Meditatie
En dit is het oordeel dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hunne werken waren boos. Johannes 3 vers 19.
Wanneer ge deze meditatie leest, is het al weer enige dagen geleden, dat het Kerstfeest gevierd werd. De tijd gaat snel. En snel vervagen Kerststemmingen en snel vervaagt Oudejaarsavond-weemoed .... Een zucht werd geslaakt, een traan weggepinkt, en voort ging het weer in versneld tempo .... Het leven vraagt ook zoveel. Tijd tot bezinning is er niet. En ook na de vierdagen gaat het leven weer voort zijn alledaagse gang. Heeft dan de prediking van Kerstmis en jaarwisseling u niets , , gedaan"? Zijt ge innerlijk dezelfde gebleven? Deed het woord der prediking u geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in u, die de boodschap horen mocht? Ja, hebt ge jaar in jaar uit alrede naar de verkondiging van Gods Woord geluisterd, maar wekte het gehoor geen geloof? Dan zal de prediking u een reuke des doods ten dode zijn, u niet ten voordeel, maar ten oordeel strekken. Want dan zijt ge, ook al stemt ge de waarheid toe, nog een kind der duisternisen des; nachts en niet des lichts en des dags. Slechts hartvernieuwende genade leert ons het licht jubelend begroetten, anders haten, schuwen we het licht, omdat het onze boze werken openbaart.
Moge de Heilige Geest ons de vraag op het hart binden: ben ik, trots mijn uitwendige vroomheid, mijn bidden, mijn kerkgaan, nog een kind des nachts, of werd ik in waarheid uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht getrokken? Het licht is gekomen. Dat is de korte inhoud van de Kerstprediking de somma van het ganse Evangelie. Deze prediking wordt u elk jaar, elke zondag gebracht. Deze waarheid belijdt ge, beaamt ge. Voor de zuiverheid van het Woord strijdt ge. Dat licht heeft geschenen over de paden des levens, die gij bewandelen moest. Heeft het ook geschenen in uw hart? Heeft het de zwarte schaduw van zonde en dood verdreven? Uiterst gewichtige vraag, die we onszelf en elkander nooit genoeg kunnen stellen. Want wees hiervan toch verzekerd, dat wij allen zonder onderscheid, van nature het licht haten en de duisternis minnen. Ook al komen we in de kerk en behoren we tot de strijders voor een zuivere belijdenis. Een schone beschouwing over het gekomen licht horen we gaarne. We vinden het belangrijk na te gaan, hoe Christus inderdaad de vervulling is van de beloften Gods. Jesaja sprak van een in duisternis en schaduw des doods gezeten volk, dat een groot licht zou zien. Hij maande: maak u op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Maleachi ziet in de geest de Zon der gerechtigheid reeds opgaan en Zacharias zingt van de innerlijke bewegingen onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte. En wil Simeon niet heengaan, omdat hij gezien heeft het licht tot verlichting der heidenen? Al deze Schriftplaatsen zijn in Christus vervuld. Zelf noemde Hij zich het Licht der wereld. Die Mij volgt, zal in de duisternis niét wandelen, maar zal het licht des levens hebben. Hij is Hèt Licht. Hij vraagt voor zich de centrale plaats, zoals de zon het middelpunt is van het heelal. Zolang het nu maar blijft bij een voorwerpelijke beschouwing, zwijgt de stem van afkeer en haat; weten we soms zelfs vriendelijke dingen aan het adres van het licht te zeggen. Maar o wee, indien door dat licht onze eigen ongerechtighedten worden ontdekt en geopenbaard! Dan blijkt de waarheid van de tekst, dat de mens de duisternis liefheeft en het licht haat, zowel de vriendelijke onchristelijke mens als de onherboren , , christelijke" mens.
Het licht is gekomten. Maar het licht is versmaad.
Dat wonder-rijke geschenk van Gods alvermogen, het dierbare Kind vajn Bethlehem, dat stof van vreugd voor de ganse aarde moet zijn, is gehaat, verworpen. De wijngaardeniers hebben de boden smaadheid aangedaan en de eniggeboren Zoon gedood. Het verkoren volk heeft de profeten, die van het licht getuigden, gestenigd en Hem, Die het licht was, gekruisigd. Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Geen plaats was er voor de Christus Gods in de herberg, geen plaats in het hart van Farizeërs en Schriftgeleerden, van stadgenoten en tijdgenoten, maar óók niet van u, noch van mij', tenzij wij door de geest Gods wederom geboren worden, tenzij de duisternis van ons hart door het licht wordt beschenen. Wij' hebben de duisternis lief en haten het licht, want onze werken zijn van nature boos. Het zijn sombere kleuren, waarmede de Here Jezus, het hart van de mens tekent. Het is arglistig, onstandvastig, on dankbaar, onrein, duister, en de duisternis haat het licht, omdat het opgaan van het licht de dood van de duisternis is.
We zijn bang voor het licht. Het doet pijn aan de ogen. Het licht laat ons onze armoede, naaktheid, gruwelijkheid zien. Het Licht zegt tot ons: geveinsden, dwazen, blinden, adderengebroedsel. En toch kunnen we het licht niet missen. Het heeft heilzame, genezende werking. De hoogtezon doodt ziektekiemen. Jezus is het Licht, de grote Medicijnmeester. O, waarom heben we de dood meer lief dan het leven; volgen we liever dwaallichten, die ten ondergang voeren, dan het Licht des levens? Mocht Gods Geest ons voor het eerst of bij vernieuwing doen verstaan, dat al ons zwoegen, slaven, strijden, buiten en zonder dat licht, de dood is, en waar, echt, geestelijk leven wekken. Mocht dat licht het dan ook meer en meer winnen gaan van de duisternis in ons hart, in ons gezin, op kerkelijk en maatschappelijk gebied.
Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, maar de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Het is niet onverschillig, welke onze verhouding is ten opzichte van het licht. Christus is niet een voorwerp van beschouwing, zomin Zijn werk dit is, maar van aanbidding. Ik bedoel: het is niet betrekkelijk onverschillig, hoe wij over Hem denken, zoals het betrekkelijk onverschillig is hoe wij over één of meerdere van de vele lichten, die geschenen hebben, denkers, dichters, staatslieden, uitvinders, denken. Dit is het oordeel. Dit is het beslissende. Hier komt het op aan. Dit is de crisis. Dit is de beslissende wending der zaak. Onze verhouding tegenover het licht beslist.
Bedenk toch steeds: tegenover Christus kan en mag geen sterveling neutraal staan. Het is altijd: vóór of tegen. Dit is het oordeel. Ja, inderdaad, zo staat het er in het oorspronkelijke: dit is de crisis. In bepaalde omstandigheden kennen wij dit woord allen.
Als de crisis gekomen is, kan het de goede, kan het ook de kwade kant opgaan. Het is één van béide. Het is van tweeën één. Het licht oordeelt; Christus oordeelt. Het licht brengt aan de dag of we geloof of geen geloof hebben. Geen napraat-, dood-, historisch geloof, maar levend, echt, zaligmakend geloof. En lees nu eens de verzen 18 en 36 van ons teksthoofdstuk. Wie niet gelooft, is alrede veroordeeld; alreeds rust Gods toorn op de ongelovige. De mens gaat niet verloren, maar is verloren. Ontzettende gedachte! Veroordeeld, met 't merkteken van de veroordeelde gebrandmerkt, wachtend op de voltrekking van het vonnis.... tenzij gratie wordt geschonken. Gode zij dank, nog is crisistijd. Christustijd. Hoe lang nog? We weten het niet. We weten alléén, dat de Here thans nog tot bekering laat manen en de stralen van Zijn genadelicht nog niet onderschept zijn, o, dat ge u mocht laten bestralen en het Licht der Lichten mocht leren aanbidden! In dat licht zien we het licht. Zijn licht doet, klaarder dan de zon, ons 't heuglijk licht aanschouwen. In dat licht ziet ge de levensmoeilijkheden, de leidingen, de kastijdingen, zo pijnlijk vaak, anders. Voor dat licht moet de nacht van twijfel en bekommernis wijken.
Het licht is gekomen. Belijdt ge 't niét slechts, maar hebt gij de pijnlijke en genezende werking van het licht ervaren? Is de Kerstprediking u méér geweest dan een klank, en zijt gij, vijand van het licht, een liefhebber en aanbidder geworden? Gekomen tot het licht, door de genade des Heren, zullen uw werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. En de werken des lichts mogen u een kenmerk zijn hiervan, dat ge vrijgesproken zijt van de schuld en straf der zonde, dat het oordeel u niet treffen zal, daar uw Borg volkomen betaald heeft. Hij is uit de angst en het gericht weggenomen en wie zal zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
Om de wille van de Borg vrijgesproken in het gericht! Diepzinnige, rijke Evangelieprediking. O, wonder van, vrije en souvereine genade!
Het licht is gekomen. Eerst werd het door u, bekeerde zondaar, trots uw vroom opgaan onder de Kerstprediking, geminacht, sterker, vooral, toen een enkele straal uw hart ging treffen, gehaat. Maar ge hebt dat gehate en versmade licht, dat uw ongerechtigheden openbaarde, leren aanbidden en lief krijgen, oimdat het tevens genezende werking bleek te bezitten en met dat licht ook vreugde en vrede uw hart binnentrok en voor het licht beklemming, angst, benauwdheid, moesten wijken. En nu moge het soms schemer worden, soms zelfs een ogenblik de duisternis heersend schijnen, wees er van verzekerd, wanneer de zon eenmaal is opgegaan, moet de nacht wijken en geen satan, vlees of wereld, zullen de eens verlichten buiten de lichtstad daarboven kunnen houden, die stad, die geen zon of maan behoeft, dat die in haar zouden schijnen, omdat de Here God haar verlicht en het Lam haar kaars is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's