DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 39
ZONDAG 36
Geen vormelijkheid en onzekerheid.
Calvijn heeft de roomse vroomheid van haar smalste kant gekend en die heeft hem spot en critiek ontlokt. We denken aan dat satyrische boekje dat hij schreef over de reliquiën en in het algemeen aan de critiek, die hij op het zielloze van de eredienst uitbracht.
Bijzonder moet hem gestoten hébben de roomse gebedspractijk, die zo vaak „eventjes" een aantal Ave Maria's en Wees gegroetjes ten beste geeft. De rozekrans, merkwaardigerwijze aan het Boeddhisime ontleend, die het gebed wil •bevorderen, maar het zo licht doodt, past in dat zelfde kader.
In onze zondag spreekt Calvijn verder over het gebed. Hij begint met de typerende vraag:
Als wij tot God bidden, doen wij dat dan maar op goed geluk af, zonder te weten of we onze wens zullen verkrijgen of niet? Of moeten we verzekerd zijn, dat onze gebeden worden verhoord?
Dat is een vraag, die uit het leven opkomt. Want hoe vaak gaat het inderdaad zo! Hoe vaak is onze „protestantse" of: , , gereformeerde" gebedspractijk van , , even stilzijn" of van , , een vergadering op de gebruikelijke wijze openen of sluiten" geen zier minder geesteloos dan de bij het begin gehekelde roomse practijk?
In Calvijn's prediking en theologie neemt de zekerheid een grote plaats in. Daarmee is niet bedoeld een zelfverzekerdheid, maar de zekerheid betreffende Gods beloften, ook en juist voor mij. Sprekend is, dat Calvijn zeggen kan, dat onzekerheid en twijfelen tot de ergste dingen behoren, die een christen kunnen overkomen.
Dit geldt dan zeker ook in het gebed. Dat is heel zeker geen loterij-spel, waarvan kan gezegd worden: Laten we het maar proberen: baat het niet, dan schaadt het toch ook niet. Dat vindt Calvijn — terecht — een ontheiliging van het heiligste. Want de sfeer van de religie, d.w.z. van het aan God verbonden zijn, kan uit zijn aard niet anders dan de sfeer van zekerheid zijn.
Zo kunnen we wel verstaan, waarom het antwoord op deze vraag aldus luidt; Wij moeten in ons gebed altijd op deze grondslag staan, dat God het zal aannemen en dat we zullen verkrijgen, wat we vragen, voor zover het goed voor ons is. Daarom zegt Paulus, dat de rechte aanroeping van God uit het geloof voortkomt (Romeinen 10 : 14). Want wanneer wij geen vertrouwen hebben in Gods goedheid, kunnen we Hem onmogelijk in waarheid aanroepen.
Dit is een kostelijk antwoord, dat ons weer een blik in Calvijn's hart vergunt. Hier spreekt geen , , wettisch" en hard man. Integendeel spreekt hier een man, die uit de werkelijkheid van de genade van Christus leeft. Dat is dan ook de grondslag van zijn gebed: de erkenning van Gods goedheid, het gelóóf in die goedheid, die dan ook niet twijfelt, of die goedheid zal over ons zijn, gelijk wij gehoopt hebben. De zekerheid der gebedsverhoring wordt niet gebroken, en alleen gelouterd door de bijvoeging: voor zover het ons dienstig is. Komt onze Here God niet de meeste dank toe wegens onverhoorde, dwaze en schadelijke gebeden?
Het vertrouwen op Gods goedheid, dat men wel humanistisch-vlak kan uitwerken, blijft zo op hoog, goddelijk peil. Het is geen (on)heilige baatzucht, maar het ons altij'd weer aan Gods heilige wil onderwerpen. Waar dit vertrouwen in ons niet leeft {omdat het zelfvertrouwen zich nog zo roert), daar is geen werkelijk gebed mogelijk. Want echt gebed berust op een hoogste schatting van onze Here God en een laagste waardering van ons zelf. Waar dit in elkaar grijpt, leeft het. En waar dat ontbreekt, daar sterft het, ook al kan de schijn van lèvend'-zijn nog wel een poos blijven.
Gebed en twijfel.
En hoe staat het met hen, die twijfelen en niet weten, of God hen al dan niet verhoren zal?
Jacobus noemde deze mensen immers: aan de golven der zee gelijk: hoog opgezweept, laag neerploffend, zonder ooit rust te kennen, Calvijn's antwoord gaat dezelfde kant uit: Hun gebeden zijn geheel zinloos (frivool), omdat er geen belofte achter staat. Want er staat geschreven, dat we moeten vragen in geloof en dat het ons dan zal geschieden. (Matt. 21 : 22; Marc. 11 : 24.)
Alleen gebed in geloof heeft Gods beloften mee en stemt ermee overeen. Dat klinkt sommigen licht wat hoog. Maar dan moet weer gezegd worden, dat het in alle religie, in geloof en gebed om de werkelijkheid van God en Zijn beloften gaat. Wat daar beneden blijft is Gode onwaardig, en daarom zelfs ook óns' onwaardig, omdat het ook de menselijke nood, die in het gebed ligt opgesloten, niet ernstig neemt. Dus bidden is wel werkelijk: ons zelf kwijtraken, om aan God en Zijn beloften in Christus alleen houvast te hebben. Zo verstaat Calvijn het, want hij stelt nu nog de vraag: Nu moeten we nog weten, hoe en op welke grond wij de vrijmoedigheid kunnen hebben om ons voor Gods aangezicht te stellen, waar wij immers zelf geheel onwaardig zijn. En daarop wordt ten antwoord gegeven: In de eerste plaats hebben we de beloften, waaraan we ons moeten vasthouden, zonder onze waardigheid mee te tellen (Ps. 50 : 15; 91 ; 3; 145 : 18; Jes. 30 : 15; 65 : 24; Jerem. 29:12; Joel 2:32). In de tweede plaats: Wanneer wij kinderen Gods zijn, brengt en dringt Hij er ons toe door Zijn Heilige Geest om vertrouwelijk tot Hem te gaan, als tot onze Vader (Matt. 6:9). En opdat wij niet zullen vrezen om voor Zijn glorierijke majesteit te verschijnen, waar wij toch maar arme aardwormen en ellendige zondaars zijn, geeft Hij ons onze Here Jezus Christus tot Middelaar (1 Tim. 2 : 5; Heb. 4 : 16; 1 Joh. 2 : 1): opdat wij, door middel van Hem toegang hebbend, geenszins zullen twijfelen, of we genade vinden.
We vinden geen reden, hieraan veel toelichting toe te voegen. We moeten alleen uitspreken, dat, naar onze smaak, Calvijn op zeer gelukkige wijze de lof van Gods beloften zingt, die niet op onze voortreffelijkheid ste'unen, maar op onze Here Jezus Christus. Dat hij daarbij de rijkdoim van die beloften en van Christus' betrekt op onze volstrekte armoede. Maar die beide , , in den Geest" bekend zijn, daar vinden ze elkaar. Daar schrikt Gods majesteit niet af, en daar leeft ook de zekerheid van het vinden van Gods genade te rechter tijd.
Christus in het middelpunt.
Daar is de Here Jezus Christus in het imiddelpunt gezet. Door Hem is er die toegang met vrijmoedigheid, die buiten Hem ten enenmale ontbreekt.
Dit moet de leerling zijn opgevallen, want de volgende vraag verraadt dat: Dus je bedoelt, dat we God alleen moeten aanroepen in de naam van onze Here Jezus Christus? Daarop wordt geantwoord: Zo is het. Want we hebben daartoe een uitdrukkelijk gebod. En ons is beloofd, dat, als we dat doen, onze beden zullen worden ingewilligd door Zijn tussenkomst. (Johannes 14 : 13).
We letten er zeker wel op, hoe Calvijn voortdurend spreekt vanuit de Schrift. Hij was geenszins een ongevoelig man (deze zondag bewijst dat weer eens), maar het is er verre van af, dat hij uit of op zijn gevoel zou leven. De Gereformeerde Gezindte heeft ook in deze wat van hem te leren. Ook van de wijze, waarop dat bijbels benaderen van de genade, vanuit de vaste beloften en onze totale onwaardigheid, een einde maakt aan die vele , , maars" en , , tochs", die velen onzer veel ernstiger nemen dan de beloften der genade zelf! Calvijn wenst, dat alle vaagheid en onbepaaldheid, daarmee ook alle onzekerheid geweerd wordt en de zekerheid van onze onwaardigheid, tegenover de vastheid van Gods beloften in Christus, ook zekerheid dienaangaande wekke. Wanneer onder ons de onverzekerdheid en het altijd maar wankelen of twijfelen soms wordt gezien als uitzonderlijk diepgeestelijk, moet, in het licht van dit eenvoudige, Calvijnse bijbelse getuigenis toch wel worden gevraagd, of dat geen ziek of misleid geestelijk leven moet heten en althans niet gereformeerd, zoals Calvijn dat verstond?
Verzekerdheid is geen ovennoed.
Onze zondag besluit met de laatste vraag: Dus het is geen overmoed of dwaze aanmatiging, als we ons persoonlijk tot God wenden, mits wij Christus Jezus tot onze advocaat hebben en we Hem naar voren brengen, opdat God ons om Zijnentwil aannemelijk vinde en verhore?
Die bescliuldiging van overmoed en aanmatiging kwam gedurig van roomse zijde. Daar vond men het roemen in de zekerheid der genade en der beloften; het staan in de ruimte van de rechtvaardiging-als-goddeloze; het roemen in de hoop der heerlijkheid; zonder de zekeringen van de Roomse Kerk lichtvaardig en brutaal. We moeten vrezen, dat in onze dag de zeer onderwerpelijken de mensen die op de beloften wijzen, met niet veel andere ogen beschouwen. Ten onrechte! Maar wel moeten de , , voorwerpelijken, ", de mensen van verbond en belofte niet nalaten, te laten blijken, hoezeer deze „voorwerpelijke" dingen diep door hen zijn heengegaan, zodat het meest voorwerpelijke ons toch tot zeer persoonlijk bezit werd. Het omgekeerde is even waar: we worden alleen van een overmaat van , , onderwerpelijklieid" verlost, door met dat alles onder Gods vrije, van buiten tot ons komende beloften, door te gaan. Wanneer zullen we toch weer de diepe eenheid van die twee kanten der zaak kennen, zoals Calvijn ze, ook in onze zondag, zo diep en toch zo eenvoudig stelt?
Het antwoord liet zich verwachten: Neen. Want wij bidden als door de mond van Christus, omdat Hij ons toegang en gehoor verschaft en voor ons pleit. (Romeinen 8 : 34.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's