HEDENDAAGSE LITURGIE 11
Aanwijzing III van de synodale voorlichting inzake kerkbouw: heeft tot opschrift: Karakter van het kerkgebouw. Dat karakter „wordt bepaald door Christus Zelf en Zijn dienst aan de Zijnen". , , , Daarom blijven de aan het Oude Testament ontleende namen Huis des Heren en Huis des gebed gehandhaafd". Wij kunnen ons in deze karakterisering goed vinden. Rome, met haar misoffer, baant zich gedurig een weg van de mens naar God toe; maar in Doop en Avondmaal gaat de Here God in Christus de weg van Hem naar ons, evenals in het Woord; en hierop doelt ongetwijfeld een uitdrukking, als: Christus' dienst aan de Zijnen, omdat „de Zoon des mensen niet is gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matth. 20 : 28, Mare. 10 : 45). Dat wisten wij immers wel? Ja, als er geen Liturgische Beweging was opgestaan, die met haar sacramentstheologie eer van het omgekeerde uitgaat, die des mensen (ere}dienst aan de Zoon des mensen vooropstelt als de weg, om door Hem gediend te worden, en wel sacramenteel, uit kracht van de incarnatie, wier genade men (slechts) in en door het herhaalde Avondmaal heet te beleven. Hier is dan een bijweg van de hoofdweg, waarop Rome met haar misoffer tot God komt. Zij doorschrijdt daartoe de gehele kerkruimte, zoals die naar het altaar leidt. (Over die ruimte zo dadelijk, onder V.). Voorzichtig vermeldt nu nog Aanwijzing III: , , Met Zijn (d.i. Christus') komst hebben de ceremoniën en figuren der wet opgehouden, maar hun waarheid en substantie (wezen) hebben in Christus Jezus hun vervulling gevonden (art. 25 Ned. Geloofs Belijdenis)". De Gen. Synode kon echter weten, dat de Liturgische Beweging dit geloofsartikel op haar eigen wijze uitlegt, die zelfs beslissend is voor vorm en ruimte van 't kerkgebouw, daar men beweert, dat „de waarheid en substantie" van die ceremoniën en figuren der wet (d.i. van het O.T.) voortduren in de eredienst; waarop wij al vroeger gewezen hebben.
Daarom had zij nadere verklaring behoren te geven van een volgende zin, als deze: , , Het kerkgebouw en zijn inrichting behoren in volkomen harmonie met elkander te wezen in grote en ongebroken ruimte". Dit zijn m.i. zeer duistere woorden, en als zodanig slechts een slag in de lucht. Echter moeten wij nu al reeds. dr. Lekkerkerker gelijk geven, als hij verklaart, „dat in de „Aanwijzingen" ook al verschillende gedachten en stromingen elkaar ontmoeten, die op zichzelf elkanders tegengestelde zijn" 1). Zo horen we nog het volgende: i.Het verwerken van het kruisteken in de architectuur of in de inrichting is niet noodzakelijk, maar wel zinvol, daar dit door alle kerken erkende symbool wil uitdrukken, dat de Kerk van Christus is en spreekt van Christus' dienst der verzoening".
Hier hebben wij nu de tegenstrijdigheid, in één en dezelfde Aanwijzing. Eerst even oriëntatie aan Art. 25 Ned. Geloofs Belijdenis. Zeker, o: m al te liturgische mensen nog tot enige bezinning te roepen. Maar in deze laatste zinsnede wordt bedektelijk voorliefde geuit voor , , het kruisteken", het verwerken daarvan zowel in architectuur als in inrichting. Weet u: dat is zo zinvol; noodzakelijk nog niet; maar dat komt misschien wel.
, , Allereerst", zegt dr. Lekkerkerker, , , heb ik nog in geen enkel boek over kerkbouw kunnen ontdekken, dat de kruiskerk iets te maken heeft met het kruis op Golgotha" 2). De lange basilicakerk van de oud-christelijke gemeente had aan 't einde, recht tegenover de ingang, een ronde uitbouw, z.g. apsis, waar de bisschop zetelde en de tafel voor het Avorudmaal stond. Het schijnt, dat men, om meer ruimte voor het volk te krijgen, ter weerszijden van de bisschopszetel tot dwarsbeuken zijn toevlucht heeft genomen, en dat eerst later deze vorm is herleid tot het kruisteken. De kruiskerken der middeleeuwen gaven bij de Reformatie al aanstonds moeilijkheden, omdat er een koorruimte geschapen was, die, als onbruikbaar en hinderlijk, moest worden afgesloten. Zo zou bij nieuwbouw de kruisvorm eerder vermeden dan bevorderd moeten worden.
Een kerk met zijbeuken kan m.i. ook nu nog wel reden hebben, een en ander te beoordelen door een goed protestants architect, maar dan niet omdat het zo „zinvol" is. Er zijn ook nog practische overwegingen.
Maar waarom moest nu hier óók nog het kruisteken betrokken worden bij de inrichting der kerk? Dit kan m.i. niet anders uitgelegd worden dan als een bedekte legitimatie (wettigverklaring), eventueel aanmoediging van de Liturgische Beweging. En dat, ondanks een theoloog van formaat als dr. O. Noordmans zijn , .Liturgie" daartegen al in 1939 geschreven had. Waar haalt de Gen. Synode haar maatstaf vandaan, krachtens. welke het wel , , niet noodzakelijk" (= maar toch wenselijk) en vooral , , zinvol" is, het kruisteken te verwerken in de inrichting van het kerkgebouw? (Dat betrekt zich dus op het meubilair: preekstoel, avondmaalstafel, doopvont, ramen, plaatsing der banken, enz.). Zeker niet uit de H. Schrift, die, bijv. Hebr. 8 en 9 de Joodse christenen vermaant, om zich toch niet langer te laten bekoren door een heiligdom op aarde, wijl zij een heiligdom, Hogepriester en liturgie in de hemel hebben (8:1, 2 en 9 : 8, 11, 24). Van een kruisteken, dat in de toekomst een plaats in het Godshuis zou moeten ontvangen, geen woord, uiteraard. Maar als wij deze echt genaderijke en geestelijke betrachting lezen, huiveren wij ex te meer voor terug. Toch spreekt in I de Gen. Synode van , , wezen der Kerk en van de kerkedienst volgens de Heilige Schrift". En ook hier komt uit haar pen de kerkordelijke bepaling terug: , , in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften". Dit zou dan geen wassen neus mogen zijn. En dan toch maar aanbeveling geven voor , , verwerking van het kruisteken"? Neen, dat is m.i. waarlijk niet onschuldig in een tijd, waarin chaotische meningen zich begonnen geldend te maken. Dat was in 1947. Maar in 1949 lees ik van een, discussie, die ontstond in de Generale Synode (11—16 juli) over Ord. 6, art. 4 der voorgestelde Kerkorde, waarin deze blijkbaar zelf het stuur kwijt raakte, 't Ging er over, dat (art. 4) bouwplan en inrichting van een kerkgebouw , , niet stiijdig mogen zijn met de grondgedachten der Reformatie". Daarover wordt nu gezegd: „Wij zullen samen hebben te zoeken (cursivering van mij, Br.), wat voor deze kerkbouw de grondgedachten der Reformatie zijn. Daaromtrent heerst nog allerlei misverstand en onzekerheid, en het is eenvoudig niet mogelijk, om nu al afdoende richtlijnen vast te stellen" (3). Waarmee de Synode zich zelf een brevet van onvermogen geeft, en dus zelf een streep haalt door de nochtans 2 jaar eerder gegeven richtlijn over het kruisteken, maar tegelijk capituleert voor wat zij , , allerlei misverstand en onzekerheid" noemt.
Sinds zijn wij door de feiten wel, over „allerlei onzekerheid" vooral, heengeholpen. De kruistekenbeweging hield haar intocht in verschillende plaatsen. Ik schreef daarover reeds een en ander in mijn 9e artikel (11 dec. '58). Moeten wij als mensen van Herv. Geref. belijdenis dat zo maar goedvinden, of laten gaan? , is mijn vraag. Hieribij zou ik wel eens op het volgende de aandacht willen vestigen.
In de Kersttijd hébben we in verschillende kerken, vooral in de steden, opgetuigde kerstbomen kunnen zien, in verband met kinder-kerstviering. Dat staat ons niet aan. Zo'n boom kwam immers voor bij het heidens feest der Brumaliën (de zonnewende, 25 dec). De Christenheid eigende in de 4e eeuw die dag voor het Kersitfeest, ('t Licht der wereld), in Rome voor het eerst in 354 gevierd. Doch omdat de heidense achtergrond geheel is verdwenen, betrekt de aanstoot zich thans meer op oppervlakkigheid en uiterlijkheid. Maar het gebruik van de boom is er nu eenmaal, en met de nodige aantrekkelijkheid voor kinderen, 'k Zou willen zeggen: laat de aanstoot niet al te groot zijn. Men zou die ook kunnen nemen aan het klokluiden, dat in de aanvang werd ingesteld, om de boze geesten boven de kerk weg te jagen. We zoeken die geesten tegenwoordig wat lager, en het klokgelui is er nu, om de Gemeente samen te roepen.
Doch laat ons nu eens werkelijk aanstoot nemen aan de kruisteken-beweging. Er wordt zo herhaaldelijk gebedeld en gecollecteerd voor nieuw te bouwen kerken. De welgezinden, eventueel onder leiding van Herv. Gereformeerden, moesten zich verenigen, en van te voren bij kerkvoogdij of wijkkerkeraad de zekerheid zien te verkrijigen, dat aan en in de toekomstige kerk en haar .meubilering geen kruisen en kaarsen worden aangebracht, geen knielbankjes en geen liturgisch centrum. En anders: geen man en geen cent er voor beschikbaar. Sterker nog: zou het geen tijd worden, dat predikanten en lidmaten van Geref. belijdenis bezwaar gaan maken, om langer samen te komen in kerkgebouwen met romaniserende tendenzen, en die hun een belemmering zijn om , , de Vader te aanbidden in geest en in waarheid"? Predikanten voornoemd zouden van de dienst inzodanige gebouwen moeten vrijgesteld worden, of de aanstoot aldaar bij hun optreden zoveel mogelijk weggenomen moeten worden. Ik weet, dat er zijn, die hun efgernis en afkeuring al eens openlijk uitgesproken hebben. Maar dat helpt niet; en men gaat voort, in zijn bouwplannen, te besluiten zonder u en buiten u en tegen u, en ook over u.
Van Karl Barth, toen hij nog professor in Bonn was, is bekend, dat hij, ondanks het nazi-regiem, absoluut weigerde op te treden in gebouwen, waarin zich een hakenkruis bevond.
Ik heb mij verschrikkelijk geërgerd, toen ik een weergave van een epistel van dr. W. H. van Zuylen, Geref. pred., in de Gereformeerde Kerkbode van Rotterdam las, waarboven stond: , , Over het kruis op de kerk valt ook rustig te praten". De geleerde schrijver doet zich voor als (zoals De Genestet zegt) , , de man van 't ware midden". Hij heeft een hekel aan antipapisme, zoals hij die meent te ontdekken in het geschrift „Woord of Kruis"( 4). Hij beweert: , , Er zijn andere argumenten voor en tegen te noemen, los van het gevaar van verroomsing". Zoals dan de lust, om iets te willen zien, of om insignes te dragen. Dat is wel heel tam (en tegelijk oppervlakkig) gezegd. Want deze schrijver, die een stoel wil neerzetten voor kruisteken-lietfhebbers (en hun geestverwanten), , om eens rustig (vooral rustig!) met hen te praten, weet, dat er ook in zijn kerkgemeenschap méér achter zit; zoals bijv. op de Geref. predikantenvergadering („Trouw", 10 april '58) gepleit werd voor 'n rooms-geref. liturgie! Toch wil hij ons doen geloven: „Wie tegen het kruis is als symbool, is geen antipapist daardoor (dat valt mee, Br.); wie er voor is, , werkt daardoor nog niet mee aan de verroomsing der kerk. Niet? , zouden wij willen vragen. Waaraan dan wèl?
1) a.w., blz. 55
2) a.w., blz. 66.
3) Weekblad van de Ned. Herv. Kerk, 6 aug. 1949, blz. 129.
4) Intussen, deze brochure is gratis verkrijgbaar bij de Vereniging „Woord of Kruis", te Bloemendaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's