeven te bestaan, als we niet in de Herv. Kerk waren. Het liturgisch streven is immers met kerk en inrichting achter de Reformatie teruggegaan, evenals met zijn theologie. En bovendien weten we nu al, na luttel aantal jaren, hoezeer kernachtige uitdrukkingen, als (Art. X Kerkorde): „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen", en: , , De Kerk weert, wat haar belijden weerspreekt", voor verschillende uitleg vatbaar blijken, en tot wéinig-zeggend worden vervluchtigd.

Toch verdienen de door de Gen. Synode gegeven , , Aanwijzingen" erkentelijkheid; het zijn er 6. In de eerste staat, dat men, (al weer, Br.) staande op de bodem der belijdenisgeschriften en in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, voorlichting wenst te verschaffen. Minder juist wordt in II  gezegd, dat het kerkgebouw een „teken" behoort te wezen van de , , enige katholieke of algemene kerk (art. 27 Ned. G.B.). „De enige en katholieke kerk kan men alleen maar geloven, men kan er geen teken van of voor oprichten in deze wereld". , , Principieel kent de Protestant slechts twee tekenen, doop en avondmaal" 4). Maar van meer belang zijn de aanwijzingen III en V.


1) Zie Bijb. Kerk. Woordenboek, De Kerk, dr. W. J. Aalders, blz. 160.

2) De Reformatie in de Crisis, 1949, blz. 65, 66.

3) aw., blz. 61.

4) a.w., blz. 62, 63.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE 10

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's