De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE GROTE DROOGTE 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE GROTE DROOGTE 2

Uit het Oude Testament Jeremia 14

9 minuten leestijd

II Een niet verhoord gebed. (vs. 7 v.v.)

Wie kon nu uitkomst geven? Een mens kan geen regen brengen en voor vruchtbaarheid zorgen. Toe, Israël, laten uw afgoden u nu. helpen! Meende men niet, dat het Baäl was, die aan het volk gaf koren en most en olie? Maar dat is het verschrikkelijke van de dienst der afgoden, vroeger en nu, dat op het meest critieke ogenblik de afgoden hun aanbidders in de steek laten. Op de Karmel laat Baäl zijn priesters maar bidden en roepen; antwoord kwam er niet. En als later de ballingschap komt, dan gaan de afgoden, die het volk niet hebben kunnen redden, mee in ballingschap; onder de zware last van de afgoden zuchten de arme, opgejaagde lastdieren.

Er is een betere weg en er is een volk, dat die weg kent: de uitweg van gebed, de enige uitweg, die altijd overblijft. Zo lezen wij van een biduur in crisistijd: een plechtige boete in de tempel. Is heel de geschiedenis van Israël niet één bewijs daarvan, dat de Heere Zijn volk nooit in de steek laat? Op U hebben onze vaderen vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen (Ps. 22 : 5).

Jeremia is de woordvoerder voor Gods aangezicht van een volk in nood. Hij zoekt in de schuldbelijdenis en in het smeekgebed heel het volk mee te nemen tot voor Gods troon. Zal door zijn voorbeeld gesteund en gedreven heel het volk op de knieën komen en de toevlucht nemen tot de barmhartigheden des Heeren?

Israël twist niet met God; klaagt niet over Hem, als zoude Hij onrecht doen; het eigen geweten klaagt het volk aan. Naar achteren en naar voren zitten alle wegen dicht; er is alleen maar schuld en afval. Het is verdiend! Deze schuldbelijdenis is genade, een licht in de algehele donkerheid.

En Jeremia sluit zichzelf niet buiten; zegt niet: het volk heeft gezondigd. Bij óns is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaderen, omdat wij, tegen U gezondigd hebben. Dan. 9 : 8.

Gelukkig het volk, dat voorbidders heeft; Jeremia was bidder en voorbidder bij de gratie Gods; hij stond in de bres als Amos, als Samuel, als Mozes. Wie weet mocht God zich wenden! Voor hen sprak de genade niet vanzelf, maar genade was veelmeer een ongedacht wonder, „een onmogelijke mogelijkheid".

Deze woorden van schuldbelijdenis en boete getuigen van diepe ernst. Wij worden herinnerd aan de klaagliederen van de psalmisten aan de boeteliederen van de profeten (Jes. 59 : 12 w.; 64 : 6 vv.; Klaagliederen 1 : 18, 20; 3 : 42; Dan. 9 : 5 W.; Ezra 9). Ook daar de erkentenis van de rechtvaardige toorn des Heeren (Ps. 60 : 3; 74 : 1 enz.).

Waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten? Waarom zoudt Gij zijn, als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? En wij; denken aan de psalmist:

Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten? Ontwaak, o God, waarom zoudt Gij slapen? Ps. 44 : 24 w. Zoude de Heere zich als een vreemdeling kunnen voordoen in Israël? Een reiziger, die slechts een enkele nacht blijft en dan verdwijnt? Zoude er zulk een vluchtig contact zijn tussen de God des Verbonds en der eedzwering en zijn volk, de stammen van Zijn erfdeel? De reiziger, hij is op doorreis; hij heeft een ander doel in het oog. Maar dat kan van de God van Israël niet gelden. Hij heeft Zichzelf uit vrije goedheid aan dat volk verbonden en daarom heeft het volk een recht op Hem en op Zijn hulp en genade: een genade-recht. Dat is wat in het gebed gevonden wordt: het volk beroept zich tégen de Heere óp de Heere. Het gaat in de nood bij God in appèl. Zal Hij Zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen?

En op Zijn belofte pleit Jeremia. Hier wil Ik wonen, dit is de plaats mijner rust. Ex. 25 : 8. En aan dat wonen heeft de Heere Zijn beloften verbonden: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen weten, dat Ik de Heere hun God ben, die hun uit Egypteland heb uitgevoerd, opdat Ik in het midden van hen wonen zoude: Ik ben de Heere, hun God. Ex. 29 : 45, 46.

Na de belijdenis van zonden, na de openlijke en eerlijke erkentenis: Heere: wij zijn fout geweest (Jes. 59 : 12) spreekt Israël uit, wat het van de God des Verbonds verwacht: Hij is de Hoop van Israël, Israels Verlosser in dagen van nood. Zou dat bij iedereen geleefd hebben? Helaas neen, dat zal nog wel blijken (vs. 11). Het geloof denkt zo groot van God, dat het eind er van weg is. Dat is het ongeluk van Israël, dat men veel te klein van de Heere denkt en veel te weinig van Hem verwacht. En niet minder is dat de nood van de Kerk van vandaag: er worden geen wonderen meer verwacht; de almacht en de gewilligheid Gods worden aan banden gelegd. Maar heel het Oude Verbond spreekt van Hem, die opstaat ter hulpe van Zijn Kerk. De Heere is een Krijgsman, Heere is Zijn haam, luidt het in het lied van Mozes (Ex. 15 : 3). Hij blijft Zichzelf gelijk en daarom mag Israël zingen: Gij leidt door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt. Gij voert hen zacht door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid. (Ex. 15 : 13). Rahab en de zeedraak heeft Hij verbrijzeld (Jes. 51 : 9; Ps. 89 : 11; Job 9 : 13) met de Leviathan. Een Held, die niet verlossen kan? Daartegen verzet zich heel de levenservaring van het volk des Verbonds.

Israël, gij hebt een machtige God; een God van zaligheid; bij de Heere HEERE zijn uitkomsten tegen de dood!

De eerste drangreden van het gebed is: O, Heere, doe het om Uws Naams wil, Israël belijdt: Onze zonden maken scheiding tussen U en ons, onze ongerechtigheden sluiten de bron van Uw barmbartigheden af. Heere, doe het om Uws Naams wil, d.i. om Uws Zelfs wil. Menigmaal vinden wij de uitdrukking: om Zijns Naams wil in het Oude Testament. Ik noem slechts enige: Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil, Ps. 23 : 3. Om Uws Naams wil, Heere, vergeef mijn ongerechtigheid, Ps. 25 : 11. Doe verzoening over onze zonden om Uwe Naams "wil, Ps. 79 : 9. Zie ook Ps. 31 : 4, 106 : 8, 109 : 21, 143 : 11. Wij lezen, hoe de Heere om Zijns Naams wil Zijn toorn zal inhouden, opdat Israël niet zal worden uitgeroeid (Jes. 49 : 8).

In de dagen van de ballingschap zegt de Heere door de mond van de profeet, waarom Hij Zijn volk zal verlossen. Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israels, maar om Mijn heilige Naam, die gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarheen gij gekomen zijt. De naam des Heeren werd naar beneden gehaald, omdat de heidenen van de God van Israël zeiden: Zij zijn het volk des Heeren en toch moesten zij hun land uit, d.w.z.: hun God heeft hen niet kunnen helpen en verlossen. En dat deze smaad de Heere door de heidenen werd aangedaan, was de schuld van Israël (Ez. 36 : 20 vv.). De ere van Gods naam was in het geding. Die naam woont in Israël; op de naam Zijner heiligbeid vertrouwen de rechtvaardigen; zij kennen die naam (Ps. 91 : 14). Zoals des Heeren naam is, zo is Zijn lof tot aan de einden der aarde (Ps. 48 : 11). Ja, groot is Zijn Naam in heerlijkheid (Jer. 10:6). Er is geen enkele grond voor de hoop op verhoring in de mens; Doe het om de wille van Uw Naams, die Gij aan Uw volk hebt bekend gemaakt. Israël dient geen onbekende God. Daarin ligt ook een belofte van het volk in nood: Straks zal het volk die naam groot maken, als de Heere uitkomst zal hebben gegeven. Israël beroept zich op een genaderecht, de gave van het verbond! Wij' zijn naar Uw Naam genoemd, d.w.z.: Uw naam is over ons uitgeroepen; welk een onderscheid met de heidenen, van wie de profeet zegt (Jes. 63 : 19) dat God over hen van ouds af niet heeft geheerst en dat over hen de naam des Heeren niet

is uitgeroepen. Daarom is er een bijzondere 'betrekking, die besicherming insluit en liefderijke zorg. U'w naam over mij uitgeroepen, dan ben ik Uw eigendom. Zeven vrouwen zullen zeggen: Laat ons alleenlijk naar Uw naam genoemd worden (Jes. 4:1).

Welk een zeldzaam rijk gebed! Zal de hemel niet scheuren op de klacht van het volk? Hoort het antwoord van de profeet: Zij houden zo van zwerven; zij hebben niet gespaard; daarom heeft de Heere geen welgevallen aam hen; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken en hun zonden bezoeken.

Wij kunnen het ons nauwelijks indenken. Wat mankeert aan deze boete toch, dat de Heere het offer niet aanneemt? Aan de woorden ontbreekt niets, maar eigenlijk ontbreekt aan dit gebed alles, want het hart van het volk bidt niet mee. Het volk nadert tot de Heere met de lippen, maar het hart is verre van Hem. Het is een dubbëlhartig volk en wankelmoedig is een grondtrek van heel hun godsdienstige leven. Op zijn tijd ontkent men heel rustig, dat men de Baals nawandelt (Jer. 2 : 23).

Aan de trouw van de Heere hapert het niet. Ben Ik Israël een land van uiterste donkerheid? Maar er is bij het volk geen trouw; men spreekt van zonde, maar beleeft niet de waarachtige bekering als een breuk met een zondig verleden. Daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hun offers (Hozea 8 : 13).

Een boetedag in crisisdagen en een voorbidder bij de gratie Gods, maar er komt uiterlijk geen keer, omdat de inwendige omkeer ontbreekt. Israël heeft Jeremia geestelijk alleen laten staan, in diens schuldbelijiden en bidden en dan is het ook geen wonder, dat Jeremia straks in alles, wat zijn volk betreft, alleen staat en dat niemand eigenlijk een hand uitsteekt om hem te helpen {Jer. 38). Men heeft zich door de valse profeten op sleeptouw laten nemen en kan hun verleidend woord van vanzelfsprekende genade niet kwijt worden.

Wij denken aan wat de Heere Jezus zegt: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijn's Vaders, die in de bemeten is. Velen zullen te dien dagen zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in Uw naam vele krachten gedaan. En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij. die de ongerechtigheid werkt (Matth.. 7 : 21 vv). Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE GROTE DROOGTE 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's