De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 2

Bekijk het origineel

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 2

8 minuten leestijd

 

, , Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij het Mij gedaan." Matth. 25 : 40. Christus legt een onmiddellijk verband tussen de liefde voor Zijn Persoon en de liefde tot de Zijnen. Zo onmiddellijk, dat Hij zegt, wat gij aan deze Mijne minste broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan.

Als wij iets van de weldaden, die in Christus zijn mogen, genieten, iets van die uitnemende kennis van de Christus meedragen en enige vrucht van Zijn dood en opstanding in ons leven vinden, kan het niet anders, of wij hebben ook het Zijne lief, dat wij in de naaste ontdekken. De Christelijke gemeenschap is een geestelijke werkelijkheid. Niet zonder oorzaak wordt de gemeente het Lichaam des Heeren genoemd, en die in Hem zijn ingelijfd, zijn leden van het Lichaam. Christus het Hoofd en zij Zijn leden, één organisch geheel, geleid en geregeerd door één Geest, n.l. de Geest van Christus.

Het besef en de kracht van deze werkelijkheid in Christus Jezus, heeft in de oudste Christen-gemeente zó sterk geleefd, dat het voor de toenmalige heidenwereld niet verborgen is gebleven, maar tot een openbaar getuigenis is geweest. (Vgl. prof. dr. A. Sizoo, Christenen in de antieke wereld, Kampen 1953. Hoofdstuk II. De oud-Christelijke gemeenschap, blz. 26 v.v.).

Vele vrouwen, zo deelt Mattheüs ons mede, zijn Christus gevolgd uit Galilea om Hem te dienen. Na de opstanding vinden wij haar terug onder de discipelen en worden zij aangetroffen in de samenkomsten der gemeente.

En het kan dus geen gewaagde onderstelling heten, wanneer wij aannemen, dat haar liefde voor de Heere Jezus Christus, aangevuurd en geestelijk verdiept door de Heilige Geest, is uitgegaan naar de arme, de verdrukte en de gevangene medegenoten der genade. Zij hebben het woord des Konings verstaan: , , Voor zoveel gij dit aan één van deze Mijne minste broöderen gedaan hebt, hebt gij het aan Mij gedaan".

De Christelijke gemeente is waarlijk geen gemeente van mannen alleen. Integendeel, wij treffen de vrouwen aan in de omgeving van de Heere Jezus Christus, zij volgen Hem uit Galilea, zij aanschouwen Zijn lijden en sterven, — , , al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen" —, zij aanschouwden Zijn graf, bereidden specerijen en zalven, en vrouwen waren de eerste boodschappers van Zijn opstanding aan de discipelen.

Wij mogen derhalve aannemen, dat de vrouwen zich van meet af bij de gemeente hebben gevoegd en dat zij op de haar eigen wijze in de gemeente hébben gediend. Doch, hoezeer van grote waarde en betekenis dit voor de Christelijke samenleving der oudste kerk moge geweest zijn, aan al deze dingen kan men met recht geen argument ontlenen om de toelating van de vrouw tot het ambt te bepleiten.

Dergelijke pogingen worden verijdeld door de Schrift zelf, die er bij monde van Lucas op wijst, dat Christus Zijn bevelen niet aan de vrouwen, maar aan de apostelen heeft gegeven. , , Het eerste boek heb ik gemaakt, o, Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren: tot op de dag, in welke Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven. Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan. (Hand. 1 : 1—3).

Men zou ook niet kunnen verwachten, dat de vrouw, welke de man tot een hulpe is gegeven, die bij hem past, in het leven der gemeente geen taak en geen plaats zou hebben. Er is echter geen enkele grond om aan te nemen, dat de door God bevolen orde der schepping, zolang wij op aarde zijn, ook in de aardse saamleving van Christus kerk, zou worden opgeheven of krachteloos gemaakt. Indien daarvan sprake ware, zou in de eerste plaats het huwelijk te niet zijn gedaan. Niets is minder waar. Integendeel, het huwelijk is onder de openbaring der genade God's geheiligd.

Tevergeefs beroepen zij zich op het woord van Galaten 3 : 28: , , in Christus is geen man en vrouw, " omdat de Schrift juist eerbiediging eist voor de verhoudingen, die in het maatschappelijk leven gelden. Wij wijzen met name op Efeze 6 : 5: , , 'Gij dienstknechten zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees." (Vgl. ook Titus 2 : 9). Zo wil zij ook de scheppingsorde in het kerkelijk leven erkend hebben. (1 Cor. 14 : 33—35; 11 : 5—10; 1 Tim. 2 : 11—14).

Het gaat trouwens in de bedoelde plaats in Galaten over het aandoen van Christus. Men behoeft geen Jood te zijn om Christus aan te doen. Want dan was er voor de Griek geen plaats, tenzij hij Jood kon worden. Men behoeft geen dienstknecht te zijn of een vrije. Deze dingen worden niet als voorwaarde gesteld. Jood en Griek, dienstbare en vrije, hebben toegang door één Geest tot de Vader. (Vgl. Efeze 2 : 18). Daarin, in dat aandoen van Christus, in die toegang tot de Vader, is ook geen man ea vrouw.

Doch, zoak gezegd, dat maakt de Scheppingsorde in en buiten de gemeente niet krachteloos en daarom blijft het ook in de gemeente de vrouw is aan de man tot een hulp gegeven. Juist daarom zal zij onder de leiding der genade des Heeren de gaven vertonen, die het kenmerk zijn van de ware diacones, volvaardig , om te dienen en te helpen. Zij doet dat in aansluiting op de haar van God gegeven plaats krachtens charisma.

De Heilige Schrift is niet arm aan getuigenissen, dat de vrouw in de gemeente als zodanig haar plaats heeft gevonden en haar roeping vervuld. Juist, wijl zij zonder meer tot een hulpe van de man is geordineerd, die bij de man past, vertoont haar hulp en dienst grote verscheidenheid. Zij volgen in het algemeen de diensten, die aan de man zijn toegewezen, of aan hem in het leven ten deel vallen. En zo volgen zij in het leven der gemeente de diensten van de man, waartoe deze ambtelijk wordt geroepen. In al die diensten kan zij hem tot een hulp zijn.

De vrouw kan dus alles met het ambt te maken hebben, maar zij staat niet in het ambt.

Het is dientengevolge de grootste dwaasheid om uit de goddelijke orde de conclusie te willen trekken, als ware deze oorzaak van minderwaardigheid der vrouw. Er kunnen zelfs omstandigheden zijn, waarin de vrouw, juist, omdat zij de man tot hulp is gegeven, in de rechten en bevoegdheden van de man treedt, die haar tot een hoofd was gezet. Wij denken aan de weduwe.

Het is zelfs zo geweest in de oudste gemeente, dat de blijkbaar veelvuldige bereidheid der vrouwen om haar diensten te bewijzen aan armen, zieken en gevangenen enige ordening en organisatie heeft nodig gemaakt. Anderzijds is het niet onwaarschijnlijk, dat ook misbruik werd gemaakt van de hulpvaardigheid en de lasten der gemeente te zeer en onnodig werden verzwaard.

In de eerste brief aan Timotheüs {Hoofdstuk V), heeft de apostel althans voorschriften gegeven, die ons omtrent een en ander kunnen onderrichten.

Daaruit blijkt o.a. dat scheiding gemaakt wordt tussen de zorg, die in de eerste plaats op de familieleden rust, en die, welke voor rekening van de gemeente komt. Dat kan ook verklaren, waarom in de werken der barmhartigheid de weduwe zozeer op de voorgrond treedt. Vandaar ook de onderscheiding der weduwen, met name van de we­duwen, die waarlijk weduwen zijn, gans verlaten en eenzaam.

„Maar", en nu laten wij de Schrift zelf spreken, , , zo enig weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en de voorouderen wedervergelding te doen, want dat is goed en aangenaam voor God" (I Tim. 5:4).

Derhalve is allereerst de familie geroepen te helpen in de nood, die zich onder haar leden voordoet. Alleenstaande armen en verdrukten alsook de eenzame en arme weduwen komen voor de zorg der gemeente.

Vandaar, dat deze zorg ook organisatie vroeg.

Toezicht en leiding gingen daarbij uit van de opzieners, de ouderlingen en de diakenen. Doch de apostel geeft ook ten opzichte daarvan richtlijnen. Niet aan iedereen werden de werken der barmhartigheid toebetrouwd. Zo werden jonge weduwen afgewezen. Wij laten ook hier de Schrift zelf spreken: , , Neem de jonge weduwen niet aan, want als zij weelderig: geworden zijn tegen Christus, zo willen zij huwelijken" —en wat er verder volgt in de verzen 11—16.

De vrijwillige liefdadigheid buiten de organisatie was echter niet uitgesloten. Integendeel, wij laten weer de Schrift aan het woord: , , Zo enig gelovig pian, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet worde bezwaard, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge. (vs. 16). Prof. Brouwer denkt aan verwanten, die weduwen zijn, maar meent, dat ook slaven of bedienden kunnen bedoeld zijn. (Het Nieuwe Testament, Leiden 1938, blz. 525).

De Nieuwe Vertaling denkt aan een vrouw, die een weduwe in haar dienst neemt om haar op die wijze te helpen. (De Bijbel in nieuwe vertaling, J. H. Kok, Kampen, 1946, blz. 441). Zij leest vers 16 aldus: , , Indien een gelovige vrouw weduwen bij zich heeft." Dr. C. Bouma leest: Indien een gelovige vrouw weduwen heeft, n.l. in haar familiekring. (Korte Verklaring, blz. 97).

De hoofdlijnen zijn derhalve duidelijk. Waar de hulp van familie en particuliere weldadigheid niet aanwezig of niet toereikend was, kwam de gemeente op, die daarbij, zoals het onderhavige hoofdstuk doet zien, gebruik maakte van de dienst der weduwen.

S.

(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's