DR. W. J. DE WILDE in de 's-Gravenhaagse Kerkbode
Dr. de Wilde heeft het nodig gevonden zijn stem te verheffen in het conflict met de Gereformeerde Bond, dat door de Synode werd geforceerd.
Met vette letters worden de grimmigheden gedrukt, die dr. de Wilde klaarblijkelijk zeer naar zijn smaak aantreft in het Synodale antwoord, waaruit enige delen worden weergegeven, hier en daar bovendien voorzien van een interruptie.
Naar zijn oordeel kunnen de voormannen van de Gereformeerde Bond het hier voorlopig mee doen. Dat zou men zo zeggen, doch het valt hem wat tegen, dat die voormannen niet zo diep onder de indruk van het synodaal betoog blijken te zijn. , , Vroegindeweij heeft gezegd: het Antwoord praat er om heen", en prof. Severijn schrijft nog „in het laatste nummer n.a.v. een stuk van dr. Emmen in , , , , Woord en Dienst" " (Terugblik), waarin hij ook over de Schriftbeschouwing met betrekking tot de vrouw in het ambt handelt, dat hij tegenover deze uiteenzetting uiting geeft „„aan de droeve conclusie, dat degenen, die het met het oordeel van de secretaris-generaal (dr. Emmen) eens zijn (waartoe ik ook wens te behoren, de W.!), daarin blijk gaven van zo bitter weinig begrip van de ernst der beslissing en van de betekenis daarvan voor heel het kerkelijk leven in en buiten de Hervormde Kerk" ".
En als om de juistheid van ons oordeel te bevestigen, voegt hij daaraan toe: , , U ziet het, men blijft daar doorgaan op dezelfde weg".
Dat is toch een klaar bewijs, dat dr. de Wilde de ernst van de zaak ook niet overwogen heeft, anders zou hij begrijpen, dat wij moeten doorgaan en dat noch het antwoord van de Synode, dat waarlijk niet op de zaak ingaat, noch een meer zakelijk antwoord ons — en al de Schriftgelovigen in gemeenschap met de belijdenis der vaderen — zou kunnen bewegen het er bij te laten zitten. Juist, omdat het hier niet geldt een kwestie van elkander overtuigen of overreden, maar van geloof.
Misschien zal dr. de Wilde zeggen, dat hij en degenen, die het met de secretaris-generaal eens zijn, daarom ook door ons niet overtuigd zullen worden. Wij beproeven dat dan ook niet, maar wijzen alleen op de belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift, omdat wij het met Calvijn eens zijn, die ergens zegt: „Maar dwaas handelen zij, die willen, dat de ongelovigen bewezen wordt, dat de Schrift het Woord Gods is; want dit kan niet gekend worden, tenzij door het geloof". (Inst. I. VIII. 13)
Dr. de Wilde probeert hetgeen door ons geschreven werd met enige wijzigingen in de tekst tegen ons te keren, maar vergeet, dat de partijen niet gelijk staan. In hoogkerkelijke trots laat hij zich verleiden om neer te schrijven:
, , Waarvan overtuigen? Van een recht „der minderheid om zo hooghartig en , , ongeestelijk en ongereformeerd over , , een synode-besluit te oordelen?
„Van een Schriftbeschouwing die „geen rekening wil houden met veranderde tijdsomstandigheden, waarin de Sc'hriftbeginselen anders toegepast moeten en kunnen worden?
Van een Schriftbeschouwing, die niet , , wil weten van de tijdgebondenheid van allerlei inzichten en bepalingen?
Is de Schrift zo evident tegen de „vrouw in het ambt, in haar geheel en in de bijzondere teksten? "
Het wordt nog indrukwekkender, maar deze zinsneden willen wij even bekijken. Eerst over dat recht der minderheid om over een synode-toesluit te oordelen. Moet dat recht in dit geval nog bewezen worden? Al was er slechts één enkel lidmaat in de kerk overgebleven, dat staat in het geloof onzer reformatorische belijdenis, zolang deze nog belijdenis der kerk is, zou dit niet slechts het recht, maar zelfs de roeping hebben om een besluit van de synode te veroordelen, dat tegen het Schriftgeloof van de art. III-VII ingaat.
Wie nog genoegzame waardering voor de confessie heeft, kan dat niet weerspreken en die zal ook met ons eens zijn, dat de vriendelijke toevoegingen van hooghartig, ongeestelijk en ongereformeerd misplaatst en ongepast zijn.
Wat de drie overige vragen aangaat, alvorens daarop te antwoorden nog een opmerking. Wij hebben gemeend het stuk van de secretaris-generaal, waarop dr. de Wilde terug wijst, als min of meer officieel verslag te moeten verstaan en hebben — om de persoonlijke sfeer te vermijden — de naam van dr. Emmen niet genoemd.
Dr. de Wilde schijnt dat niet te hebben begrepen en zelfs nodig te hebtoen gevonden om de lezers van de 's-Gravenhaagse Kerkbode mede te delen, dat de secretaris-generaal dr. Emmen is. Men zou zo onderstellen, dat zij dat in Den Haag wel weten. Voorts doet dr. de W. de mededeling, dat hij behoort onder degenen die het met dr. E. eens zijn. Als dat nu ook mag betekenen, dat dr. E. het met dr. de W. eens is, heb ik toch de indruk, dat de secretaris-generaal met het artikel van dr. de W. niet al te zeer gediend is. Het zou mij niet verwonderen, als hij b.v. zo iets gedacht had als enfant terrible.
Weet gij, waarom? Omdat in dit hele, lange antwoord van het breed moderamen aan ons, dat door dr. Emanen is ondertekend, zo helemaal niets, maar dan ook geen woord staat van die dingen, welke door dr. de W. zo vragender wijze worden gelanceerd. Juist daarom kon ds. Vroegindeweij schrijven, dat het er om heen praat. Het antwoord van het breed moderamen gaat op de zaak niet in.
En nu die vragen! De vraagvorm is nog altijd afhankelijk van die eerste vraag: Waarvan overtuigen? Van het recht om enz.?
Op die vraag naar het recht is maar èèn antwoord: dat recht ligt in ons geloof, dat zich richt naar de belijdenis.
Vanwege ons geloof in de waarheid van de belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift, wijzen wij iedere , , Schriftbeschouwing" af, wier uitgangspunt niet is overeenkomstig deze belijdenis.
Indien dr. de W. in zijn artikel het standpunt van de leidende personen in het breed moderamen weergeeft, dan weten wij thans, dat zij het Schriftgeloof der reformatoren niet delen en zich aan de betreffende artikelen niet gebonden achten.
Dat hadden zij toch wel kunnen mededelen en tevens motiveren met argumenten van , , verander de omstandigheden", , , tijdgebondenheid van allerlei inzichten en bepalingen", enz.
Wij zeggen niet, dat wij daarvoor gevallen zouden zijn. Integendeel. Maar dan ware toch klare wijn geschonken en dan kon niemand zeggen, dat er omheen gepraat werd.
Waarom heeft het breed moderamen deze dingen niet gezegd en ook niet erkend op ons protest?
Omdat er èn in het breed moderamfen, èn in de synode, zelfs onder de voorstemmers voor de toelating van de vrouw tot het ambt, die zich door genoemde motiveringen laten leiden, toch nog mannen zijn, voor wie het niet zo evident is, dat het met Gods wil overeenkomt de vrouw toe te laten. En, omdat zij' de consequenties van een onomwonden verwerping van het reformatorisch Schriftgeloof, niet op hun verantwoording willen nemen.
Vandaar de aarzelende houding van het breed moderamen en het niet op de zaken ingaan in zijn antwoord. Immers, als er nog enig geloof is, dat de Heilige Geest de Auteur der Schrift is, die door de profeten en apostelen heeft gesproken, kan men niet zonder het gezag van de Heilige Geest zelf aan te randen Zijn duidelijke uitspraken krachteloos maken door een zuiver menselijke onderstelling van tijdgebondenheid.
Het schijnt wel, dat dr. de W. bij deze dingen niet bepaald wordt. Hij zoekt het in wat anders.
, , Zijn de voorstanders van de vrouw in het ambt dan zulke domkoppen, dat ze die evidentie niet kunnen zien, of zulke tegenstanders van de Heilige Geest, dat ze het niet willen zien", zo vraagt hij.
Neen, dr. de W., die voorstanders zijn in het algemeen niet meer domkoppen dan andere mensen en niet meer tegenstanders van de Heilige Geest dan alle mensen van nature. Doch het gaat niet over domkoppen of niet domkoppen, maar om een zaak van geloof.
Hoe weinig dr. de W. de betekenis daarvan inziet, blijkt niet alleen uit deze vraag over domkoppen, maar nog meer als hij: daaraan een tweede toevoegt: , , Heeft de Geref. Bond het monopolie van het recht verstaan van de Heilige Schrift? "
Nog eens, neen, dr. de W., maar de Kerk der reformatie betuigt in haar belijdenis, hoe zij de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangt en verstaat! En die kerk leeft nog altoos voort in ons volk en ook in de Hervormde Kerk. Dat betekent, dat diezelfde belijdenis uit datzelfde geloof nog altijd leeft, ook dat Schriftgeloof.
Een deel van die reformatorisch gelovende en belijdende Kerk is in de Gereformeerde Bond vertegenwoordigd, een deel wordt ook daarbuiten in de Hervormde Kerk gevonden en ook daarbuiten nog.
Deze mensen nu gevoelen een levende gemeenschap met het geloof der vaderen en zijn van oordeel — niet ten onrechte — dat de kerkregering op grond van de in art. X genoemde gemeenschap met de belijdenis der vaderen haar beleid ook naar die belijdenis behoort te richten.
De conflictsituatie, waarin de beslissing der synode aangaande de vrouw en het ambt de kerk heeft gebracht, is met name veroorzaakt door degenen, die evenals dr. de W. door, ik weet niet welke menselijke factoren, door historische en andere methoden van critiek op de Schrift van de geloofsvisie der reformatorische confessie vervreemd of vervallen zijn.
De tegenstelling gaapt nu echter niet alleen tussen het reformatorisch Schriftgeloof en een of andere beschouwing van de Bijbel naar aanleiding van welke critische vooronderstellingen ook. Zij reikt verder.
Met het Schriftgeloof der belijdenis staat of valt de ganse reformatorische confessie. Dat is de ernst van de situatie. Dat ontgaat uit de aard der zaak de leiding niet, en dat maakt haar positie zo moeilijk. Want dr. de W. kan wel heel veel overhoop halen van inspiratietheorie en wat hij verder te berde brengt, maar dat doet eigenlijk alles niets ter zake. De werkelijkheid is, dat men naast en tegenover het geloof, dat , , al deze boeken alleen ontvangt voor heilig en kanoniek" en dat op grond van het getuigenis van de Heilige Geest, geen ander geloof op grond van het getuigenis van de Heilige' Geest vermag te stellen, dat niet al deze boeken, deze boeken niet alleen, deze boeken slechts ten dele, of onder allerlei menselijke reserves voor heilig en kanoniek ontvangt.
Dan. zou men met de Heilige Geest zelf in conflict komen.
De leiding der kerk kan tegenover de reformatorische belijdenis aangaande het goddelijk gezag slechts afwijkende beschouwingen stellen.
Maar dit is niet overeenkomstig haar roeping. De kerk leeft niet uit beschouwingen, maar uit de Schrift en door het geloof. Daarom ook wordt de kerk niet gesaneerd langs de weg van beschouwingen en meningen, maar door gehoorzaamheid aan de van God gegeven regel des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's