DE KERKELIJKE TUCHT 2
Referaat gehouden op de predikanten-contio van de Gereformeerde Bond, op 7 januari 1959
Stelling III :
Het feit, dat onze Heere de geestelijke politie geleerd heeft in Zijn Woord, stelt enerzijds de grenzen, waarin de geestelijke familiegemeenschap zich bevindt, en stelt anderzijds de schriftuurlijke normen, waarnaar gehandeld moet worden met hen, die zich buiten deze geestelijke gemeenschap begeven.
Stelling IV :
De bestraffing van de overtreders kan alleen een geestelijke zijn en moet in de eerste plaats beogen de troost en de bescherming van de goeden, in de tweede plaats de genadige berechting van de bozen.
Laat mij, gelijk de Dordtse Leerregels, twee artikelen samen mogen nemen. De uitdrukking , , onze Heere" in artikel 30 stelt de gemeenschap van de geestelijke familie. De kerk, niet een vereniging, niet een groep gelijkgezinden, de Kerk staat onder haar ene Hoofd, Christus. Wij hebben niet een kerk van Ezau en een kerk van Jacob onder één dak, althans dat willen wij niet en dat kan niet. Wel hebben wij een kerk van Efraïm en van Juda onder één dak. Wel hébben wij, een kerk van Paulus, van Cefas, van Apollos, van Christus, onder één dak. En het is een oordeel en een zonde, als de kerk binnen het raam. der belijdenis verdeeld en verscheurd is. Prof. Veenhof heeft aan het adres van de bezwaarde Gereformeerde kerken (vroeger artikel 31) en aan dat van de Chr. Gereformeerden gezegd, dat men de grenzen der kerk niet mag verwijden en niet mag vernauwen. Dat wil ik hij de behandeling van de tucht in volle ernst zeggen. Het is een tere aangelegenheid om de grenzen der kerk te zien, dat is geloofswerk ! Het stellen van de grenzen is alleen aan onze enige Heere. Wat de kerk alleen kan doen, dat is de grenzen bewaren en duidelijk zichtbaar houden.
Gevoelsmotieven mogen hierbij niet spelen. Of het zou moeten zijn, dat gevoelen, dat ook in Christus Jezus was, wat ook in ons zij. En dit gevoelen is wat anders dan gevoel. Onze Heere heeft ons dat geleerd in Zijn Woord. Nu zijn er in het Woord dingen, die aan het oordeel der gelovigen worden gelaten, dingen, waarover een ieder in zijn gemoed ten volle verzekerd moet zijn. Deze dingen zijn in het algemeen te zien als dingen, rakende de onderhouding van geboden, als die op het Apostelconvent behandeld zijn, en als die, welke de Apostel aansnijdt over het onderhouden van dagen en maanden. (Gal. 4). Maar ook leerstellige dingen komen hierbij wel in aanmerking. Ik denk aan de wijze waarop de Dordtse Leerregels het infra- en supra-lapsarisme behandelden. Er zijn echter indiscutabele geloofswaarheden. Het credo, het Niceanum, het Athanasianum. De oud-christelijke belijdenissen dus, waarbij de patres een duidelijk anathema hebben uitgesproken. Maar wij hebben in onze Nederlandse Gereformeerde Kerk meer. De belijdenis der drie formulieren is ons heilig en lief. Al heeft de kerk van Dordrecht deze belijdenis aanvaard, met revisiemogelijkheid, bindend is deze belijdenis zolang geen revisie des geloofs is aangebracht. Ik zeg , , revisie des geloofs", omdat niet elke revisie aanvaardbaar zou zijn. En behalve dit, deze belijdenis drukt nog heden wezenlijk ons geloof uit. Dat voelen wij in ons hart. Dat zien wij in ons leven en in het leven van de ware kerk. Daarom is dit voor ons na de Schrift zelf evenzeer het indiscutabele. Dit hebben wij te handhaven uit zorg voor hen, die van de kerk zijn. Dit hoge goed heeft onze Heere ons naar Zijn Woord gegeven, om het voor de kerk te bewaren en om dat aan de kerk eigen te maken. Onze predikanten doen goed, dit jaar aan jaar te bestuderen en door te geven aan de gemeente in prediking en catechese. De beste en meer algemene commentaar bij het vervaardigen van de preken, is de belijdenis. Hierbij zal onze prediking afgebracht worden van oppervlakkige modesnufjes ter linker-, van ziekelijke en grillige allegoresen ter rechterzijde en. zij zal gebracht worden op de grote lijnen van de Schrift. Dit dan tot meerdere troost en bescherming van de goeden !
Gaan wij met deze wapenen degenen, die zich buiten deze geestelijke gemeenschap begeven, te keer, dan doen wij dat niet als grenswachters, die alleen maar grenspalen bewaken. Voor velen is de belijdenis niet veel meer dan een rij grenspalen. Waar de liefde van Christus en de liefde tot de belijdenis dringt, daar zoekt men hen, die dwalen, tot dit goed terug te brengen of na anderhalve eeuw tuchteloosheid voor het eerst te brengen. Daar is een belofte voor hem, die geestelijk tucht oefent. 'Deze namelijk : , , Als iemands wegen de Heere behagen, dan zal Hij zelfs zijn vijanden met hem bevredigen". Wie alleen maar grenswachter bij. de palen wil zijn, zal allicht ook het zending drijven nalaten.
Stelling V.
De tucht, die de enige Meester, Christus, geordineerd heeft, gaat trapsgewijze uit van de drie ambten, die in de kerk functioneren en raakt tenslotte het ambt aller gelovigen.
Wij gaan uit van de gedachte, dat de ambten der kerk niet opkomen uit het ambt aller gelovigen.
In de Hervormde Kerk stelt men zich meer en meer op dit kwalijke standpunt. Wij weten tot welke gevolgen dit geleid heeft bij de toelating van de vrouw tot de ambten. Christus leidt Zijn gemeente door de ambten, die Hij Zelf heeft ingesteld en waarin Zijn drie ambten functioneren. In onze onderscheidene ambten zijn wij slechts dienaren van Hem. En door deze ambten doet Christus in het grondvlak der kerk, namelijk de gemeente, Zijn persoon gestalte aannemen en ook Zijn drievoudig ambt gestalte aannemen. Wat in Hem één is, dat divergeert in de ambten der kerk en dat convergeert weer in elke christen. Aan dat ene en bijzondere regeerambt der ouderlingen is het opzicht over de kudde toebetrouwd. In art. 30 worden de ouderlingen of oudsten dan ook Opzieners genoemd. Aan hen bijzonder is de oefening van de tucht toebetrouwd. Hanteren de dienaren des. Woords in de eerste plaats de eerste sleutel, de opzieners hanteren in de eerste plaats de tweede sleutel. Aan hen is ook opgedragen het toezicht op de leer van de dienaren des Woords en dan vanzelf ook het toezicht op de leer en het leven der gemeente. Waar de ouderlingen in het begin reeds hun taak verstaan bij, het dienst doen vóór, onder, en na de prediking des Woords en de bediening der sacramenten, daar zullen zij een heilzame schrik kunnen zijn voor de ontrouwe predikers. En waar zij getrouw zijn in het bezoeken der gemeente en in het onderzoeken van de geesten, die er in de gemeente zijn, daar kunnen zij een heilzame schrik zijn voor de onvaste en dwalende geesten in de gemeente. Dit zal altijd een blijvende activiteit en strijd met zich brengen voor de ouderlingen. De bede om „moed" (kloekheid) in het bévestigingsformuiier is wel zeer op haar plaats. Aan de tuchtoefening in het algemeen ontkomen ook de beide andere ambten niet. Al is aan de dienaren des Woords niet in de eerste plaats aanbevolen opzicht over de gemeente te houden, hun is de bediening des Woords en der sacramenten toebetrouwd naar art. 30. In deze bediening des Woords hanteren zij de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen. Bij de bediening der beide sacramenten komt ook de censuur over de gemeente, waar nodig, aan de orde. Zo worden ook zij bij de kerkelijke tucht betrokken. In de prediking des Evangelies heeft men zelfs te doen met een openbaar tuchtoefenen en de prediking is menigmaal bij uitstek oorzaak geweest van kerkelijke procedure's. Ook het diakenambt ontkomt niet geheel aan het opzicht houden over de gemeente. Het is u bekend, dat er lang geaarzeld is het diakenschap bij de ambten te rekenen. Ook bij de invoering van onze kerkorde is deze quastie nog in het geding, geweest. De artt. 30 en 31 rekenen de diakenen wel onder de ambten. Als leden van de Raad der kerk en ook met de troostelijke redenen uit Gods Woord raakt hun ambt aan de oefening van tucht over de gemeente.
Door deze ambten heen raakt de tucht echter tenslotte het ambt aller gelovigen. Mattheüs 18 : 15—18 leggen de eerste aanleg tot de tuchtoefening niet in de handen van de kerkeraad, maar in die der broeders, in die van de leden der gemeente. In zovele gemeenten onzer kerk, waar de prediking niet rechtzinnig is en waar de kerkeraad bezet is door niet rechtzinnige kerkeraadsleden, zou van een oefenen van kerkelijke tucht geen sprake kunnen zijn. Daar zullen nog niet vele heterodoxe gemeenten zijn, waar geen enkel rechtzinnig lid woont. De moeilijkheid voor zo'n eenzaam lid is niet slechts dat hij niet of moeilijk kerken kan, maar vooral dat hij zich te weren heeft tegen de wolven in de schaapskooi van Christus. Wel heel schril moet zo'n lid gevoelen, wat het zeggen wil te staan als gemeente (want dat is hij, ook al is hiji alleen) temidden van de wolven, naar Christus' belofte. Hier ligt een roeping Gods.
Al te veel verwachten wij de aanpak tot de tucht van de niet te adresseren „men" en al te veel verwachten wij de aanvat van de haeresie van de hoogste vergaderingen der kerk. Dit is altijd een vruchteloos spreken, omdat men daardoor voorbijziet de roeping, die Christus gaf in Zijn tucht-opdracht, en die roeping ligt bij de gemeente.
En deze tuchtoefening behoeft niet te wachten tot het jaar 1961.
Stelling VI.
De tucht der kerk, gaande over leer en leven, raakt bijzonder dat punt, waarin leer en leven elkander in het kerkordelijke kruisen.
Wat ik met deze stelling bedoel, is dit. De leer van het Evangelie is èèrst. Na de zondeval deed God Zijn Woord uitgaan tot de gevallen mens. Daar ontstond de gemeente en het leven der gemeente, dat om ordening vroeg. In deze oergemeente komt bij Seth en. Enos óp de eredienst als men de Naam des Heeren begint aan te roepen. Bij. Abraham ging het roepende woord van God uit. Dit kahal werd bij de Vader der gelovigen tot een ecclesia en Abraham richt een altaar op. De eredienst, de dienst der gemeente begint. Bij Mozes roept God Zijn Zoon Israël uit Egypte en op Sinaï spreekt Hij Zijn , , Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland uit, het diensthuis uitgeleid heb". En aan de voet van de Sinaï richt Mazes de tabernakel op.
In het Nieuwe Verbond roept Christus Zijn jongeren en de dienst van het Nieuwe Verbond wordt ingesteld. De Apostelen gaan de heidenwereld in met het Evangelie. Als de gemeente daaruit ontstaat, vraagt dat leven der gemeente om ordening. In de orde regels der kerk is altijd de leer der kerk verdisconteerd en deze regelt het leven der gemeente. Omgekeerd vraagt de geloofsgehoorzaamheid van Gods gemeente naar de practische weg der gehoorzaamheid.
Ik ben zo naar mijn uitgangspunt weergekeerd, en stel, dat het leven des geloofs naar zijn aard moet vragen naar zulke regelen, die metterdaad dat geloofsleven leiden in de banen des geloofs. Dat kunnen nooit anders zijn dan die regelen, die aan de bron van het geloof, dat is Gods Woord, rechtstreeks ontleend zijn. Daarmee zijn onbruikbaar al die regelen, die niet uit het geloof zelf opkomen en die niet uit het geloofsobject (dat is Gods Woord) zelf zijn genomen. Zo moet het geloof botsen met onschriftuurlijke ordeningen. Anderzijds is aan de gehoorzaamheid aan Schriftuurlijke kerkordeningen het geloof te toetsen. Men moet weten, hoe men in het huis Gods heeft te verkeren. En men kan omgekeerd aan die gedragingen aflezen, of iemands geloof het ware is. Als de ongeregelden vermaand moeten worden, dan zijn die ongeregelden zij, die de ordeningen der kerk veronachtzamen of overtreden. Een kerkorde is niet een wettische aangelegenheid, met zo- en zoveel artikelen van een kerkelijk wetboek. Een kerkorde staat in het snijpunt van leer en leven. Daarom behoort het niet slechts tot het welwezen, maar tot het wezen der ware kerk, zo zij de tucht handhaaft. Van de drie merktekenen uit artikel 29 is het gebruik van de kerkelijke tucht wel het laatste, maar daarom niet minder dan het eerste en het tweede. Als Spreuken 5 : 23 zegt, dat de goddeloze zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, dan is met een variant op dit woord te zeggen, dat de kerk zal sterven, als zij zonder tucht geweest is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's