De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 40

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 40

11 minuten leestijd

40

PROF. DR. S. VAN DER LINDE ZONDAG 37

Welke regel volgt het gebed?

Tot nog toe heeft Calvijn nog niet gesproken over de inhoud van ons gebed. Daar komt hij. in deze zondag toe, door te opperen: Laten we nu spreken over de inhoud van onze gebeden. Kunnen wij alles vragen, wat maar bij ons opkomt of moeten we een bepaalde regel volgen?

Calvijn wijst hier aan, hoe het al te zeer staat met veel gebed. Onder de heidenen geldt deze tactiek, dat men in de offers aan de goden een weinigje toeschuift, om daardoor des te meer te kunnen terughalen. Dan heeft godsdienst niets meer van zelfverloocheninig, maar is hij verworden tot verfijnde (? ) eigenbaat. Onnodig te zeggen, dat zich dat in het gebed afspiegelt. Gebed naar heidense trant is de goden iets ontrukken of afdwingen, hoe meer, hoe liever. En daarbij bestaan dan nauwelijks grenzen: alles, wat maar begeerlijk lijkt, moeten de goden op deze goedkope manier bezorgen.

Calvijn is van mening, dat veel van een , , christelijke" gebedspractijk in zijn dagen van geen edeler gehalte is dan de hier getekende. En wij zullen niet licht zeggen, dat wij, 400 jaar verder, uit deze laagte zijn opgestegen in de hoogte. Veel van ons gebed is ook van die , , heidense" afdwingerij en gulzigheid; de poging, de Heere God voor onze wagen te spannen en Hem te laten uitvoeren, wat ons te pas komt.

En daartegen is de Reformatie, bijzonder de gereformeerde, immers een fel protest. De inzet ervan is immers Gods souvereiniteit, waartegenover wij onze plaats hebben te verstaan en dat kan alleen een bescheiden plaats zijn. In de vraag van Calvijn, die we zoëven afdrukten, komt dit aanwijzen van onze plaats zeer klaar uit. Kunnen we ons van alles aanmatigen of stelt onze Heere God vast, hoe het gaat in Zijn Koninkrijk?

Dat laatste kan alleen het geval zijn. Het antwoord luidt dan ook: Als wij onze eigen verbeelding (fantasie) zouden volgen, waren onze gebeden kwalijk geordend. Want wij zijn zo onwetend, dat wij niet kunnen beoordelen, wat goed is te vragen. Onze begeerten zijn dan ook zo wanordelijk, dat het een goed ding is ze de teugel vooral niet te vieren.

Zo wantrouwig staat Calvijn tegenover de mens, ook tegenover de godsdienstige mens. Wij leven in een fantasie-wereld, een wereld van zeepbellen, die rijk zijn aan prachtige kleuren. Maar ze barsten voor en na en dan blijft er niets over. Calvijn spreekt hier en gedurig over onze onwetendheid. Dat moeten we niet verstandelijk opvatten, want dan slaan we de plank mis. Het is een totale onkunde, dus ten hoogste een geestelijke. Geen wonder, dat zulke mensen niet weten te bidden, zoals het behoort. Want aIs onze begeerten los komen en we menen, dat ons gebed een middel is om ze te verkrijgen: wee ons! Dit wilde dier moet vooral achter de tralies blijven, moet getemd worden. Het moet vooral niet tot heerschappij komen, ook niet in het gebed.

Regel des gebeds is het Woord van God.

Dat geeft dus weer, wat er niet gebeuren moet. Dit leidt tot de vraag: Wat moeten we dus doen? Antwoord: God zelf moet ons onderwijzen, zoals Hij weet, dat het ons goed is en moet ons als het ware bij de hand leiden, zodat wij niet anders hebben te doen dan te volgen.

Dit antwoord werpt een kostelijk licht op de verhouding van God en mens. Het weerspreekt, dat bij Calvijn God alleen en vooral die Souverein is, die licht tot een tyran wordt, voor wie wij enkel kunnen beven. Calvijn ziet de verhouding heel anders en zijn ideaal is, dat wij op die vertrouwelijke wijze met onze Heere God verkeren, die in dit antwoord wordt uitgedrukt. Dat wil dus zeggen, dat de verhouding van Vader en kind niet wordt weggedrukt of opgeheven door de verhouding van Souverein en onderdaan. Calvijn acht 't dus, mèt Paulus, nodig, dat God, dat de Heilige Geest, onze onkunde te hulp komt. Dat vereist goddelijke lering (die weer niet verstandelijk, maar , , totalitair" te verstaan is), goddelijke leiding, die kan gevolgd worden.

Het gebed in de Schrift.

Meteen volgt nu de vraag: En welk onderricht heeft Hij ons dienaangaande gegeven? Het antwoord luidt: In de hele Schrift heeft Hij ons die zeer rijkelijk gegeven. Maar om ons nog des te beter op een bepaald doel te richten heeft Hij ons een vaste vorm (formulier) gegeven, waarin Hij in het kort heeft samengevat de dingen, die ons geoorloofd en nuttig zijn om te vragen.

Dat is, in de grond beschouwd, voor óns toch wel zeer verootmoedigend. In de wijsbegeerte (en theologie) worstelt men al eeuwen om de , , autonome" mens, d.w.z. de mens, die zichzelf tot wet en maat strekt. En in de kerk is steeds weer de , , mondige" christen aan de orde, aan wie dan toch iets kan worden overgelaten. Maar dit eenvoudige antwoord uit de catechismus blijkt van zulke , , autonomie" en mondigheid niet te weten noch te willen weten. De beoordeling van de christenmens, van de gelovige en wedergeborene, is een zèèr sobere. Wie toch altijd maar weer er van spreekt, dat de gereformeerden, vooral sinds Dordt, die herboren mens zo overbelasten en overschatten, moest toch beter weten. Op het gereformeerde erf is o.i. de Labadie wel het verste gegaan in de waardering van de krachten van de in Christus herborene. Maar ook hij heeft de veiligheidsklep van de , , geestelijke verlatingen"; de krachtige Elia van de Horeb komt vroeg of laat in de woestijn, onder de jeneverstruik terecht, zichzelf zo ten enenmale onvoldoende.

De verhouding van God en mens wordt dus wel ten zuiverste afgelezen in het gebed. Daarom neemt dat in heel de Schrift zo'n machtige plaats in, een onderwerp, dat o.i. nog wel eens aparte bewerking verdiende. En de Heere heeft het nog niet bij die overal verspreide aanwijzingen gelaten, maar al die stralen a.h.w. laten samenkomen in één brandpunt. Daar, zegt Calvijn, heeft Hij samengevat, a.h.w. in een abc boekje voor mensen, waar altijd alles bij moet, wat in het gebed een plaats moet en mag hebben en wat ons daarin tot werkelijke winst strekt.

Het Onze Vader.

We vatten wel, waarop hij doelt. Hij denkt aan het gebed, dat de Heere Jezus Christus aan Zijn discipelen geleerd heeft, het Onze Vader.

De leerling krijgt opdracht het op te zeggen. Dat gebeurt onder ons óók nog al eens, b.v. op catechisatie. Het wordt dan helaas meestal zo opgedreund en afgeraffeld, dat alle geest en leven er uitgeweken is en het doel van dit , , opzeggen" algeheel gemist wordt. Is het niet te vrezen, dat onze catechisatie-methode aan deze verarming zo moeilijk ontkomt? Het is levensnoodzakelijk, dat onze' catechisanten vrij veel uit Schrift, Belijdenis en historie in het geheugen prenten. Dat is een schat, die pas recht gewaardeerd wordt daar, waar ze ontbreekt. Maar het hart heeft het hoofd toch wèl te begeleiden. Beter nog: ze heblben a.h.w. te versmelten tot een eenheid, die heel onze persoon omvat.

Calvijn laat z'n leerling het Onze Vader weergeven. Hij leidt dat ook nog iets in: Die samenvatting is, wat onze Heere Jezus, toen Zijn discipelen vroegen, dat Hij ze onderrichten zou, hen ten antwoord gaf, dat ze aldus zouden spreken (Matth. 6 : 9; Luc. 11 : 1): Onze Vader die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome-. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaars. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid Amen. .

Gods Eer en ons heil.

Dit , , gebed des Heeren" wordt nu besproken. Dit wordt zo ondernomen: Zeg eens, tot beter verstaan ervan, hoeveel delen (artikelen) het bevat? Geantwoord wordt: Zes, nl. drie, die de Ere Gods op het oog hebben, zonder dat we daarbij onszelf op het oog hebben; de andere, die op ons betrekking hebben en ons welzijn en heil betreffen.

Die onderscheiding die intussen geen scheiding wordt: de ere Gods en ons heil, is voor Calvijn's hele bedoelen tekenend. Men heeft die nadruk op de ere Gods genoemd het grote gereformeerde dogma, dat alles draagt en stempelt. Dat laten we graag staan, maar wijzen er toch even gaarne op, dat dit zo strikt theologische gezichtspunt de mens niet uitsluit en vernietigt, maar juist insluit en draagt. Het geniale van Calvijn's Institutie is, dat hij de dogmatiek en de ethiek, geloof en leven. God en mens zo levend op elkaar betrekt, onderscheiden, maar vooral niet gescheiden. Dat zelfde vinden we in onze zondag. Het Onze Vader is vol van de Ere Gods, maar is daarom toch ook vól van het heil, dat God in Christus genadig bereidt aan mensen.

Gods Eer en onze zelfverloochening.

Dat gezichtspunt van de Ere Gods sluit in alle geval de zelfverloochening in. Dat is geen zelfvernietiging, maar wel oproep tot grote bescheidenheid. En dat ligt ons mensen, zelfs ons christenen, in de aard zeer moeilijk. God inderdaad God laten en zelf niet meer dan mens zijn, is het abc van alle geloof, maar tevens het xyz van hetgeen ons werkelijk eigen wordt.

Zo heeft Calvijn het verstaan, want in de nu komende vraag klinkt het door. Met haast iets van gekwetste majesteit wordt daar tegengeworpen: Wat: moet men iets aan God vragen, waarvan wij geen enkel nut hebben?

Deze vrager, én met hem elk mens, is van zichzelf geen echte theoloog, die het om de Heere alleen te doen is, want hij is een liefhebber van zichzelf en daarom zo geneigd, God en zijn naaste te haten. Dat lijkt wel zeer hard en onbillijk, dat wij mensen, die alles aan onze Heere te danken hebben, daarom ook geheel van onszelf zouden afzien en alleen op Zijn eer zouden uitzijn. Maar Calvijn werpt het over een andere boeg. Het zou ongetwijfeld zo moeten en mogen zijn: Gods eer tegenover ons heil. Maar, zoals, we al aanwezen: zo wil de Heere het niet. Vandaar dat Calvijn antwoorden kan: Het staat zo, dat God door Zijn oneindige goedheid alle dingen zo beschikt en ordent, dat niets tot eer van Zijn Naam kan strekken, dat niet tevens voor ons heilzaam is. Wanneer Zijn Naam dus wordt geheiligd, laat Hij dat uitlopen op onze heiliging; als Zijn Koninkrijk komt, hebben wij daar op welke wijze dan ook deel aan. Maar als wij deze dingen begeren en vragen, moeten we alleen op Zijn eer letten, zonder enigszins aan onszelf te denken of ons belang te zoeken.

Als het verstandelijk uit elkaar geplozen en gerukt wordt, komt de Ere Gods en het heil der mensen tegenover elkaar te staan. In onze kring vindt dat helaas al te veel plaats en dat brengt een harde, maar niet aangrijpende en inwinnende theologie mee. Zo'n theoloog is Calvijn geenszins. De Heere heeft ons mensen vrijwillig geschapen. Hij had ons niet nodig, maar wilde ons toch om Zich hebben. Als Hij Zichzelf en de mensen samenvoegde, wie zal dan de euvele moed hebben ze te scheiden? Calvijn zegt dan ook zeer terecht, dat in Zijn bewonderenswaardige wijsheid de Heere die twee zo verschillende dingen: Zijn eer en ons heil zo heeft verweven, dat ze niet meer los te maken zijn. Dat is nog eens een uitwerking van dit prachtige begin van zijn Institutie, waar hij op vergelijkbare wijze godskennis en zelfkennis ziet samengaan. Deze aanhef is veel geprezen, maar is ze ook gelezen en in practijk gebracht?

Prachtig en diep is tenslotte het eind van het gegeten antwoord. Hoewel dat zo is, moeten we toch de zelfverloochening nooit vergeten en onthouden, hoezeer onze waarde in onszelf en de waardering, die de Heere ons doet ten deel worden, verschillen. Zo moeten we nooit bij onszelf beginnen, om dan te pogen, daarna de Heere ook nog Zijn deel te geven, want dat lukt immers nooit. Eerst Gods Koninkrijk (Koningschap) ; al het andere is toegift. We hebben alleen te vragen, bij ons doen en laten, ons geloven en bidden, wat de Heere er van zegt en hoe het Hem tot lof strekt. Die Hem zo eren, zal Hij eren; alle anderen kan Hij alleen maar licht achten.

Boven alles en in allen: Gods Koninkrijk.

De leerling heeft het goed begrepen. Hij vraagt immers ten besluite: Zoals je het zegt, zijn de eerste drie beden ons zeer nuttig, maar moeten we er geen andere bedoeling mee hebben, dan dat God worde verheerlijkt. En het antwoord valt dat bij: Inderdaad. En hoewel de laatste drie bedoeld zijn om te vragen, wat voor ons van belang is, moet toch de Ere Gods ons daarin ter harte gaan, zó, dat die het einddoel van al ons vragen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 40

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's