DE KERKELIJKE TUCHT 1
Referaat gehouden op de predikanten-cantio van de Gereformeerde Bond, op 7 januari 1959
Als wij, enkele stellingien willen plaatsen over de tucht der kerk, dan zullen wij die uit de aard der zaak moeten bouwen uit artikel 32 N.G.B. Van de orde en discipline of tucht der kerk, uit artikel 30. Van de regering der kerk door kerkelijke ambten, uit artikel 27 Van de algemene Christelijke kerk en uit artikel 29 Van het onderscheid en de merktekenen der ware en valse kerk.
Stellingen:
I. Tuchtoefening is een zaak, die de ware kerk is aanbevolen en die alleen door de ware kerk geoefend kan worden. De valse kerk is zelf onder tucht te stellen en als zodanig niet bevoegd tucht te oefenen.
II. De regering der kerk, en als onderdeel daarvan de excommunicatie, moet geschieden naar de geestelijke orde en naar de geestelijke politie.
III. Het feit, dat onze Heere de geestelijke politie geleerd heeft in Zijn Woord, stelt enerzijds de grenzen, waarin de geestelijke familiegemeenschap zidh bevindt, en stelt anderzijds de schriftuurlijke normen, waarnaar gehandeld moet worden met hen, die zich buiten deze geestelijke gemeenschap begeven.
IV. De bestraffing van de overtreders kan alleen een geestelijke zijn, en moet in de eerste plaats beogen de troost en de bescherming van de goeden, in de tweede plaats de genadige berechting van de bozen.
V. De tucht, die de enige Meester, Christus, geordineerd heeft, gaat trapsgewijze uit van de drie ambten, die in de kerk functioneren en raakt tenslotte het ambt aller gelovigen.
VI. De tucht der kerk, gaande over leer en leven, raakt bijzonder dat punt, waar leer en leven elkander in het kerkordelijke kruisen.
In het algemeen heeft men sinds tijden gemeend dat Calvijn in zijn kerkordening en in zijn tuchtoefening op legalistische wijze is opgetreden en dat hij een wettisch biblicisme heeft aangehangen. Tot een werkelijk geestelijke leiding van de kerk- en tuchtoefening in de kerk, als bij Luther, zou het bij hem nooit gekomen zijm. Sohm, Rieker. Dr. A. M. Brouwer zegt in zijn „De kerkorganisatie der eersite eeuwen en wij'", dat men moet ophouden met het praten over een schriftuurlijke organisatie, alsof de Schrift niet verschillende mogelijkheden openlaat, waarbij het priesterschap der geloivigen onverkort blijft.
Dr. H. Kraemer beweert, dat de bijibelstudie van de laatste 100 jaar ons niet alleen het recht geeft, maar ons in de eerste plaats de plicht oplegt te erkennen, dat hoe waardevol en inzichtgevend de inzichten der Reformatoren over de kerk ook blijven, zij niet zonder meer gezaghebbend en definitief voor ons kunnen en mogen zijn, omdat zij de bijbel in deze opzichten niet geheel juist gelezen hebben en konden lezen.
Dr. Koopmansi schrijft in zijn verklaring van de Geloofdbelijdenis : Er staat genoeg over de kerk in de bijbel, waarmee zij haar weg vinden en de zijweg vermijden kan. Maar het beroep op de bijbel is, niet regelrecht in die zin, dat de kerkorganisatie van de eerste eeuw door ons gecopiëerd zou moeten worden. Wij' moeten niet wettisch zeggen: zó is het geweest, dus zó moet het weer zijn — nog afgezien van het feit, dat niemand precies zeggen kan, hoe het geweest is.
In zijn dissertatie zegt dr. Bronkhorst: Het staat wel vast, dat een bepaalde kerkorde uit het Nieuwe Testament niet is af te leiden. Het woord der apostelen gaf nog een directe leiding.
Dit zijn de opvattingen, die in de kerk tot bepaalde orderegelen geleid hebben, die vóor het oefenen van de tucht van groot belang zijn. Als in de orde der kerk de regels voor de leer en voor het leven op een dergelijke weinig stringente schriftopvatting gegrond zijn, dan is het te verwachten, dat deze kerk ook haar tuchtoefening zal houden meer naar deze 19e en 20e eeuwse schriftopvatting, dan naar de letterlijke uitspraken van de S'chrift zelf.
Wij willen opmerken, dat de Lutheranen wel even , , wettisch" als Calvijn geweest zijn. Een van hun oudste kerkorden begint aldus.: „Nadat wij' door de genade van de almachtige God, uit de openbaring van de christelijke evangelische Schrift, niet alleen een bestendig geloof, maar ook een grondig weten ontvangen hebben, dat al het uiterlijk en innerlijk vermogen der Christgelovigen tot ere Goids' en tot liefde van de naaste, naar ordening en voorschrift der goddelijke waarheid en niet naar menselijk goeddunken dienen en strekken moet ", waarop dan allerlei bepalingen, uit Gods Woord genotoen, volgen.
In dezelfde geest verklaart de raad van Geneve in 1541, dat de kerkelijke politie geheel genomen is uit het Evangelie van Jezus Christus. Calvijn bericht aan Farel, dat hij terstond na zijn terugkeer deze zaak aanhangig gemaakt heeft, dat de kerk niet kan bestaan, tenzij een zekere regering wordt ingesteld, gelijk ons in het Woord Gods, wordt omschreven en in de oude kerk bewaard werd. En aan de raad van Zürich verklaart Calvijn, dat deze wetten niets bevatten, wat niet uit de zuivere-bron van Gods Woord geput is.
De studies van Bohatec en Von Munter tonen aan, dat Luther niet geestelijker geweest is in zijn orderegelen en in zijn ordehandhavinglen dan Calvijn en dat Calvijn niet legalistischer is opgetreden dan althans de Lutheranen.
Het is goed deze achtergronden te weten, voordat wij nu onze belijdenis zelf t.a.v. kerkorde en tuchtoefening gaan lezen. Vooraf moet nog opgemerkt, dat de Reformatorische kerkorden en ook de Belijdenisartikelen, rakende de orde en tucht der kerk, niet zoeeer getrokken zijn uit de eerste wordingstijd van de Apostolische kerk, maar uit de latere Apostolische brieven. Zoals de pastoraalbrieven. (De Schriftcitaten uit genoemde artikelen bewijzen dat). Zij zijn aan de ambtsdragers en niet aan de kerken gericht, om duidelijke aamwijzingen voor de ambtspractijk in de kerk van Jezus Christus voor alle tijden en plaatsen te geven.
Met vrijmoedigheid, gerugsteund door de Schriften zelf, niet door hun geest en hoofdzaak, niet door hun grondstructuur, en gerugsteund door de practijk en de regelen der Refonmatoren, lezen wij dan nu onze Geloofsbelijdenis zelf.
Onze eerste stelling is deze: I. Tuchtoefening is een zaak, die de ware kerk is aanbevolen en die alleen door de ware kerk geoefend kan worden. De valse kerk is zelf onder tucht te stellen en als zodanlg niet bevoegd tucht te oefenen.
Als wij zeggen dat tuchtoefening aan de ware kerk is aanbevolen, dan is daarvoor een rechtstreeks schriftbewijs in Mattheüs 18, waar de tucht aan de discipelen is opgedragen en niet in de tempel onder de algemene en officiële kerk. Het is, dacht ik, niet zo moeilijk om te verstaan wat art. 29 verstaat onder de ware en de valse kerk. De ware kerk is te kennen aan de drie merktekenen, Ie. de reine prediking des Evangelies, , 2e. de reine bediening der sacramenten, 3e. het gebruik van de kerkelijke tucht. Kortelijk, als men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods. Aan de ene zijde wordt van deze kerk erkend, dat er hypocrieten zijn, die onder de goeden vermengd zijn, die in het lichaam der kerk zijn, maar niet van de kerk zijn. Aan de andere zijde wordt gesproken van de merktekenen der christenen, te wetien, geloof, een najagen van dé gerechtigheid, niet afwijken ter rechter-, noch ter linkerhand. Al is het dat zij grote zwakheid in hen hebben, nemen zij gestadig hun toevlucht tot het bloed des Heeren Jezus.
De valse kerk, in de aanhef van art. 29 sekte genoemd, hoewel zij zich met de naam , , kerk" bedekt, schrijft Ie. aan zich en aan haar ordinantiën meer macht toe, dan aan het Woord Gods, bedient 2e. de sacramenten niet naar Christus' imzetting, oefent 3e. tucht tegen hen, die heilig leven naar het Woord Gods. Het artikel besluit met de opmerking, dat deze twee kerken lichtelijk te kennen en onderscheiden zijn. Wat echter niet zo licht is, dat is het onderscheid te zien in een gedeformeerde kerk. Men zou kunnen zeggen, dat de ware kerk is de kerk der belijdenis, maar waar is die precies in onze kerk. Wij kunnen niet de kerk afbakenen op spiritualistische en individualistische gronden, maar wel hebben wij dat te doen naar de belijdenis. En al is dat niet aan ieder gegeven om dit te overzien in de kerk, zo tekent zich toch als in de kerk van Israël in de dagen van het Nieuwe Testament de ware Christus belijdende gemeente wel meer en meer af. Men zou ook omgekeerd kunnen redeneren en zeggen, dat de wijze, waarop men de Schrift hanteert, waarop men spreekt over Christus en waarop men de sacramenten omvormt en tucht gaat oefenen tegen die heilig leven naar het Woord Gods., meer en meer openbaar maakt wat valse kerk is. Aan onze kerk in het algemeen kan de tuchtoefening niet worden toebetrouwd. En als de tucht toch moet werken, dan is helaas niet anders te verwachten dan een tucht van velen over velen. In een wèlgeordineerde kerk moet een enkele vlieg uit de zalf des apothekers verwijderd worden. Ik vraag mij af, hoeveel vliegen uit hoe weinig zalf hier verwijderd moeten worden. Als dit de roeping is van de ware kerk, dan blijft dit de verzwaarde roeping van het belijdenisgetrouwe deel der kerk.
Stelling II:
De regering der kerk, en als onderdeel daarvan de excommunicatie, moet geschieden naar de geestelijke orde en naar de geestelijke politie.
Het in artikel 30 gebruikte woord politie is afgeleid van het Griekse woord polis, dat betekenen kan: 1. staatszorg, 2. volkstucht, 3. bestuurswijze. In artikel 30 is het te zien als staatszorg. Door de nadere bepaling : geestelijke politie, is het eigene van de zorg der kerk aangegeven. Het pneumatische maakt de kerkstaat van geheel andere aard dan de burgerstaat. In de gemeente woont God met Zijn Geest en die Geest is de Geest van Christus. De zorg van de kerk moet dan, ook rein geestelijk zijn. Hier wordt het Woord Gods bediend, hier worden de Heilige Sacramenten bediend. Hier wordt naar de orde des verbonds geslacht na geslacht genodigd tot het heil en geleid tot het heil in Christus. Als nu in deze kerkstaat, die geestelijk van aard is, de excommunicatie geestelijk moet worden opgevat, dan moet bij de tuchtoefening alleen met geestelijke middelen worden gewerkt. Aan de kerk is sleutelmacht gegeven, geen zwaardmacht. Niet artikel 36 is hier aan de orde, maar artikel 32.
Alle revolutie, alle burgerkrijg moet hier verre uit onze gedachten geweerd worden. De eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen is de Woordsleutel. De tweede is eerst de bansleutel. Als de Woordsleutel genoegzaam gehanteerd is, dan eerst mag de bansleutel gehanteerd worden. In onze kerk, waar anderhalve eeuw van modernisme over heengegaan is en nu weer een golf van nieuw modernisme over heen gaat, zou men kunnen zeggen, dat de tijd van het alleen hanteren van de Woordsleutel voorbij is en dat de tijd van de bansleutel bijzonder daar is. Ik denk echter aan de arbeid van de Evangelisatie en dan ook aan zoveel eenvoudig kerkvolk, dat geen verschil weet tussen zijn rechter- en zijn linkerhand. Mocht de gedachte aan tuchtoefening, onder de druk en onder het verdriet van de kerkelijke omstandigheden, aan scheiding doen denken, dan moeten wij altijd aan dat kerkvolk denken. De mogelijkheden voor de kerk en het behoud van de kerk vraagt een uiterste clementie en een tot het einde toe aandringen met het Evangelie des vredee. Zelfs het hanteren van de bansleutel wil geestelijk zijn. De kerkelijke tucht is iets anders dan het royeren van leden van een vereniging. Hun behoud wordt nog altijd in het oog gevat.
Stelling III :
Het feit, dat onze Heere de geestelijke politie geleerd heeft in Zijn Woord, stelt enerzijds de grenzen, waarin de geestelijke famillegemieenschap zich bevindt, en stelt anderzijds de schriftuurlijke normen, waarnaar gehandeld moet worden met hen, die zich buiten deze geestelijke gemeenschap begeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's