De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 41

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 41

8 minuten leestijd

ZONDAG 38

Gods Vaderschap.

Na de inleidende opmerkingen, die we wel zeer hebben kunnen waarderen, vervolgt Calvijn met de opwekking: Laten we nu tot de uitlegging overgaan. Maar, eer we verder gaan: waarom wordt God hier genoemd Onze Vader en niet anders betiteld? Daarop wordt ten antwoord gegeven: Omdat het zeer nodig is, dat onze gewetens krachtig verzekerd zijn, noemt onze God zich, wanneer het gaat om bidden, met een woord, dat enkel zachtheid en genade inhoudt, om alle twijfel en verwarring weg te nemen en ons de vrijmoedigheid te geven, persoonlijk tot Hem te komen.

Ook dit antwoord kan doen blijken, dat Calvijn inderdaad geen wettisch man is, die door een opstapelen van vele voorwaarden de toegang tot het evangelie der genade zeer, zeer nauw maakt. Hij legt integendeel grote nadruk op de vaderlijke genadige gezindheid van God, die waarlijk onvoorwaardelijk genade schenkt, en dus werkelijk vlak tegen alle verdienen in. We hoorden hem de vorige, maal uiteenzetten, dat ons gebed niet tot een onbekende God mag gericht zijn, maar de zekerheid der verhoring niet kan ontberen. Hij wees ons ook aan, dat de grond van die zekerheid in ons niet ligt, maar alleen in Gods vrijmacht in de genade. Dit wordt hier bevestigd: opdat wij moed en hoop, ja zekerheid zouden hebben, heeft de Heere ons laten weten, dat we Hem, als we in Christus' Naam tot Hem naderen, met de naam van Vader mogen aanspreken. Die naam is vol goedheid en genade en wel geschikt, om de twijfel uit te bannen en, ziende op de Grote Hogepriester onzer belijdenis, met vrijmoedigheid ons te richten tot de troon der genade, verzekerd van hulp en heil te goeder uur.

De zekerheid der verhoring door onze Vader.

Die gedachte heeft Calvijn aangegrepen: dat de hoge en heerlijke God, de Heilige, Zich om Christus wil Vader, onze Vader laat noemen. Hij gaat er tenminste nader op in en vraagt verder: Zouden we ons dus zo persoonlijk tot God durven richten, als een kind tot zijn vader? Deze nadere vraag zou wel geschikt kunnen zijn om weer twijfelingen op te roepen. Maar die worden aanstonds neergeworpen: Ja, zelfs met grotere zekerheid, dat we zullen ontvangen wat we vragen. Want wanneer wij, die boos zijn, aan onze kinderen geen brood en vlees kunnen weigeren, wanneer ze er om vragen: zoveel te minder zal onze Hemelse Vader dit doen, die niet alleen goed is, maar de Opperste Goedheid zelf (Matt. 7 : 11).

We bevinden ons hier weer op het gebied van de geloofs- en heilszekerheid, dat Calvijn zo aangelegen is. We kunnen ook hier niet verzwijgen, dat deze echt gereformeerde heilszekerheid in de natijd, tot op heden, op een droevige wijze is ondermijnd en haast systematisch uitgeroeid. Wat daar de oorzaak van is, moet een ander maal eens breder worden onderzocht. We vrezen wel, dat hier geen religieuze gronden meewerken, maar een zeer wereldse filosofie. In de 17e eeuw kwam ook in ons land de wijebegeerte van Cartesius (Decartes) op. Hij zoekt naar laatste, onomstotelijke waarheid en bereikt die. door systematisch aan alles te gaan twijfelen, tot dat hij in die chaos op vaste grond komt te staan, als hij bemerkt, dat hij, ook nog als hij twijfelt, een „ik" is, met zelfbewustheid. Dit is dus de vaste grond: Ik denk, daarom ben ik.

Die cartesiaanse twijfelzucht hebben de gereformeerden (Voetius, Koelman) met grote kracht bestreden. Ze voelden er iets diep onbijbels en ongereformeerds in. Maar helaas kan niet ontkend worden, dat velen van hun geestverwanten die twijfelzucht zo niet onderkend hebben en ze integendeel hebben gekoesterd, alsof geloven en twijfelen hetzelfde waren. Ook Calvijn weet ervan, dat die twee elkaar gedurig ontmoeten. Hij zegt eens: Wie nooit heeft getwijfeld, heeft nooit geloofd. Maar naar hun wezen zijn geloof en zekerheid ten nauwste verbonden, zodat de christenmens de twijfel en onzekerheid niet moet koesteren, maar met alle kracht moet bestrijden.

Onnodig te zeggen, dat Calvijn in onze zondag daarmee krachtig bezig is. Aan het eenvoudig, ootmoedig gebed, dat al z'n moed alleen aan de Heere Christus ontleent en zo tot de Vader komt is een verhoring beloofd, veel zekerder, dan ons hart dat durft verwachten. Want wij, boos en ontaard, kunnen al niet koud blijven, als een kinderhand hongerig of verlegen tot ons wordt opgeheven. Maar onze Heere God, die geheel goed is, ja de Opperste Goedheid, kan het veel minder over Zijn grote, diepe hart verkrijgen, een verlegen bedelaar maar te laten staan.

Grods Vaderschap rust in Christus.

We liepen enkele passen voor Calvijn uit, doordat we al inlasten, dat de Vadernaam er om Christus' wil is. Dat wist Calvijn eerder dan wij, hij gaat er nu over spreken en vraagt: Kunnen we met deze Naam niet bewijzen, wat er gezegd is, namelijk dat ons gebed moet gegrond zijn in het tussentreden van Jezus Christus? De leerling antwoordt daarop gretig: Ja heel zeker, want God erkent ons niet als Zijn kinderen, dan wanneer wij leden (lidmaten) van Zijn Zoon zijn.

De , , rechten" van de aangenomen kinderen steunen geheel op het recht van de Eengëborene. Ze kunnen van Hem dan ook geen ogenblik worden losgemaakt. Daarom legde Hij ook Zijn discipelen de Vadernaam op de lippen en aan het hart en zonder Hem ware het gebruiken van die Naam een onbegrijpelijk brutale roof en aanmatiging.

Gebed geen zelfzucht. ,

Tot dus'ver kon het de schijn hebben, alsof het gebed des Heeren begon met de woorden: Mijn Vader. Calvijn sprak . immers van een persoonlijk tot God naderen. Toch bedoelde Calvijn geenszins de christenen te tekenen als eenspanners, die dan ook niet licht aan egoïsme ontkomen. Calvijn, zelf een zeer markante persoonlijkheid, is nochtans een zeer kerkelijk (en politiek) denkend mens. Dit betekent, dat hij met zichzelf te stellen heeft, maar daardoor toch niet wordt afgehouden van dat andere: En de anderen? Over die anderen gaat hij nu spreken. Hij laat vragen: Waarom noem je God niet „mijn Vader, maar: onze Vader", dus gemeenschappelijk? Daarop hoort hij als antwoord: Elk gelovige mag Hem wel persoonlijk en bijzonder de zijne noemen. Maar in dit gebed leert de Heere Jezus ons, gezamenlijk te bidden, om er ons aan te herinneren, dat we in ons gebed onze liefde moeten uitstrekken tot onze naaste en niet alleen voor onszelf moeten bezorgd zijn.

In dit antwoord is het persoonlijke en het gemeentelijke (kerkelijke) fijn verweven. Want het is duidelijk, dat dit tweede zonder het eerste niet kan bestaan! Maar dan ook omgekeerd: het persoonlijke wordt er door het gemeentelijke voor bewaard, tot (on)vrome zelfzucht te ontaarden. Wat blijken Wet en Profeten de mens, deze mens, die wij zijn, te kennen!

,Mijn Vader is Koning"

Wat betekent de toevoeging: die in de hemelen zijt? Antwoord: Dat betekent hetzelfde als wanneer ik Hem hoog, machtig en onbegiijpelijk zou noemen.

Calvijn heeft er eerder op gewezen, dat hij en alle christenen op „familaire" wijze met de Heere God mogen verkeren, nl. als om Christus' wil aangenomen kinderen. Dat betekent echter niet, dat deze omgang van Vader en kinderen familiair in de kwade, platte zin zou mogen worden! Juist de gereformeerde Reformatie legde hierop nadruk, terwijl Luther zich, juist in zijn gebed, veel meer kon laten gaan. Het verschil in deze tussen Calvijn en Luther heeft men eens fraai zo weergegeven: Voor Luther leeft het: De Koning is mijn Vader. Voor Calvijn: Mijn Vader is Koning! Dat betekent, zoals we zoëven zagen helemaal niet, dat de omgang van Calvijn en zijn God in het gebed afgemeten, koud en stijf is. Maar de verhouding Vader en (aangenomen) kind kan de verhouding Schepper en schepsel toch nooit doen vergeten. Dit doen ook die woorden van het Onze Vader , , die in de hemelen zijt" dwz. die grootmachtig, heerlijk en heilig zijt.

Waarom gebeurt dat? En welk doel heeft dat? Met deze slotvraag beëindigt Calvijn onze zondag. Het doel blijkt dit te zijn: Wij moeten leren, als we Hem aanroepen, onze gedachten omhoog te heffen, om ons aangaande Hem niets vleselijks of aards in te beelden en Hem niet af te meten naar onze bevatting of Hem te onderwerpen aan onze wil, maar in alle nederigheid Zijn heerlijke majesteit te aanbidden. Verder nog om des te sterker vertrouwen in Hem te hebben, waar Hij de Regeerder en Meester over alles is.

We moeten hier herhalen: Calvijn is het eerste hoofdstuk van zijn Institutie, dat handelt over Godskennis en zelfkennis, nooit vergeten. Ook in deze zondag niet. De vreze Gods, die voortvloeit uit de Vader-kind verhouding, is een heilige vreze. Als we ons verblijden, over wat de Heere ons in Christus wilde schenken, nl. dat Hij ons Zijn kinderen noemt, wordt die vreugde des heils nog verdonkerd door de verootmoedigende zelfkennis, die ons leert, wat wij in onszelf waren en zijn. Zo heeft die toevoeging: die in de hemelen zijt, aan de ene kant een temperende, louterende kracht. Tekenend intussen, dat dit Calvijn's laatste woord toch niet is. Hij voelt er ook iets in, dat opheft en een sterk vertrouwen geeft. Wat Zijne liefde wil bewerken, ontlzegt Hem Zijn vermogen niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 41

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's