Uit het Oude Testament DE GROTE DROOGTE 3
Het gericht is onherroepelijk; de voorbede wordt afgesneden. (VS. 11—16).
In hoeverre dit gedeelte direct samenhangt met het voorafgaande over de grote droogte is niet uit te maken; over de droogte wordt met geen woord meer gesproken, wel over de zware plagen, die over het volk zullen komen en die in het begin van het volgende hoofdstuk een haast apocalyptisch karakter dragen. De Stateinvertalers hebben dit gevoeld, als zij vers 11 beginnen met: wijders, waardoor een lossere verbinding mét het voorafgaande wordt gelegd en een zekere afstand tussen deze verzen (vs. 11 e.v.) en de voorafgaande wordt aangeduid.
Hoe dit ook zij, wij vinden in deze verzen een zelfde geestelijke situatie; Israël roept tot de Heere, maar het berouw is niet echt en daarom worden de offers niet aanvaard. Hoz. 8 : 13.
Nu staat de profeet tussen God en Zijn volk; Jeremia komt op voor de ere des Heeren; hij kan zijn God niet loslaten, die de profeet heeft afgezonderd, gekend en geheiligd en hem tot een profeet heeft gesteld. Maar evenmin kan hij zijn volk loslaten; hij ziet het volk de verkeerde kant uitgaan, het verderf tegemoet en hij gunt hun de genade en niet de ondergang. Maar het is toch hun eigen schuld? Zij willen toch niet anders? Trek uw hand van hen af, Jeremia! En het is juist door zijn innige liefde, dat hij dat niet kan. Die liefde is het, die hem doet spreken; het zoude van weinig barmhartigheid getuigen, als hij het Woord Gods zou verzwijgen en zijn ambt zou laten bepalen door persoonlijke wensen der mensen. Zulk een profeet zou het volk wel willen en die vindt het dan ook. Maar Jeremia is er de man niet naar om ziöh te laten gelijkschakelen en profeten, die komen met een Woord Gods, dat eigen willen en wensen doorkruist, kan het volk niet gebruiken.
Liefde dringt Jeremia het harde woord van oordeel en gericht jaren achtereen te verkondigen; liefde is het ook, die hem drijft tot voorbede, priesterlijke dienst, die hij niet laten kan.
Het gebed is een onbegrijpelijk voorrecht; dat leeft in het hart van wie iets verstaat van het: Ik heb het gewaagd tot U te naderen (Gen. 18 : 27). Maar het gebed is ook heilige roeping en schuldige plicht, waarin de Heere erkend wordt als Gever van alle goede gave, waarin de bidder zijn diepe afhankelijkheid beleeft. In het gebed nu is de voorbede begrepen. Wij zijn geen losse individuen, die niets met elkaar te maken zouden hebben. Immers, zegt Calvijn, het behoort tot de voornaamste plichten der liefde om voor Gods aangezicht verontrust te zijn voor de ander. Belijdt elkander de misdaden en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. Jac. 5:16. Het gebed des Heeren kent de voorbede: Onze Vader, die in de hemelen is; geef ons heden ons dagelijks brood; vergeef ons onze schulden, leid ons niet in verzoeking.
Paulus houdt niet op voor de gemeente van Colosse te bidden en te begeren, dat zij vervuld mag worden met de kennis van God's wil. De apostel wil, dat er niet alleen gemeenschap der heiligen zij in de gave, maar ook in den gebede en in de dankzegging (2 Cor. 4 : 15). De roeping tot voorbede gaat ver: Paulus vermaant, dat er gedaan worden smekingen, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en allen, die in hoogheid zijn , , Een gemeente, die in staat zou zijn dit voorschrift op te volgen, zou in de wereld zijn, wat de brief van Diognetus uitspreekt: hetgeen de ziel is voor het lichaam, dat betekent de christenheid voor de wereld, die haar haat" (Gunning). Waarom is er zo weinige voorbede? Omdat er zo weinig gemeenschap is, zo weinig binding aan de naaste. , , Een gemeenschap, die ons samen in één nood werpt en samen naar één redding doet uitzien en dat op zulk een wijze, dat het leed van de ander mij drukt en de vreugde van de ander mij tot dankzegging uitdrijft" (Kuyper).
De wereld wordt geregeerd door de gebeden van Gods kinderen. Als nu van de voorbede zulk een machtige kracht uitgaat, hoe erg is het dan, als hier aan Jeremia de voorbede wordt ontzegd. Als het volk de profeet alleen laat staan in diens, bidden, dan zal die voorbede ophouden. Van Israël geldt: Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten zoudt doorbrengen (Jac. 3:3). Eigenlijk is de hele godsdienst van Israël comedie; men zoekt met God een spel te spelen, maar de Heere ziet achter de gemaskerde aangezichten. Zij hebben niet begrepen, dat het gebed de zonde uitdrijft of de zonde het gebed verstikt. Israël zal het met de Heere klaar spelen door woorden en nog eens woorden, door offers en nog eens offers. In hun bidden zoeken zij de Heere niet; zij willen hulp in uiterlijke nood. Het gaat hun niet om Gods gemeenschap; zij willen niet God om Gods wille.
Is Jeremia hier barmhartiger dan God zelf? Zijn de barmhartigheden des Heeren door toorn toegesloten en is het hart van Jeremia vol van ontferming? De Heere sluit niet alle gebed af, zegt Calvijn, het gaat hier om de straf van de ballingschap; dat oordeel is niet af te bidden. In elk geval gaat het over tijdelijke, uiterlijke straffen, opdat Israël de ernst en de zwaarte van de zonde en van het verbreken van het verbond verstaan zal en in ware boete en berouw tot de Heere de toevlucht zal nemen. De Heere is rechtvaardig in al Zijn wegen en goedertieren in al Zijn werken. De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in waairheid (Ps. 145 : 18, 19).
Meer dan eens horen wij van de voorbede van Jeremia: Gedenk, dat Ik voor Uw aangezicht gestaan heb om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden (Jer. 18 : 20). En ook elders wordt de voorbede afgesneden: Gij dan, bid niet voor dit volk en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen (Jer. 11 : 14; 7 : 16).
Er is 'n nauw verhand tussen de afwijzing van de voorbede en de geestelijke situatie, waarin het volk zich bevindt. Dat blijkt uit vs. 12: Bid niet voor dit volk; ofschoon zij vasten. Ik zal naar hun geschrei niet horen en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren. Ik zal aan hen geen welgevallen hebben. Het gaat niet om het vasten of om de offers, maar om de mensen: Ik zal aan hen geen welbehagen hebben. De Heere ziet in de offers het hart aan. Met offers is het niet goed te maken; het is hiertegen, dat de profeten alftjd weer moeten optornen; tegen de gedachte, als zouden offers en gebeden automatisch Gods genade van de hemel naar beneden halen. Israël meent, dat de offers een beschermende dam zijn tegen de vloed van de toorn des Heeren. Zo leefde het bij velen in Israël: de cultus was een mechanisme en automatisme, dat de genadekrachten in werking bracht.
Vasten en bidden; menigmaal vinden wij die twee samen genoemd. In de dagen van Samuel is het volk verzameld te Mizpa en zij vastten en beleden hun zonde. 1 Sam. 7 : 6. David zocht de Heere voor zijn kind en hij vastte een vasten (2 Sam. 12 : 16). In de profetieën van Zacharia lezen wij: Toen gij vasttet en rouwklaagdet in de vijfde en in de zevende maand, nu zeventig jaar, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast? (Zach. 7:5). De profeet wil in de naam des Heeren zeggen: Ging het toen om de Heere, toen gij gevast hebt? Het is alles eigenwillige godsdienst. Men zoekt zichzelf, maar de Heere niet. Het is alles vorm, meer niet. Men vast tot twist en gekijf (Jes. 58 : 5).
Zou de Heere er een lust aan hebben, dat de mens zich kwelt en zijn hoofd kromt als een bieze? Is dit niet het vasten, dat Ik verkies, zegt de Heere, dat gij losmaakt de strikken der goddeloosheid; dan zal Hij uw ziel verzadigen in grote droogte (Jes. 58 : 5 e.v.) , , Tenzij derhalve allen, die vasten dit doel in het oog hebben, dat hun lust tot gebed verlevendigd wordt en gescherpt, vervolgens, dat het 'n tekenzij van vernedering des harten om schuld te belijden en tenslotte, dat zij ijveren om alle begeerten te onderwerpen, dan is alle vasten ijdel, ja zelfs ontheiliging van de dienst des Heeren vanwege het bijgeloof" (Calvijn).
Het oordeel Gods is onafwendbaar; erger nood zal komen; een zwaarder nood dan in de eerste verzen (vs. 1-6) genoemd zal over Israël komen: zwaard, honger en pestilentie. Deze drie worden menigmaal samen genoemd Jer. 5 : 12; 11 : 22; 15 : 2, 3 enz.
Maar zijn het niet de valse profeten, die de oorzaak zijn van dit alles? Zij hebben van heil en vrede gesproken en ja, het volk heeft die boodschap geloofd. Zij hebben de mensen naar de mond gepraat en het volk had dit gaarne; zoals altijd het volk het liefst bij illusie's leeft en de werkelijkheid niet onder ogen durft zien.
Jeremia heeft zelf gehoord, wat de valse profeten het volk hebben voorgehouden. Gij zult vrede hebben (Jer 4 vs. 10); ons zal geen kwaad overkomen (Jer. 5 : 12). De profeten genezen de breuk van het volk op het lichtst, zeggende: vrede, vrede (8 : 11) u zal geen kwaad overkomen, zeggen zij tot ieder, die wandelt naar het goeddunken van zijn hart (Jer. 23 : 4-17). Heeft Jeremia aanvankelijk ook aan deze woorden geloof gehecht en was hij te fijngevoelig om bij de volksprofeten bedrog te veronderstellen? Zo wordt het door sommige uitleggers voorgesteld. Toch geloof ik niet, dat Jeremia oncritisch gestaan heeft tegenover de boodschap der volksprofeten. De strijd tegen de valse profetie is zo oud als Israels religie is. In de dagen van Achab waren er de vier honderd, die koning Achab naar de mond hebben gepraat en daartegenover stond de ene Micha met het Woord des Heeren, dat inging tegen de plannen en wensen, van de koning Israels.
Maar kan het volk zich niet verontschuldigen en zeggen: Deze profeten spraken in de naam des Heeren; hoe konden wij weten, dat hun profetie vals was? Jeremia komt nog voor het volk op en pleit: Zij zijn verleid; dat is wel waar, maar daarmede is de verantwoordelijkheid voor hun verlaten van des Heeren wegen niet van hen afgewenteld. De ziel, die zondigt zal sterven. De volksprofeten hebben een geweldige invloed op het volk uitgeoefend en het volk meegesleept in de ontheiliging van des Heeren naam, 'waaraan zij zelve zich schulidig maakten.
Hoe was het mogelijk, dat men ware en valse profetie kon onderscheiden? In dit gedeelte lezen wij drie dingen: Ik heb hen niet gezonden; Ik heb hun geen opdracht gegeven en Ik heb tot hen niet gesproken (vs. 14). Daarom profeteren zij een vals gezicht, nietige waarzegging en huns harten bedriegerij (VS, 14).
De valse profeten stonden in dienst van vorst en volk, maar niet in dienst van de Heere; hun woorden worden in de weegschaal der waarheid gewogen en te licht bevonden. Het volk had het wel kunnen weten, dat de volksprofeten geen recht hadden op geloof, want de valse profeten hebben het volk niet afgekeerd van hun zonde, integendeel zij sterkten het volk eerder in hun goddeloze levenswandel. De naam des Heeren was wel op hun lippen, en toch waren zij oorzaak, dat de naam des Heeren in Israël werd vergeten (Jer. 23 : 27). Als de valse profetie in Israël gevonden wordt, dan is dat een verzoeking: want de Heere uw God beproeft u om te weten, of gij de Heere uw God dienen zult met geheel uw hart (Deut. 13 : 1 e.v.). Wee de profeet, die een woord spreken zal in de naam des Heeren, dat de Heere hem niet geboden heeft te spreken of die spreken zal in de naam van andere goden; die profeet zal sterven (Deut. 18 : 20). De valse profeten hébben de handen der kwaaddoeners gesterkt en ook hebben zij zelf het léven der zonde aan het volk voorgeleefd; aan hun zedelijk leven haperde veel (Jer. 23 : 13. 14; 29 : 23). Van Jerusalems profeten is de goddeloosheid uitgegaan over het ganse land (23 : 15); daar lag de haard van besmetting, die het ganse volk aanstak. Hananja, de valse profeet sprak van vrede en uitkomst, maar de profeet Jeremia zeide: de profeten, die voor mij en voor u en van oudsher geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd van krijg en van kwaad en van pestilentie. De ware profeet is vol van kracht om aan Israël zijn zonde te verkondigen en aan Jakob zijn overtreding (Micha 3:8).
De ware profeet zoekt het volk terug te brengen tot de Heere en Zijn Verbond; Hij staat in de raad des Heeren (23 : 18i 22); hij heeft het Woord des Heeren gehoord (23 : 18, 21, 28). Hij is door de Heere gezonden (23 : 21, 32).
Ik las een enkele aantekening van Calvijn hier in. Over de roeping: die moet er zijn, want God wil, dat er niets ongeordends of verwards in Zijn kerk zij. Ik heb tot hen niet gesproken, alsof de profeet wil zeggen, dat het ongeoorloofd is voor profeten en leraren (doctores) iets in het midden te brengen tenzij zij het uit de hemel hebben ontvangen.
De valse profeten zullen zelf in het oordeel delen, waarvan zij tot het volk zeggen: het zal niet geschieden. De vredesapostelen zullen straks zelf door honger en zwaard en pestilentie omkomen. Ik zal hun boosheid over hen uitstorten, zegt de Heere. De mensen zien niets dan kale velden, vernielde plaatsen, maar het Woord des Heeren wijst verder: het is uw boosheid, die u kastijdt; het oordeel is nooit willekeurig.
En toch is ook dit Woord niet het laatste woord tot een afvallig volk. Ook in deze profetie zoekt de Heere een zondig volk terug te roepen tot Zijn gemeenschap. God heeft geen lust in de dood van de zondaar. Er blijft de onderhandeling Gods, want zeker, Jeremia is gezonden om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoren, maar ook om te bouwen en te planten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's