De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

HOOFDSTUK II, ARTIKEL 6. Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren noch in Christus geloven, maar [in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, 'maar [door hun eigen schuld.

Dit keer willen we de laatste vijf woorden onder de loupe nemen. In verband met de uitverkiezing wordt nogal eens gezegd, dat God de schuld is van de ondergang van de zondaar. Dit hebben onze vaderen altijd sterk bestreden. Misschien moest ik met de constatering hiervan volstaan, want het overige dat hier te doen valt is, dat de H. Geest ons komt bearbeiden.

Immers nooit wordt iemand schuldig voor God, tenzij Hij door Gods Geest overtuigd wordt van zonde. Daar moet aan elk mens een wonder gebeuren. Van nature zijn we dood voor God en zondigen wij ons dood tegen God! Men kan het allebei zeggen: We zijn van nature geestelijk dood en zondigen ons in de eeuwige dood. Hoe staat het nu verder met deze mens, die dood is voor God? Hij is levend voor de zonde. De zonde is ons aller lust en leven. De Here Jezus zei: dat alle mensen boos zijn. (Luc. 11 : 13). Uit hun hart komen allerlei gruwelen voort. (Marcus 7) Tot deze mensen komt de roepstem van het Evangelie. Dit betekent, dat hen wordt toegeroepen, dat zij op een doolweg zijn. De Here Jezus begon immers te prediken: bekeert u. Letterlijk genomen betekent dat: sla een andere weg in. Keer om. Wat betekent deze bekering in de practijk van de vroomheid? Dat wij ons voor God vernederen, onze schuld erkennen en als smekelingen voor Zijn genadetroon komen. Niemand van hen, die het Evangelie hoort, denkt hier ook maar aan, tenzij er een wonder gebeurt.

Waarom denkt niemand er aan? Omdat de zondaar het niet gelooft en niet geloven wil, dat hij op weg is naar een eeuwig verderf, omdat hij dood is voor de dood. Zo gaat het toe in de bekering des mensen. God roept allen, die onder de bediening zijn. Hij waarschuwt hen voor het verderf. Hij nodigt hen tot de zaligheid. Hij toont hen, dat Jezus Christus de weg is. De mens hoort het, hij bespreekt het, hij wordt misschien ouderling of dominee, maar tot een rechte bekering en tot het echte geloof komt het niet. Zo kan het gaan. Waarom keert hij niet om? Omdat men er geen lust in heeft de zonde en de wereld te verlaten. Zou de mens zonde en wereld kunnen verlaten? Neen, hij kan niet. Doch waarom kan hij niet? omdat zijn hart hangt aan alles, wat verkeerd is. Ten eerste wil hij niet erkennen, dat het er zo droevig met hem voorstaat, dat er een wonder aan hem gebeuren moet, wil hij ooit zalig worden. Men moet er maar eens even aan denken, hoeveel dominees, er zijn, die preken, dat er met een mens niets hoeft te gebeuren. Zoals hij is kan hij Christus wel aannemen.

Ten tweede wil hij niet de enge poort door en met Christus leven. Daarom sprak de Here Jezus: Ik heb u willen bij een vergaderen, maar gij hebt niet gewild.

Wat is de mens tot wie het Evangelie komt met zijn eis van bekering van nature? Dat staat in Romeinen 8:7: , , Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet." Hier hebben we zowel de onmacht als de onwil. Het wezen van de mens is gewilde vijandschap. Hij kan niet anders. Als er geen wonder aan deze mens gebeurt, houdt hij aan zijn vijandschap vast. Dit klinkt menig godsdienstig mens vreemd in de oren. Zij hebben immers daarvan bij zichzelf nooit wat gemerkt. Hoe vreemd zou de Parizeer uit de gelijkenis van Lucas 18 hébben opgekeken als iemand hem had gezegd: Gij zijt een vijand van God en Zijn dienst. Als er tegenwoordig een dominee reformatorisch preekt over de mens en over het geloof, zegt soms een ouderling: deze dominee mag hier nooit meer komen, als ik er wat aan doen kan: hij neemt mij mijn geloof af. Een mens van nature, die in de wereld leeft of zijn grond in zijn godsdienst heeft, weet niet hoe ellendig, vijandig, jammerlijk en naakt hij is (Openb. 3). En wat hij is, is hij gaarne. Daar is hij het mee eens. Als wij het niet met de zonde innerlijk eens waren, deden wij ze niet.

Inderdaad is er een verweer dikwijls. Maar de zonde is toch sterker bij allen, want er is niemand, die niet zondigt en niet elke dag de schuld meerder maakt. In het diepst van ons wezen hebben wij de zonde lief en is ons bedenken vijandschap tegen God. In de grond is het zo, dat de mens niet alleen zonde doet, doch zonde is. Hij is vijandschap. Wat iemand moedwillig en vrijwillig doet is zijn schuld. Ik ga hier met niemand over twisten. Ik geloof niet, dat een mens van nature zich zelf verstaat. Het is de H. Geest die overtuigt van zonde. Wij leren onze ellende uit de Wet Gods kennen, doch alleen door de H. Geest. En dan leert de zondaar zicht schuldig kennen. Een natuurlijk mens is geneigd om God de schuld te geven. Adam begon hier al mee. Hij sprak over de vrouw, die God hem gegeven had. Anderen spreken over de genade der verkiezing of der bekering, die God hem onthouden heeft. Gods doen of laten is echter nooit de oorzaak van onze ondergang. God is nooit de auteur der zonde. En ook het voorbijgaan in de uitverkiezing is nooit de oorzaak van iemands ongeloof. Ongeloof is neen-zeggen tegen God. De Here Jezus noemde het: Gij hebt niet gewild. Ongeloof was bij de mannen en vrouwen der eerste wereld tot wie Noach predikte. Zij zijn niet door het geloof bevreesd geworden. Maar dat ongeloof was vrucht van hun eigen akker. Dat heeft God niet bewerkt. Ik zei al: de natuurlijke mens is geneigd om God de schuld te geven.

Maar als de H. Geest in het hart begint te werken, gaat de zondaar zien, dat hij een overtreder van Gods geboden is en vervreemd van God en Christus. Hij merkt deze vervreemding aan als geworteld in zijn eigen hart. Het is de vijandschap tegen God, het is zijn harde hart. Daarom rechtvaardigt hij God, indien deze het doodvonnis tegen hem zou uitspreken. Hij verklaart alle genade verbeurd te hebben en de verdoemenis verdiend te hebben. Nu kan men hier aanvoeren, dat de mens immers geheel machteloos is en een verlamde gelijk in geestelijk opzicht. Ja maar, wat is de oorzaak van deze verlamming? Dat is zijn lust om kwaad te doen en zijn liefde tot het eigen ik. Hij is verhard tegen God en daarom machteloos om de geboden te doen, omdat hij in zijn hart een beeld voor zichzelf heeft opgericht. De mens is immers in het paradijs zichzelf toegevallen. Als nu Gods Geest de zondaar ontdekt, wordt zijn onmacht hem tot schuld en hij bevindt zich daardoor des te verdoemelijker voor God. Naarmate hij meer in zijn onmacht ingeleid wordt, vermeerdert de rechte ernst. Dit brengt hem van eigen krachten en van zichzelf af en doet hem des te sterker roepen: Here Jezus, gij Zone Davids, ontferm U mijner.

Als iemand in het water ligt en aan 't zinken is, rust hij daar niet op, dat hij zichzelf niet redden kan, maar verzwaart dat zijn ellende en zijn gevaar en daarom roept hij te sterker. Maar goed, laat nu alles zijn schuld wezen, doch stuit tenslotte alles niet hierop af, dat voor sommigen de offerande van Christus onvoldoende is? Neen, zegt artikel 6, als ge zo de uitverkiezing en het lijden en sterven van Christus alleen voor de uitverkorenen wilt hanteren, wijzen wij dat met beslistheid af. Dat iemand verloren gaat ligt nimmer aan de ongenoegzaamheid van de offerande van Christus. Door deze offerande zou ieder kind van Adam zalig kunnen worden. Zij is meer dan genoegzaam voor de zonden der gehele wereld.

Ja maar, als nu God deze offerande alleen voor de uitverkorenen heeft bestemd? Daar hoeft niemand zich door te laten afschrikken. Wij hebben op dit punt niets te maken met de uitverkiezing of met Gods verborgen Raad, Wij hebben op dit punt alleen te maken met Zijn geopenbaarde wil. En deze is dat wij in Jezus Christus geloven: , , en dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam van Zijn Zoon Jezus Christus".

Dus als er een arme tobberd is, een verslagene van hart, die voor Gods Woord beeft, dan moet hij niet zeggen, dat het alleen voor de uitverkorenen is alsof dat aan zijn zaligheid in de weg zou kunnen staan. De Schrift zegt in zo'n verband, dat het voor de verlorenen is. Er is geen enkele rede om anders te spreken dan God in Zijn Woord spreekt. Aan de armen en verlorenen moet niet de uitverkiezing verkondigd worden, maar het Evangelie.

Maar iemand kan toch niet uit zichzelf in Christus geloven, dat moet hem toch gegeven worden? Volkomen juist, doch dat betekent, dat er om gebeden mag worden, , , A1 wat u ontbreekt, schenk Ik zo gij 't smeekt". Heeft iemand echter geen behoefte aan de Christus en het geloof in Hem, dan blijft hij voortleven in ongeloof. Maar ook dat is een vrucht van eigen akker. Hij negeert de Heiland en Borg. Hij erkent niet de grote noodzakeilijkheid van Hem. Hij boeleert met vele boeleerders, doch zoekt niet de Here, die alleen God is. Zo gaat hij door eigen schuld verloren. Helaas doen velen zo. God roept allen die onder de bediening van het Evangelie zijn, doch velen slaan daar geen acht op. Daar doet de Here menigmaal nog veel dingen bij. Menigeen heeft een tijd in zijn leven, dat hij echt gevoelig is voor het Evangelie. Doch dat gaat weer over. Anderen houden dit langer. Zij krijgen enige bevatting van hun rampzalige staat, schrik voor de toorn Gods, kennis van de noodzakelijkheid van Christus en de verborgenheden des geloofs. Voorts kunnen er mensen zijn, die zeer begeren om een kind Gods te zijn en die pogingen doen om zich te bekeren: zij lezen veel in de H. Schrift en in goede boeken daarop gegrond. Zij bidden anders dan vroeger. En toch loopt het soms op niets uit. Zij vergaan in ongeloof. De genietingen der wereld houden of krijgen de overhand en het goede zaad verstikt. Men kan niet zeggen, dat God de schuld is van deze terugval. Integendeel, het is door de bewerkingen van de H. Geest, dat zij zo werkzaam zijn. Maar hun eigen boze hart leidt hen weer terug. Daarentegen is het van Gods volhardende en bijzondere werking des Geestes, dat er zondaren tot het geloof komen.

Het is dus zo, dat de zondaar vrijwillig het kwade kiest. Hij wordt niet gedwongen. Hij wil het ongeloof. Hij weigert zich te bekeren en zich geheel aan Christus over te geven. Ja maar, het besluit der verwerping dan? Dat heeft op het ongeloof van de mens en op zijn zonde evenveel uitwerking als een droom van morgen op een daad van gisteren. Het staat volkomen vast, wat de psalm zegt: eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven. Het staat ook vast, dat het eigen vrije wil is, wanneer een jongen dat bepaalde meisje vraagt, dit handwerk of die studie kiest, op dat uur werkt of rust. De Raad Gods oefent op deze vrije daden geen invloed. De mens is zelf verantwoordelijk voor zijn ongeloof. Het is ook niet noodzakelijk, dat wij de menselijke verantwoordelijkheid en de Goddelijke souvereiniteit kunnen begrijpen in hun samengaan. Het is voor ons genoeg als wij ze beide aanvaarden. Begrijpen komt dan later wel. Hier kennen wij ten dele.

En zo weten wij dit zeker: de oorzaak van de zonde en van het ongeloof ligt niet in God of in iets dat God doet. De oorzaak daarvan ligt in wat de mens is en moedwillig en vrijwillig doet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's