DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 43
ZONDAG 40
PROF. DR. S. VAN DER LINDE
Vervolg van de tweede bede.
Calvijn is bezig het Onze Vader te verklaren, hij vervolgt in onze zondag de verklaring van de tweede bede: Uw wil geschiede. Hij vervolgt die, door te vragen: Hoe bedoel je het, als je bidt dat Gods wil geschiede? Daarop wordt geantwoord: Dat alle schepselen Hem onderdanig zullen zijn en Hem gehoorzaamheid betonen en dat alles zo geschiede volgens Zijn welbehagen.
Dit antwoord wijst, zoals we dat gedurig vinden, naar de eenvoudige practijk. Het spreken over Gods wil zou de weg kunnen openen, om te gaan spreken over Gods verborgen tegenover Zijn geopenbaarde wil. Calvijn heeft goed begrepen, dat zoiets in een catechismus voor kinderen veel te hoog en te ver is, het is trouwens voor volwassenen ook zwaar om te verstaan. Hij keert zich tot de practijk en ziet Gods wil alleen als Zijn openbare (gebiedende) wil, zoals die in Wet en Evangelie bekend, wordt. Gods wil geschiedt, als alle mensen (de heidenen staan Calvijn ook weer voor de geest) aan Wet en Evangelie gehoorzaam zijn, in de gehoorzaamheid des geloofs. Als dit geschieden kon, zou alles aan Gods wil zijn onderworpen en dus alles verlopen overeenkomstig Zijn welbehagen, zoals Hij dat te kennen geeft in Wet en Evangelie.
Gods geopenbaarde wil zij aller Wet en Evangelie.
Dat antwoord roept een nieuwe vraag op. Deze: Bedoel je, dat er niets tegen Zijn wil kan geschieden? Weer zou hier de gelegenheid zich voordoen, om die verborgen wil naar voren te halen. Maar ook nu wil Calvijn die kant niet uit. Hij licht zijn bedoeling zó nader toe: Wij vragen niet alleen, dat Hij alle dingen daartoe moge leiden, dat wat Hij in Zijn Raad bepaald heeft geschiede, maar dat Hij, aller verzet neerwerpend, aller wil met de Zijne eenparig make.
Op hetgeen we zoëven opmerkten, zou kunnen worden geantwoord, dat Calvijn, als hij spreekt van Gods Raad, toch wel een verborgen, diepzinnige kant der zaak aanroert. Dit worde niet geheel ontkend, maar wel temeer bevestigd, dat die Raad Gods hier wel heel duidelijk op Zijn openbaring ziet, dus op hetgeen Hij ons laat weten, betrekking heeft. Inzake de kennis van de in Christus verkiezende God kan Calvijn immers ook zeggen, dat wij in het Evangelie een voldoende en geheel betrouwbare kennis aangaande die (verborgen) Raad ontvangen. Zo ook hier: Als wij, met Gods kerk, erom bidden, dat Zijn wil moge geschieden, heeft dat dus niet hetrekking op allerlei verre en vermoede dingen, maar met hetgeen ons geopenbaard is. De kerk Gods ziet deze zaak vanzelf in zendingslicht en bidt, dat Gods heilsraad en heilswil al wat leeft moge trekken en overwinnen. Daarbij staat voor Calvijn zeker voorop: het van binnenuit trekken en winnen. We wezen er gedurig op, dat het werkelijk niet zo is, dat Calvijn een harde, gewelddadige, verre God zou kennen en dienen. Calvijns godsbeeld is zeer geestelijk (de theoloog van de Heilige Geest!), wat stellig de nadruk op Gods heiligheid niet laat verslappen, maar anderzijds juist op de innerlijkheid en de geestelijkheid wijst. Calvijn wist het, eer Comrie het neerschreef, dat jonge predikanten vaak denken, met de donder der Wet te moeten winnen, wat het suizen van de zachte stilte alleen bewerkt. Voor Calvijn werkt de hoge, heilige God toch vooral zeer verborgen in harten der mensen (vgl. Boek 3 van de Institutie). En wie zó gewonnen werd, die werd het meest Gode waardig gewonnen.
Maar de Heere kan, als het moet, ook wel anders. Als, het verzet, de vijandschap tegen Hem, toch maar niet wijkt, dan weet Hij ook dat verzet te breken en neer te werpen. Calvijn dacht zeker ook wel aan de uitgebroken vervolging over Gods Kerk, waarvan zovelen zich afvroegen: Kan dat wel Gods wil zijn, dat zovelen van Zijn kinderen in druk en donker leven en dat Satan schijnt te triomferen? Dan weet de kerk, als zij bidt om leven overeenkomstig Gods wil, dat Hij daartoe wel degelijk machtig is- en menigmaal klinkt dan Psalm 79 op, een echte martelaarspsalm, maar die zich er ook aan sterkt, dat die God, die eertijds draak en leviathan de trotse nek brak, dat ook nu nog kan èn doet.
Gebed en zelfverloochening.
Zo heeft het gebed met de wil te maken. Met Gods wil, maar ook met onze eigene. Dat voelt de catecheet goed aan, want hij vraagt: Verloochenen we dus, als we dat doen, onze eigen wil? Daarop geeft de catechisant ten antwoord: Ja zeker. En niet alleen dat Hij onze wensen, die Zijn welbehagen weerstreven, moge te niet maken, zodat ze ijdel en krachteloos blijven, maar ook dat Hij in ons een nieuwe geest en een nieuw hart scheppe, zodat we niets van onszelf willen, maar Zijn Geest in ons wille, zodat we geheel met Hem samenstemme.
Dat verstaat Calvijn onder de christelijke zelfverloochening. Eerst meer negatief: dat we tegen de begeerten van onze oude mens in zullen bidden, n.l. dat de Heere onze dwaze en brutale , , beden" moge verijdelen. Bij de vraag naar de zekerheid van de gebedsverhoring spreekt dit sterk mee. Menigeen verbaast zich, dat de Heere allerlei egoistische, ongoddelijke, onmenselijke , , beden" maar niet verhoort. We mochten ons billijk in een andere zin verbazen: dat Hij zo goed is, dat Hij zo duidelijk , , verhoort", juist door zo krachtig , , neen" te zeggen tegen het dwaze woelen van de oude mens.
Dat noemden we het meer negatieve, al ontbreekt het positieve er niet in. Het geheel positieve, al ontbreekt nu het negatieve niet geheel is, dat die bede van hét geschieden van Gods wil ook insluit het gebed om de Heilige Geest, die de wil Gods in ons niet alleen tot begeerte, maar ook tot daad maakt.
Het gebed om het geschieden van Gods wil komt ons in Psalm 51 zo krachtig tegen. Daar heeft David, naar 'het vlees', zijn zin gekregen en zijn wil volbracht. Maar wat berouwt het hem onuitsprekelijk. Hij spreekt van verzoening en vergeving, maar verstaat, dat het daarmee nog niet gewonnen is. Daarom stijgt hij hoger en beoefent juist daarin zelfverloochening, als hij bidt: Neem toch Uw Heilige Geest niet van mij. D.w.z. schenk mij, geesteloze, vleselijke, als overnieuw die Heilige Geest, die wapene tegen zo dwaze, donkere driften, als die mij zo'ëven meesleurden. Vernieuw in mij een vaste geest en leer mij, aan Uw dienst oprecht verbonden blijven. Wie de tijd kan, vinden, leze de verklaring van Psalm 51 in Calvijns commentaar nog maar eens na. Misschien kan hij (zij) daarna het niet laten, Kohlbrugge's verklaring ook te herlezen. Wat goed gezelschap is dat, die theologen van vlees en Geest!
Calvijn komt, als hij van de inwoning van de Heilige Geest spreekt, tot een sterke uitdrukking. Deze: dat de Heilige Geest Zelf in ons wille, zodat onze wil aan Gods wil gelijkvormig worde. Daarmee bedoelt Calvijn vanzelf niet, de grondlijn tussen God en schepsel uit te wissen. De z.g. Geestdrijvers, die hij fel bestreed, deden dat wel en leerden, dat alles wat wij denken, doen, willen een werk van God, van de Heilige Geest, in ons is en daarom ook altijd goed. Dat noemt hij een verfoeilijke leer, die zó makkelijk het schuim van het vlees met het goud van de Geest verwart.
De uitdrukking, die Calvijn gebruikt, doet sterk denken aan de zegswijze van Karl Barth, dat wij, mensen van vlees, tot het geloof niet in staat zijn, zodat de Heilige Geest plaatsbekledend in ons gelooft. Dat heeft onder de Calvinisten sterke tegenspraak gevonden en o.i. terecht. Maar leert Calvijn hier dan niet een zelfde soort plaatsbekleding? Wordt daar onze eigen wil, die zoveel blijken van dood en verderf gaf, niet geheel uitgeschakeld, als de Geest zelf in ons wil?
We geloven het niet. Want Calvijn handhaaft door alles heen onze persoonlijkheid en verantwoordelijkheid. Hij bedoelt dus, dat de Heilige Geest op zo intense wijze onze wil moge hervormen, richten en heiligen, dat we het helemaal met Hem, met de Drie Ene God eens worden. Het moet dus kennelijk verstaan worden in de lijn van het , , die Geest getuigt met onze geest".
Het voorbeeld der engelen.
Een laatste vraag besluit deze afdeling. Het trekt Calvijn's aandacht, dat déze bede van het Onze Vader alomvattend is. Dat ze niet maar de mensen omvat, maar: alles in Hemel en op aarde. Dat doet dan de vraag stellen: Waarom voeg ik daarbij: op de aarde, zoals in de Hemel? Het antwoord luidt: Omdat Zijn hemelse schepselen, Zijn Engelen, niet anders zoeken dan Hem vreedzaam te gehoorzamen, zonder enige tegenspraak, vragen wij, dat ditzelfde ook op aarde geschiede, dat wil zeggen, dat alle mensen zich Hem onderschikken in vrijwillige gehoorzaamheid.
De hemel, d.w.z. de engelen wordt hier aan de mensen ten voorbeeld gesteld. Ze zijn gedienstige geesten, uitgezonden ten dienste van hen, die het heil beërven. Ze kennen geen maars en toch's geen neen's of halve ja's, ze weten enkel van gehoorzaamheid en zichzelf verloochenen. '
De engelen hébben met ons wel niet van doen, ze hebben een andere aard dan wij., en kunnen ons o.a. daarom niet verlossen. Maar hoe anders ze mogen zijn en blijven: in dit ene hebben wij te staan naar een aan hen gelijkworden, n.l. in die perfecte gehoorzaamheid.
Calvijn zegt er nog bij, dat de engelen vrijwillig gehoorzamen, dus nooit tandenknarsend of half rebels. Zo kan en moet de gehoorzaamheid ook in het christenleven tot gestalte komen. D.w.z. de Heere vraagt geen geveinsde, opzettelijke, bestudeerde gehoorzaamheid, waarvan het gehalte zich wel raden laat. Hij wil vrijwillig gehoorzaamd zijn. Spontaan vanuit liefde, vreze, eerbied, die verstaan, hoezeer de Heere het waard is, eerste en laatste te zijn. Dat is Hem het hoogtepunt (het is ook een dieptepunt) van het gebed, om verstaan en volbrengen van Gods wil, door het licht en de kracht van Christus Heilige Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's