De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEDENDAAGSE LITURGIE 12

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEDENDAAGSE LITURGIE 12

8 minuten leestijd

In Aanwijzing IV komt ter sprake eventuele steun van de Overheid, in verband met Monumentenzorg, en met 't oog op art. 36 Ned. Geloofs Belijdenis. Maar evenzeer mag, op grond van dit artikel, beroep op de Overheid worden gedaan bij het bouwen van nieuwe kerken, mits daaraan geen voor de geestelijke verantwoordelijkheid bezwarende voorwaarden worden verbonden. Het is te waarderen, dat de Synode gevoelt, dat art. 36 Ned. Geloofs Belijdenis, een stuk Geref. belijdenis is, nog altijd van kracht, door geen politiek inzicht tussen haakjes te stellen of te besnoeien. Wat Guido de Brés hier schreef, was niet uit naam van de heersende kerk (die eerst veel later opkwam), maar van de vervolgde kerk, en waarvan ook hij bloedgetuige zou worden. Eis aan en roeping van de Overheid, naar den Woorde Gods, laten zich evenmin vandaag ter zijde stellen of verkrachten, nu de kerk in de hoek gedrongen is, en de moderne mens meent de Overheid als zijn i.p.v. Gods dienares te kunnen beschouwen. Verder hierover niet.

Tenslotte gaat het in Aanwijzing V over bouw en inrichting van het kerkgebouw. Over het kruisteken, dat in III min of meer werd aanbevolen, is door ons al een en ander gezegd, en wel volkomen afwijzend. Zeer juist is nu de eerste zinsnede: , , Zeer bijzondere eisen aan bouw en inrichting van het kerkgebouw stelt de kerkedienst". Hier had men zich dan ook aan moeten houden. zodat niet de smaak van een architect en evenmin liturgistische opvattingen in deze aan het woord zouden kunnen komen. In het tweede deel van V laveert de Synode echter al in bedenkelijke richting, zeker niet zonder invloed van de toenmalige praeses der Gen. Synode, ds. W. A. Zeydner, een vooraanstaand lid der Liturgische Beweging. Wij maken nl. kennis met een tweeslachtigheid, die kool en geit beide zoekt te sparen. Zo wordt eerst aangegeven, dat de Heid. Catechismus in zondag 38 de kerkedienst omschrijft , , als dienst des Woords, dienst der Sacramenten, dienst der Gebeden en dienst der Barmhartigheid". Bij nalezing blijkt dit juist te zijn. Dan: dat deze dienst als één geheel gezien moet worden; en verder: „De volgorde, waarin de diensten genoemd worden, heeft principiële betekenis. De door de Catechismus genoemde delen van de dienst zijn alle door God gewild". Er had nog bijgevoegd kunnen worden, gelijk reeds opgemerkt, dat de Catechismus kerkedienst en predikambt gelijkstelt, en dat daarin geen sprake is van een centrale noch van een aparte plaats voor het sacrament. Toch neemt de Synode hier in eens een draai. Zij gaat ons vertellen, dat dat deel van het kerkgebouw, waar Doop en Avondmaal worden bediend, een daarmee overeenkomende ruimte moet hebben. , , Alles, wat in deze dienst nodig is, kan zijn vaste plaats in deze ruimte krijgen". Wel moet dan zorg gedragen worden (men schijnt er niet gerust op), „dat de avondmaalstafel (de vasite, Br.) door vorm of aankleding niet het karakter krijge van een altaar". Kruis en kaarsen, die al hier en daar op deze tafel voorkomen, wijzen daar immers op. Zal laatstgenoemde bepaling geen slag in de lucht zijn, dan had hier het altaar-gevaar met een enkel woord aangeduid moeten worden.

In plaats daarvan krijgt de Liturgische Beweging een heimelijke toeknik, door de raadgeving, dat de plaatsing van kansel, doopvont en avondmaalstafel t.o.v. elkander en de zitplaatsen der gemeente aldus zij, dat de eenheid van de dienst daaruit spreekt en geen onderdeel (wij cursiveren, Br.) een ander verdringt". En hier is dan de draai tegenover Zondag 38 volkomen. De delen van de kerkdienst zijn nu gereduceerd tot gelijkwaardige onderdelen, vooral waar het Woord en Sacrament betreft. Deze volgorde wordt nog wel principieel genoemd, maar het Synodale woord „onderdeel" geldt voor beide; dus staan ze gelijk. Dat is dan ook de zienswijze van de Liturgische Beweging^ maar die in de praktijk het sacrament zelfs boven het Woord stelt. Zij kan tevreden zijn. Zondag 38 paradeert hier alleen, om te laten zien, hoe het vroeger was. En de , , principiële betekenis" is blijkbaar als onderwerp van discussie bedoeld. Wat kunnen mensen toch gemakkelijk woorden van gewicht en betekenis schrijven, en er tegelijk een streep door halen. Dat geschiedt hier.

Ineens vindt men het gewichtiger over ruimte te gaan spreken. Voor het doopvont behoeft in de regel maar weinig ruimte gereserveerd te worden. Maar men zinspeelt vooral op een apsis. een koor, of, in moderne taal, een liturgisch centrum, en op een daar op te stellen vaste avondmaalstafel. Het wordt met porcelein-achtige voorzichtigheid aan de orde gesteld: , , Alles, wat in deze dienst nodig is, kan (cursivering van mij, Br.) zijn vaste plaats in deze ruimte krijgen". Maar het wordt aan de orde gesteld. Kansel, doopvont en avondmaalstafel mogen elkaar niet verdringen, is gezegd. Maar als de kansel, de plaats van de verkondiging des Woords, niet meer centraal vaststaat, maar zijn plaats moet opgewogen en overwogen worden in verband met doopvont en tafel en mogelijk nog een lessenaar, dan is hij al reeds in de hoek geplaatst, als iets, dat men eigenlijk maar liefst of grotendeels kwijt wilde. Prof. van der Leeuw moet dan eens gezegd hebben, dat de preek net zo goed achter de tafel kon geschieden. Het is te betreuren, dat Aanwijzing V op dit punt in het geheel geen „aanwijzing" is, maar een schouderophaling.

Feit is, dat de thans bedoelde vaste (en versierde) avondmaalstafel creatuur is van de Liturgische Kring, evenals de in een hoek verdrongen kansel; en dat hierop het odium rust van een on- Schriftuurlijke incarnatie-theorie. Een Gereformeerd mens heeft dan ook zulk gedoe niet nodig. De eerbied voor hetgeen het op zijn tijd gevierde H. Avondmaal betekent en schenkt, wordt waarlijk niet verhoogd door een elke Zondag te aanschouwen tafel, die aldus — 't is sterk gesproken — voor velen het aankijken, wel eens niet meer waard zou kunnen zijn. Er is in de geestelijke dingen geen aanzien, dat doet gedenken, vooral niet, als men op kruis en kaarsen moet zien. Een tafel zonder Avondmaal en Avondmaal-gangérs, is m.i. niet anders dan een lege huls.

Wat er nog meer aan een liturgisch centrum kan vastzitten, is het zo mogelijk aanleggen van een breed middenpad, dat rechtstreeks leidt naar het liefst enige treden hoger gelegen koor of centrum. Men hore even de hoogdravende taal hieromtrent: „Hoog liggende altaren, waarheen brede middenpaden op leiden, behoren tot de eis van de nieuwe bouworde. Ter Haar Romeny wil langs dit pad de kinderen ten Doop laten dragen en de aannemelingen in plechtige processie tot hun eerste Avondmaal laten opgaan, voor de ogen van de ganse gemeente. Vaandels zullen er langs gedragen worden, en het schrijden van de geestelijkheid langs zo'n „eindeloos" middenpad, is een der visioenen van deze Hervormde liturgie" (1).

Tenslotte doet de Gen. Synode aan 't eind van de onderhavige Aanwijzing nóg een misse zet. Deze: , , Daar in de Christelijke Kerk, ook in de tijd van de Reformatie, de gebedshouding de knielende is geweest, is het goed en allerminst onschriftuurlijk, door deconstructie der banken en stoelen hiertoe gelegenheid te geven". Zij werpt hier de twistappel der knielbankjes in het midden. Tenminste, er wordt nog door velen over gedelibereerd. Niet door ons, die slechts kunnen en willen weten van een knielhouding bij het gebed in de persoonlijke en verflborgen omgang met God. Het massaal en bij afspraak knielen op bankjes in de kerk is af te keuren, omdat het opgelegd en daarom vertoning is; ook, omdat aldus weer een stuk Roomse vormendienst wordt ingevoerd. Vandaar, dat men wel kan zeggen, dat er ook in Reformatietijd knielend is gdbeden. Maar men vergete dan niet, dat de mensen van uit Rome niet anders gewend waren, en dat al reeds de Nationale Synode van Dordrecht, anno 1578, niet van knielen wilde weten „om der superstitie (bijigeloof) ende het perykels wille (om het gevaar) van het broot aen te bidden". , , Niet onschriftuurlijk", zegt men. Maar uit het O.T. is ons bekend de staande houding, met ten hemel geslagen ogen, zoals bijv. Daniël, een enkele maal ook het voor God in het stof vallen (Abraham). Doch ook in het N.T. was de houding doorgaans staande (2) al komt hier en daar ook buigen en knielen voor. En zingen we al eens een psalm, waarin van knielen sprake is (95 : 4, , , Komt laat ons knielen voor de Heer' ", 138 : 3, , , Die needrig knielen"), dan is dit niet uitwendig bedoeld, maar geestelijk, als kniebuiging des harten. Evengoed zingen we Psalm 43 : 4, , , Dan ga ik op tot Gods altaren", zonder dat er een O.T. of een Rooms altaar bij betrokken is. Zo stemmen we met David in. Psalm 51 : 8, , , Zie, Gij- hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend".

, , En waar, naar een uitspraak van prof. van der Leeuw, met de zaak der liturgie de ganse theologie gemoeid is, zo is onze conclusie, dat het bij bouw en inrichting der kerk mede gaat om een theologische beslissing" (3). Wij voegen er bij , ook hier hebben reformatorisch beginsel en besef alléén te beslissen, en niet de modern-ingestelde mens.

1) Noordmans, "Liturgie", 1939, blz. 59

2) Bijb. Kerk. Woordenboek N.T. , dr. A. van Veldhuizen, 1920, blz. 104.

3) Lekkerkerker, a.w. blz. 75

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HEDENDAAGSE LITURGIE 12

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's