Kroniek
Bezinning en verwachting — Velerlei geluiden — Weinig optimisme — „Kerstboodschap" — Kerkelijke balans — Visie en ds. Krop — Overgangsbepaling en het „Interim" — „Vlucht uit het ambt" — Een uitnemender weg.
Bezinning en verwachting, in die beide woorden kunnen we wel samenvatten wat rondom de jaarwisseling door hoogwaardigheidsbekleders, staatshoofden, regeringsleiders en wie meer, nationaal en internationaal, een leidende functie hebben, werd den volke kond gedaan. De overgang van , , oud naar nieuw" leent zich bijzonder tot dergelijke toespraken, waarin summier wordt samengevat het belangrijkste gebeuren in het voorbije jaar, en eveneens om aan te geven, wat de gememoreerde facta et gesta voor perspectieven opleveren. Onze God is de God der tijden en gelegenheden, leert ons de Bijbel. En het is, naar ik meen, geheel in overeenstemming met die Bijbel zich in de jaarwisseling te bezinnen op verleden en toekomst. Ik kan het dan ook niet eens zijn met de schrijver van het artikel „Experimenten" (N.R.Crt. dd. 30-12-'58) als hij poneert, dat , , er nu eenmaal een afspraak is, zo iets (nl. een blik in het verleden te werpen) bij de overgang van december naar januari te doen". Die bewering is m.i. nogal aanvechtbaar.
Erg optimistisch waren de redevoeringen niet. Een uitzondering was wel, wat premier Chroesjtsjow op een receptie in het Kremlin op de oudejaarsdag als zijn kijk op 1958 gaf. Volgens , , Trouw", dd. 2-l-'59, was hij van mening: , , 1958 was een prachtig jaar voor ons en 1959 wordt nog beter". Hij zal met dit zeggen gedoeld hebben op hetgeen russische geleerden — eigenlijk zijn het duitse — met de spoetniks, of hoe men de maansatellieten ook moge noemen, bereikt hebben. Rusland is daarin zéker de Amerikanen de baas. De begin januari afgevuurde raket, heeft dat bevestigd. Maar overigens lijkt mij Chroesijtsjow's uitlating niet in alle delen met de werkelijkheid in overeenstemming.
Behalve dan de woorden in het Kremlin gesproken, waren de overwegingen der groten der aarde over 1958, niet in roemende toon, eerder het tegendeel, en de verwachtingen voor 1959 waren niet vrij van pessimisme. Er is over heel de linie , , de zorg voor behoud van de vrede en de zorg voor behoud van de menselijke vrijheid".
Prof. Beel, de tengevolge van de kabinetscrisis van 11 december j.l. opgetreden leider van het , , romp- of interim-ministerie", gewaagde op 2 januari j.l. van , , botsingen tussen politieke ideologieën, maar ook van de strubbelingen in verband met wat men wel noemt het ontwakende Azië en Afrika". Hij voegde daaraan toe: , , dit alles kan ons benauwen. We beseffen, dat er een grootse ontwikkeling gaande is, die soms een tempo ontwikkelt en een explosieve kracht in zich bergt, die heviger is dan ooit te voren, en die ook veel universeier is en maar moeilijk te beheersen lijkt". Hij eindigde met de aansporing , , 'maar moed te houden".
'Dat is vlot gezegd en het zal het ook bij velen wel doen. De massa hoort graag optimistische klanken. Doch op welke grond rustten die woorden? , , Moed houden" kunnen we en zullen we als wij met Psalm 31 : 16 mogen geloven en belijden: , , Mijne tijden zijn in Uwe hand". Dan leren we ons temidden van alles, wat drukt, in de worsteling des geloofs vastklemmen aan het Woord dat zegt: , , Wij verwachten naar Zijne belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont". Op deze belofte volgt dan: , , Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden-, in vrede" (2 Petrus 3 : 13 en 14). Was ons bezinnen en verwachten naar dat Woord?
Op kerkelijk erf gaat gemeenlijk de jaarwisseling ook niet voorbij, zonder bezinning en verwachting. Daarmede is niet gezegd, dat verschillende leidende figuren door de microfoon van hun zienswijze blijk geven. Het geschiedt wel. Men denke aan de Kerstboodschap van Paus Johannes XXIII. Daarin riep de kerkvorst op tot , , eenheid en vrede". Merkwaardig was het slot, dat als volgt luidt: , , Sprekende over de verdeeldheid van de christenen zei dé Paus: , , Het bedroevende van dit pijnlijke feit verhindert niet en zal niet verhinderen — daartoe vertrouwen wij op God — ons pogen om onze uitnodiging te handhaven tot diegenen van onze beminde afgescheiden broedeis die ook Christus' naam voeren en Zijn heilig en gezegend Woord lezen en openstaan voor de ingevingen van godsdienstige vroomheid en weldoende en gezegende naastenliefde". (Cursivering door Kr.-schr.)
De regel is echter, dat men tegen het jaareinde in een blad zijn beschouwingen en perspectieven geeft. In het Kerstnunumer van , , Hervormd Nederland" kon men een dergelijk stuk aantreffen, dat nogal optimistisch gekleurd en niet ontevreden was over de gang van het kerkelijk leven in het afgelopen jaar. „Woord en Dienst" was daarentegen pessimistisch gestemd, gelijk men in het vorig no. van De Waarheidsvriend kon lezen.
In „De Linie" d.d. 24-12-'58, schreef dr. J. Lescrauwaet M. S. C. in de rubriek , , Venster op het Protestantisme" over het onderwerp: , , Zal de richtingsstrijd in de Nederlands Hervormde Kerk herleven? ". Hij laat ter beantwoording van deze vraag de jongste geschiedenis van ons kerkelijk leven van kort voor de bezettingsjaren tot nu toe de revue passeren. Beknopt, maar op een wijze, die de kenner verraadt. Als hij met 't begin, toen de , , nieuwe koers" zich begon af te tekenen het heden vergelijkt, constateert hij, en zulks met smartgevoelens, dat , .gebrek aan kerkbesef zal leiden tot verdere ontkerstening". Slechts een klein stuk van zijn artikel citeer ik hier: Wanneer een hervormd-gereformeerd , , Verband" wordt opgericht doordat men verontrust is over de gang van zaken in de kerk; wanneer Utrechtse theöloganten vrezen, dat hun faculteit haar aantrekkingskracht zal verliezen, nu twee van de drie kerkelijke hoogleraren tot een bepaalde groep behoren; wanneer een groep principieel haar bijdrage aan de algemene Paas-collecte weigert; wanneer een groep aan de synode schrijft haar niet te kunnen gehoorzamen vanwege eigen overtuiging inzake de vrouwelijke ambtsdragers, dan lijkt het woord , , modaliteit" toch meer wens dan werkelijkheid".
Hij besluit dan: , , Gebrek aan kerkbesef impliceert kwijnend oecumenisch besef". (Weekbulletin, 15e jrg., 3 jan. 1959). Men ziet uit het bovenstaande met hoeveel interesse en nauwkeurigheid men in r.k. kerkelijk-wetenschappelijke, kringen kennis neemt van wat in ons kerkelijk leven gaande is.
Ik wijs nog op een artikel van ds. M. A. Krop uit Groningen, dat wel niet een jaaroverzicht wil zijn, doch wel schrijft over een der belangrijkste gebeurtenissen 1958 in ons kerkelijk leven geschied, wat ons, , , bondsmensen" wel bijzonder zal aanspreken. Het handelt n.l. naar aanleiding van de openstelling der ambten voor de vrouw, over het voorstel, dat in de jongste synodezitting werd aangenomen in eerste instantie en doorgezonden is ter consideratie door classes en prov. kerkvergaderingen; en bedoeld is als , , overgangsbepaling" aan de kerkorde toe te voegen. Deze toevoeging bedoelt tot 1 januari 1965 vrouwelijke ambtsdragers niet tot de meerdere vergaderingen toe te laten. Hierover is ds. Krop slecht te spreken. Naar mijn besef terecht. Hij voert voor zijn ontstemming motieven aan, welke voor mij niet gelden, doch die ik van hem, gegeven zijn kijk op de dingen, kan begrijpen. Hij signaleert die overgangsbepaling als , , beledigend voor de mens" en zegt onder dat hoofd: , , Het zou op zichzelf de moeite lonen eens na te gaan op welke wijze van bepaalde zijde over de vrouw in het ambt gesproken wordt. Men doet net, alsof zij een wezen is, dat naar goeddunken heen en weer kan worden geschoven en met wier gevoels- en geloofsleven in het minst geen rekening behoeft te worden gehouden. Het gebed van een vrouwelijke ambtsdrager heeft geen waarde, haar ambtelijke handdruk geen betekenis, haar aanwezigheid in ambtelijke vergaderingen maakt de besluiten in schriftuurlijke zin ongeldig."
Maar deze concept-overgangsbepaling is volgens ds. Krop ook , , 'de kerk onwaardig". Wat dit betreft lezen we: , , Indien de synode haar zin krijgt en de classicale vergaderingen dit voorstel niet afstemmen, krijgen wij dus in de Hervormde Kerk tot 1 januari 1965 twee soorten ambtsdragers: zij, die wel en zij, die niet tot de meerdere vergaderingen classicaal, provinciaal en synodaal, worden toegelaten. Onder de oude orde betrof dit lot de diakenen. Onder de nieuwe orde is deze geringschatting van het diakenambt weggenomen. Thans mogen de vrouwen dit lot dragen, naar we vertrouwen voor enkele jaren. Deze ombuiging van eenmaal genomen beslissingen is der kerk onwaardig. Want wat wordt nu de figuur? Er wordt na jarenlang praten een beslissing genomen, daartegen wordt een dreigende protestvergadering gehouden en dan maakt men overgangsbepalingen, in de hoop dat deze zullen helpen. Ik neem aan, dat deze weg niet door meerderen zal worden gevolgd, want dan kunnen we in de kerk nog wat beleven! Om te beginnen kunnen we dan de ambtelijke vergaderingen, met name de classicale vergaderingen, die n.b. als grondvergaderingen der kerk gelden, wel buiten werking stellen. Het is vanzelfsprekend, dat de eenheid der kerk in haar verscheidenheid tot uitdrukking moet komen en gevraagd mag Worden of wij binnen de hervormde kerk al genoeg denkkracht en geloofsmoed hebben opgebracht om hier naar wegen en middelen te zoeken. Maar dan zal dit op kerkelijke wij'ze moeten gebeuren, want nu is het resultaat, dat niemand bevredigd wordt. Klagend, zuchtend, triumfantelijk wordt vastgesteld, dat gemeenteopbouw dood is en dat we weer bezig zijn een hotelkerk te worden. Sommigen zouden niets liever willen dan dat de veel gesmade middenorthodoxie zich ook in enkele ouderwetse richtingsorganisaties ging manifesteren. Wee de kerk, indien men voor deze verzoeking zou bezwijken! Maar dan zal de kerk ook moeten weten wat gezag is en ook volgens een eigen lijn moeten durven regeren". (Bulletin, dd. 6-12-'58).
Ook met deze motivering ga ik niet mede. Alleen dit ben ik met ds. Krop eens, dat de kerk i.e. de synode hier stijlloos is, wat betreft leiding geven en regeren. Het ware mij lief geweest, dat de synode de dwaling haars wegs had bekend en op het betreffende besluit was teruggekomen, het had ingetrokken. Maar wat ze nu voorstelt is schipperen en plooien.
In het jongste nr. van , , Theologia Reformata" trof mijn aandacht wat prof; dr. S. V. d. Linde schreef in zijn beoordeling van: Jean Calvin, La vraie Facon de reformer 1' église. Hij zegt daarin: ..Calvijn schreef het op aandringen van zijn vrienden, om er het z.g. Interim in te beoordelen. Kerk en Keizer hoopten de Reformatie dood te drukken door een compromis voor te stellen, dat op enkele onbelangrijke punten toegaf, om in het centrale te feller neen te kunnen zeggen". Aan dit compromis, dit interim moet ik denken als ik mij bezin op de door de synode voorgestelde overgangsbepaling inzake vrouwelijke ambtsdragers. Ook dit is een compromis, een interim. En wat prof. v. d. Linde sdhrijft van het „Interim", geldt ook hier.
Noch politiek, noch kerkelijk is er thans een bemoedigend perspectief. Het ultzicht der dingen is grauw. De leiders zijn aarzelend. Ze wekken de indruk, dat ze met de dingen geen raad weten. Conferenties, congressen, ontmoetingen, samensprekingen genoeg, maar die alle doen denken aan de oude spreuk: Senatu deliberante, Saquntumi periit, d.i. terwijl de senaat delibereerde, ging Saguntum, verloren. Ik kan mij indenken, dat, waar dit ook de kerk geldt, bij vele, vooral jongere predikanten, het enthousiasme dooft, de geestdrift wegebt en men in de verzoeking komt, de weg van , , vlucht uit het ambt" in te slaan. Meerderen gingen die weg. Het jongste bericht dienaangaande las ik in , , Trouw", dd. 3-l-'59. Het gold ds. Martijn, N.H. predikant te Dorkwerd (Gr.). Deze jonge predikant is 29 jaar en was slechts een jaar in zijn eerste gömeente. In de dienst van 31 december nam hij afscheid, met de mededeling, dat hiji zich voegen wilde bij de Geref. Kerken. Zijn besluit motiveerde hij als volgt: , , Ds. Martijn is van mening, dat de ned. herv. kerk de weg van ongehoorzaamheid aan Gods Woord is opgegaan en dat anderzijds de eenheid des geestes waartoe de generale synode der ned. hervormde kerk heeft opgeroepen al niet meer bestaat. De predikant heeft voornamelijk bezwaren tegen de wijze waarop de hervormde kerk de zaak van de vrouw in het ambt behandelt en voorts tegen de reactie van de synode in haar concept-antwoord op de resolutie van de duizend gereformeerde ambtsdragers van Utrecht. Ook acht ds. Martijn het onjuist dat dr. J. M. de Jong benoeimd is tot hoogleraar in de dogmatiek aan de rijksuniversiteit te Groningen waarmee zijns inziens de vrijizinnigheid wordt geautoriseeTd om de studenten dogmatisch te scholen".
Of hij de toelating der vrouw tot het ambt in de Geref. Kerken niet zal beleven, is voor mij nog een open vraag. Hoe dit ook zij', dit afscheid tekent een jonge ambtsdrager, die ernst met de situatie maakt, en nu gedesillusioneerd zijn ambt neerlegt. Ik kan dat niet de juiste weg vinden. Wij allen hebben nodig met de werkelijkheid ernst te maken. In de moeite daarmede zij ons op het hart gebonden, , , De Here te verwachten". Die dat doen „zullen de kracht vernieuwen" (Jesaja 40 : 31).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's