DE DORDTSE LEERREGELS
Hoofdstuk II, artikel 7. Maar zovelen als waarachtiglijk geloven, en door de dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.
L VROEGINDEWEIJ
Het vorige artikel sprak er van, dat velen verloren gaan. Daar spreekt de H. Schrift ook van. Velen wandelen op de weg, die naar het verderf leidt. Het is slechts een kleine kudde, die de Heere Jezus om Zich heen vergadert. De ervaring bevestigt dit ten volle. Hoe komt dat? Is dit misschien alleen het geval met hen, die het Evangelie niet horen? Neen, ook onder degenen, die het Evangelie verkondigd wordt zijn er velen, die verloren gaan. Het maakt op hen geen indruk. Zij begeren Christus niet. Zij worden niet verslagen over hun zonden. Zij blijven dood voor het Evangelie, voor de dreigingen der wet Gods, voor de nodiging van Christus. Zij willen zich niet bekeren en willen zich niet laten bekeren. Dit komt voort uit hun eigen natuur en begeerte en overleg. Zij hebben de tegenwoordige wereld lief. Dat zij verloren gaan hebben zij aan niemand te wijten dan aan zichzelf.
Maar nu zijn er ook anderen. De Heere Jezus spreekt van weinigen, die de moeilijke weg ten leven vinden. Van nature zijn dat precies zulke mensen als de velen, die op de brede weg wandelen. Maar deze ondergaan een totale verandering. Op hen begint het Woord Gods een krachtige indruk te maken. Als zij tevoren trouwe kerkgangers waren en misschien strijders voor wat men noemt een gezond geloof en afkerig van wat wel eens een ziekelijke stroming wordt genoemd, komt er een dusdanige verandering, dat zij beseffen het ware geloof te missen. Zij worden verslagen over hun zonden, die hen te voren weinig of geen last baarden, zij voelen het ongenoegen Gods en zij beginnen te lijden onder de vervreemding van God in Christus. Zulken worden bedroefd over de hardheid van hun hart, zij voelen zich de genade Gods onwaardig, zij spreken het uit, dat God rechtvaardig zou zijn, als Hij hen genade weigerde en zeggen: Heere, doe maar met mij, wat goed is in Uw ogen. Hun onmacht wordt hun tot schuld en doet hen te sterker roepen om Jezus Christus. Zij krijgen een ander licht over de Zaligmaker, als de fontein, die tegen de zonde geopend is en worden Jezuszoekers. Maar ondertussen ondervinden zij, dat hun hart en natuur van de Heiland afkerig is en dat zij het niet eens kunnen zijn met de weg van vrije genade. Zij blijven maar zoeken om iets zelf te doen. Voorts voelen zij zich van rondom gebonden aan de wereld en daarom worden zij roepende om losgemaakt te worden en door Christus tot Christus te worden overgehaald. Want alleen Jezus trekt tot Jezus. Zulk een wordt tot het geloof gebracht. De Geest van Christus doet aan deze, die als een onwaardige roept en zucht en wacht, de bereidwilligheid, volheid en sterkte van de verhoogde Middelaar zien en doet hem geloven, dat Jezus zulk een nooddruftlge en ellendige hebben wil. Dus ontsteekt de H. Geest in deze zondaars een waar geloof, waardoor hij' Christus, onihelst.
Dusdoende lijdt het werk van Christus geen fiasco. Dat zou anders heel goed kunnen. Als men ziet op de velen, die zich van Hem afwenden, zou men gemakkelijk kunnen vrezen, dat allen zich van Jezus zouden blijven afkeren. Dit gebeurt echter niet. Waarom niet? Daar zorgt God voor. Hij doet Zich Zijn 7000 overblijven. Hij' behoudt een Rest. Doch hiermee maakt God onderscheid, waar geen onderscheid is. En dit is nu het puntje, waar het bij ons artikel om gaat. De Remonstranten, die in onze dagen op dit punt vele medestanders hebben, stellen met kracht, dat God voor allen gelijk is, doch dat de mens het onderscheid maakt. Zij verzetten zich met kracht tegen de gedachte, dat God enig onderscheid zou maken en de een zou onthouden, wat Hij de ander geeft. Daarmede verzetten zij zich tegen de openbaring, die God van Zichzelf geeft in de H. Schrift. Daar komt het telkens weer, dat God onderscheid maakt.
In Openb. 13 : 8 en 17 : 8 lezen we van de aanbidders van het beest, dat hun namen niet zijn geschreven in het boek des levens. Dit in onderscheid met hen, wier namen wel in dat boek staan geschreven. Men denke niet, dat de gelovigen hun namen daarin hebben laten inschrijven door hun daden b.v., want de aanbidders van het beest staan van de grondlegging der wereld af, niet geschreven in het boek des levens. Voor de grondlegging der wereld heeft God reeds onderscheid gemaakt. Sommigen stonden van toen af in het boek des levens, anderen niet. Efeze 1 : 4 zegt hetzelfde. Alleen van de heiligen en gelovigen staat daar, dat zij waren uitverkoren vóór de grondlegging der wereld om heilig en onberispelijk te zijn voor Jezus Christus.
Tussen Jacob en Ezau werd onderscheid gemaakt in overeenstemming met het voornemen Gods, naar de verkiezing. Dit onderscheid betrof hun verbond en hun verbondenheid met God. In Handelingen 13 : 48 is er het onderscheid tussen degenen, die geordineerd zijn tot het eeuwige leven en hen, die daartoe niet geordineerd zijn. Alleen de eersten komen tot het geloof. De Remonstranten stellen het zo voor, dat de mens dit onderscheid maakt. Christus heeft dan voor allen de mogelijkheid verworven om zalig te worden, maar de mens moet zich nu deze zaligheid toeëigenen. Hij moet met zijn z.g. vrije wil tussenbeide komen. Velen willen tegenwoordig voluit erkennen, dat God de bewerker der zaligheid is. Maar ergens moet de vrije wil des mensen het knopje omdraaien, waardoor God wordt toegelaten.
De belijdenis der kerk belijdt nog altijd, dat Christus niet alleen voor Zijn volk de zaligheid verworven heeft, doch deze ook toepast en alzo niet een halve, maar een volkomen Zaligmaker is. Dit moet wel, want hoe zou de mens, die midden in de dood ligt en in vijandschap tegen God leeft ooit tot Christus komen tenzij de Vader hem trekke? Ik weet wel, dat velen willen leren, dat iedere gedoopte de H. Geest ontvangt en zo genoegzame genade, maar in de eerste plaats leert de H. Schrift dat nergens en in de tweede plaats moet dan toch de mens weer de doorslag geven en kan hij zich met recht roemen, dat hij de man is, die het gedaan heeft. Hij heeft gewild uit en van zichzelf met de hulp Gods dan. Nog altijd staat helpende genade tegenover genade alteen uit genade alleen.
De Remonstranten, zeiden we, bepalen zich tot helpende genade. In de verwerping der dwalingen II, 6, lezen we over hun verklaring van het onderscheid dat er onder de mensen is en daar worden verworpen: , , Die het onderscheid tussen verwerping en toepassing daartoe gebruiken, opdat zij de omvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen zouden inplanten, dat God, zoveel Hem aangaat, alle mensen die weldaden, die door de dood van Christus verkregen worden, gelijkelijk heeft willen mededelen; maar dat sommigen vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen met, dat zulk onderscheid hangt aan hun vrije wil, dewelke zichzelf voegt bij de genade, die zonder onderscheid allen aangeboden wordt, en dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtig in hen werkt, opdat zij' zichzelf die genade boven anderen zouden toeëigenen. Want deze zich houdende alsof zij dit onderscheid in een gezonde mening voorstelden, trachten den volke het verderfelijk venijn van de Pelagiaanse dwalingen in te geven".
Hiertegen nu — ik hoef het niet te schrijven — zijn de Gereformeerden met kracht ingegaan. Het geloof in Christus zegt de Catechismus onzer kerk is een vrucht van de werking van de H. Geest. God werkt immers het willen en het werken naar Zijn welbehagen. De Zone Gods vergadert de uitverkorenen ten eeuwigen leven. Het geloof en de behoudenis ontvangen we uit Gods genade alleen. De wil van de zondaar wordt overgebogen om Christus aan te nemen. Hij wordt getrokken. Het geloof is een gave Gods. Van de vrije wil des mensen komt er niets bij. Zover de menselijke wil er bij komt is het een wil, die gewillig gemaakt is.
Het is reeds genade, dat iemand het Evangelie hoort en het is wederom genade als het uit genade gegeven wordt in Christus te geloven. En dan is uit God en door God en tot God al deze genade. De mens ligt dood in zonde en misdaden. Vele strijders voor de vrije wil zijn daar een sprekend bewijs van, daar zij het Evangelie van vrije genade verwerpen. De mens treedt nergens doorslaggevend op. Ene zucht om genade is reeds genade. De Geest maakt van dood levend, maakt de mens zich bewust van zijn goddeloosheid en verlorenheid, ontsteekt intiem een waar geloof. En wanneer is die genade begonnen? Wanneer is God begonnen Petrus en Paulus genade te bewijzen benevens al de gelovigen? Is dat zo bij de Almachtige opgekomen in de tijd van hun leven? Was dat een opwelling, die willekeurig werd uitgevoerd? Neen, die genade is van eeuwigheid gegeven. De Schrift spreekt van een uitverkiezing vóór de grondlegging der wereld en van een voornemen Gods. In 2 Tim. 1 : 9 vinden we de woorden van ons artikel terug, waar gesproken wordt van Gods eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen.
In de nooit begonnen eeuwigheid maakte God reeds onderscheid. Aan Petrus en Paulus en alle uitverkorenen gaf Hij Zijn gehele hart. Hij zag ze aan als gevallen in Adam. Hij had ze lief. Hiji nam Zich voor hen te zaligen. Hij gaf ze aan Zijn Zoon Jezus Christus, opdat Deze voor hen zou lijden en sterven. Uit deze eeuwige genade vloeit voor elke uitverkorene alles voort. Want Gods eeuwige liefde tot de uitverkorenen betekent niet, dat de genoegdoening en verdienste van Christus overbodig is. Integendeel. Deze is er van het begin af bij. Zij hebben genade in Christus ontvangen.
Mag de Heere God zulk een onderscheid maken? Daarop antwoordt de Schrift: O mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Of heeft de pottebakker geen macht over het leem? Is God u of mij iets schuldig? Ja maar, die arme ongelovigen dan? Die gaan verloren om hun eigen schuld. Zij hebben zelfs niet anders gewild. Zij waren wel schuldig om zich te bekeren tot God, maar God is hen niet schuldig om hen te bekeren. Waarom die wel, en die niet? Dat is voor ons verborgen. God is vrijmachtig om te laten in het verderf en het is voor ons ondoorgrondelijk, waarom Hij sommigen verlost en anderen voorbij gaat. Maar Gods doen is niet bovenzedelijk of met enig filosofisch woord als daemonisch of irrationeel of antlnomisch te benoemen. Zijn doen is wijs. Zijn Vonnis gans rechtvaardig. Het is volkomen begrijpelijk, dat er mensen verloren gaan en het is een onbegrijpelijk wonder, dat er in Christus nog enige behouden worden. Doch ook hier heeft God Zijn gerechtigheid en wijsheid in Christus onbegrijpelijk groot doen uitstralen.
Wat een wonder, dat er zalig worden.
L. V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's