HEDENDAAGSE LITURGIE 13
De nieuw-modische liturgie heeft zich uiteraard óók bemoeid met kerklied en kerkzang. Wij wisten wel, dat onze psalmberijming van 1773 niet volmaakt was, evenmin als de hooggeachte Statenvertaling des Bijbels van 1637; maar mogen toch niet verbergen, dat daarin geestelijke schatten liggen opgetast, waarbij voorgeslachten hebben geleefd, waardoor zij zijn getroost en gesterkt en Gods kinderen bevestigd in de hope des eeuwigen levens. Over de nieuwe Bijbelvertaling straks het een en ander.
Nu eerst wat over de psalmen. De berijming van Datheen heeft zich ruim 200 jaar kunnen handhaven, ondanks alle dichterlijke en andere gebreken. Maar Datheen had ons de vertaling van de Heidelbergse Catechismus gegeven, en daarom sloeg ook zijn psalmberijming in, vooral omdat beide in één band in 1566 werden uitgegeven. Het geestelijk lied werd al aanstonds, op het voetspoor van Calvijn (1539), gezocht in de Psalmen, niet in het z.g. vrije lied, omdat in de Psalmen zich openbaarde het leven des geloofs van Gods-Kerk vanouds, en dat onder de drang des H. Geestes. Geheel in aansluiting aan het beginsel der Zwitserse reformatie, die hier al meer veld won op de Lutherse, zijnde ook meer overeenkomstig eigen volksaard, „om het volle en innige herte in heilige woorden te ontlasten en uit te spreken, en de siele in troostrycke en leersame liedekens te vermeyen" 1).
Maakte men eerst nog gebruik van door Luther vertaalde psalmen, zelfs van liederen der Doopsgezinden, in die vroege tijd, sedert 1540, greep men algemeen naar de (reeds vermelde) Souterliedekens (psalmen) van Willem van Zuylen van Nijevelt, heer van Bergambacht, en daarna vooral naar de zeer goede psalmberijming van Jan Utenhove uit de vluchtelingengemeente te Londen (1551, 1561). Marnix, heer van St. Aldegonde, gaf in 1580 een mooie berijming, en geheel volgens de grondtekst. Desondanks bleef die op de achtergrond. Utenhove had 17 jaar en Marnix 10 jaar aan zijn berijming gearbeid. Het moet voor die mannen, vroom en vroed, wel een grote teleurstelling geweest zijn, toen hun levenswerk zo weinig scheen gewaardeerd te worden. Doch Utenhove overleed al in 1566. Marnix evenwel eerst in 1598, en hij, de leerling van Calvijn, die gezegd werd met het Hebreeuwse Oude Testament in de zak te lopen, moet de achteruitzetting wel diep hebben gevoeld, ondanks Datheen zelf had aangeraden, dat men toch Marnix' berijming zou gaan verkiezen boven de zijne, die met grote haast was gemaakt; soms in afwijking van de grondtekst, en hem als , , een ontijdige geboorte" was , , afgedrongen".
Maar eerder al haden de synoden, van Wesel (1568), Emden (1571) en Dordrecht (1574), bepaald, „dat de Psalmen Davids van Petro Datheno overghezet, in de christelycke samencomsten der Nederduytschen kercken, gelyc men tot noch toe gedaen had, zouden gesonghen worden" 2). Dit werd nu herhaald en bevestigd door de synoden te Middelburg (1581, toen Marnix' berijming juist verschenen was), te 's-Gravenhage (1586) en tenslotte te Dordrecht (1618/19), die nog toevoegde, dat , , alle overige gezangen uit de kercken geweert werden".
Door deze mededelingen is het mij er om te doen, te laten zien, dat bij het volk schoonheid van vorm en zuiverheid van taal niet zoveel gewicht meer in de schaal werpen konden, toen men zich eenmaal vertrouwd had gemaakt met het werk van een man als Datheen, van uit Gent bekend om zijn tegenstand tegen Prins' Willem I (en dat was jammer, en heeft daarna zijn levensloop een verkeerde wending gegeven), maar die, geheel en al van de kracht van Gods Woord doordrongen, vurig daarvan getuigde, en een hevig ijveraar was voor de eer des Heeren en het welzijn van Gods vervolgde kerk in zijn dagen. Zwerver van Gent naar Londen, en vandaar met de vluchtelingengemeente over Denemarken naar Frankfort en Frankenthal, dan telkens weer in Holland, ook als voorzitter van Synoden, en eindelijk toch weer naar Gent terug, daaruit gevlucht en na hier en daar vertoefd te hebben, te Staden aan de Elbe, als geneesheer, gestorven, 1588 3). Hij was „door dezen verdoemd, door genen schier aangebeden", zegt Schotel, in elk geval zeer geliefd bij het volk, toen hij in 1566 in Antwerpen terugkwam uit Frankenthal en daar zijn Psalmboek meebracht, dat aanstonds grote invloed kreeg, en zonder veel moeite in de meeste Gemeenten onder het kruis de in gebruik zijnde overzettingen verving. De kracht des geloofs van de man vond men ook in zijn boek. Het zou 't anders niet zo twee eeuwen uitgehouden hebben, daar de rijm onbeholpen en zijn woordkeus soms erg aanstotelijk was.
Op te merken is voorts, dat de kerk herhaaldelijk besloot, zoals op de nationale synoden van Dordrecht (1578), Middelburg (1581) en 's-Gravenhage (1586), , , dat er in de godsdienstoefeningen geen gezangen zouden gebruikt worden, die in de H. Schrift niet gevonden werden". , , Van het begin af was men hier tegen het zingen van bijzondere liederen in de kerken" (4). , , Het zingen van psalmen, reeds in Frankrijk gebruikelijk, vond ingang; doch opzettelijk opgestelde christelijke kerkliederen bleven uit" (5). Dan vinden wij ook nog, dat Marnix in de voorrede van zijn psalmberijming te kennen geeft, dat hij niets anders in de gemeenten wil gezongen hebben dan datgene, , , dat uyt de heylige geloofweerdige Schriften des Ouden ende des Nieuwen Testaments eygentllck getogen is, opdat onzen naekomeiingen niet en worde stoffe ende oorsaecke gegeven, om een yegelick nae zijnen eygen sin Gebeden ende Lofzangen te dichten" (6). Een en ander tekenend voor het gereformeerde volkskaraktervan die tijd, toen vooral in Lutherse landen veel, , vrije liederen"gevonden werden, waarvan men hier blijkbaar geen copy wilde hebben, en waaraan ook geen behoefte bestond. Wij komen daar nog op terug. Men had destijds ook christendichters in eigen land, zoals bijv. D. R. Camphuysen, die wel goede liederen heeft gemaakt, maar ook andere, waarvoor men zich hoedde vanwege de remonstrantse inslag. Verder bijv. een goed Geref. man als Jacobus Revius, maar ook diens liederen en zelfs zijn verbeterde psalmberijming van Datheen (1640) kwamen niet in kerkelijke overweging. Al de gereformeerde kerken, die onder Calvijns invloed stonden, hielden zich aan de Psalmen, waarbij dan eventueel de berijmingen van de Wet des Heeren, de Lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon, en van de apostolische Geloofsbelijidenis. Zo de kerken van Duitsland, Zwitserland, Frankrijk, Schotland, en gedurende Eduard VI, ook Engeland (7).
Zo kan het nu duidelijk zijn, dat, naar mate het reformatorisch besef verslapte en men geestelijk al minder zich kon vinden in het geloofsleven, door de psalmisten vertolkt, men er op uit was, om vrije liederen te verkrijgen, meest luchtiger en uitingen van vaak ongefundeerde en on-Schriftuurlijke godsdienstigheid; een en ander leidde tot vervreemding van de gezonde leer en van het geloof der vaderen (8). Dat laatste behoeft en mag men echter niet toepassen op de psalmberijming van 1773, welke die van Datheen moest vervangen. Het was al lang een uitgemaakte zaak in allerlei kring, dat diens berijming het niet meer , , deed", ook om haar gebrekkig en vaak duister nederlands voor een groot deel niet meer werd verstaan en begrepen. Alleen, de tijd, waarin en de wijze waarop de nieuwe berijmlnjg tot stand kwam, deden aan de zaak geen goed. Evenmin het toen nog verkeerde verband tussen Staat en Kerk. Daardoor kwam het, dat tenslotte de Staten bepaalden, dat er een nieuwe berijming moest komen, en zelfs aangaven, van welke dichters en berijmingen men gebruik moest maken. Dit werd toen minder vreemd gevonden dan thans. Vergeten we niet, dat ook in de Dordtse Kerkorde zich de Kerk de overheidsbemoeiïng in velerlei opzicht moest laten welgevallen, vooral bij het beroepen van predikanten, en dat deze Kerkorde, door de tegenwerking der libertijnse ( = remonstrants-gezinde) overheid slechts, in 3 provincies ingang kreeg: Utrecht, Gelderland en Overijsel; afgewezen werd door Holland en Friesland, en Groningen en Zeeland zich eenvoudig hielden aan vroegere kerkelijke wetten, terwijl nota bene! Drente in 1638 nog een eigen kerkorde opstelde. Dit wijst er op, dat ook toen nog niet de kerk haar eigen zaken vermocht te regelen. Zo is men doorgesukkeld, tot 1773 een vernieuwde psalmberijming aan de orde kwam.
Een paar dingen wil ik hierover zeggen, in verband met het in de laatste tientallen jaren gehoorde geroep en de aangewende poginigen voor een psalm berijming, die geschikt zou zijn voor onze tijd (daar die van 1773 verouderd en onzuiver, wat de grondtekst betreft, heet), en waardoor we nu gekregen hebben de Psalmbundel van ds. H. Hasper, vroeger pred. in Hersteld Verband en thans em. Herv. pred., en de nieuwe bundel van 110 psalmen van de Interkerkelijke Commissie, die enkele weken geleden is uitgekomen.
1) Dr. G. D. J. Schotel, „De openbare Eredienst der Ned'. Herv. Kerk", 2e druk, bliz. 3B2.
2) Schotel, a.w. blz. 324.
3) Volledige levensbeschrijving in Biografisich Woordenboek van' Protestantse Godgeleerden in Nederland, van dr. J. P. de Bie en mr. J. Loosjes, II, blz. 383 w.
4) J. Kulpier, „Geschiedenis van het godsdienstig en 'kerkelijk leven van bet Nederlandsche Volk", 190O, blz. 124.
5) Dr. J. H. Kurtz, „Leerboek der Kerkgeschiedenis", 1904, blz. 260.
6) Prof. dr. J. Severijn, „De Gezangenk'westie!", 2e druk, 1933, blte. 18, 19. Over de gehele kwestie overigens zeer onderrichtend.
7) Severijn, a.w., blz. 15.
8} Severijn, a.w., blz. 20.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's