De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 3

Bekijk het origineel

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 3

10 minuten leestijd

Bij, de regeling van de veelvuldige diensten der vrouwen heeft in de oudste Christelijke kerk een soort instituut van gemeenteweduwen of kerkelijke weduwen een bijzondere plaats ingenomen. Het woord weduwe verkrijgt zelfs een bijzondere klank en de bijbetekenis van een vrouw, die in de gemeente bijzonder werk verricht, (vgl. dr. C. Bouma. Korte Verklaring, blz. 91).

Over deze regeling of dit weduwen instituut spreekt de apostel Paulus in 1 Tim. 5 : 9 en 10 en uit de wijze, waarop hij dat doet, moge blijken, dat de zaak als zodanig bekend was. Het is, niet eerst door Paulus ingesteld, want dan zou dat uit de tekst blijken, maar de apostel spreekt over een bekende zaak. Hij geeft slechts enkele richtlijnen om wantoestanden te voorkomen. De weduwen, die voor deze arbeid in aanmerking kwamen, moesten aan bepaalde vereisten voldoen. Zij mochten niet minder dan zestig jaar oud zijn, vrouw van één man, algemeen bekend door haar goede werken, als een vrouw, die kinderen heeft opgevoed, gastvrijheid bewezen, de voeten der heiligen gewassen, verdrukten ondersteund en alle goed werk ijverig beoefend heeft.

Men kan daaruit de aard van het werk verstaan, waartoe zij geroepen werden. Van haar werd verwacht, dat zij de jonge vrouwen met raad en daad zouden bijstaan bij de opvoeding van haar kinderen, dat zij vreemden op hun doorreis gastvrijheid zouden verlenen, dat zij bereid waren tot allerlei nederige. arbeid en tot hulp van mede-christenen, die door allerlei oorzaak in armoede en nood verkeerden. Men zou dus kunnen denken aan helpsters bij de gezinszorg en sociale werksters.

De voorschriften door de apostel in deze zaak gegeven wijzen er enerzijds op, dat men minder aangename ervaringen heeft gehad van weduwen, die zich aanboden. Vandaar, dat men in de gemeentearbeid niet van allen gediend wilde zijn, met name niet van de jongere weduwen. Uit dien hoofde is de onderstelling wellicht juist, dat een lijst werd aangehouden van de weduwen van goede getuigenis, die toegelaten werden tot het werk in de gemeente, dat ongetwijfeld onder de leiding der opzieners geschiedde. Deze maakten, uit of iemand mocht worden ingeschreven of niet en hielden ook de lijst bij.

In de grondtekst staat een werkwoord, dat de Statenvertaling overzet als gekozen worden: dat een weduwe gekozen worde. Dr. C. Bouman vertaalt in zijn meergenoemd commentaar, Korte Verklaring, 'blz. 86: , , Een weduwe moet, om op de „weduwen"-lijst te (kunnen) worden ingeschreven, enz."

Het bedoelde werkwoord komt alleen op deze plaats, voor en kan wel worden vertaald door gekozen worden, maar in het profane Grieks wordt het bijzonderlijk gebruikt voor op een lijst geschreven worden, b.v. voor de krijgsdienst. Er is inderdaad voor de vertaling van dr. Bouma veel te zeggen.

De Nieuwe Vertaling zegt: , , als weduwe komt in aanmerking". Dat bedoelt echter hetzelfde (vgl. aantekening bij deze plaats in „De Bijbel in Nieuwe Vertaling". Kampen 1946, blz. 440).

Prof. Brouwer vertaalt: Een weduwe worde ingeschreven. (Het Nieuwe Testament. Leiden 1938, bk. 524). Hij denkt derhalve ook aan een lijst.

Uit een en ander zal men alzo mogen besluiten, dat de oudste Christelijke gemeente een georganiseerde weduwen- dienst heeft gekend en dat deze dienst ten goede kwam aan de verzorging van nooddruftigen en de verpleging van zie­ken, maar ook aan de gezinszorg en aan de bijstand en onderrichting van jonge weduwen.

Deze „gemeente-weduwen" waren dienaressen der gemeente, tot het werk met toewijding en uit roeping bereid. Het is ook wel mogelijk, dat zij een gelofte hadden gedaan, dat het althans voorkwam, dat zulke vrouwen een gelofte deden om zich aan het werk der dienstbaarheid te wijden. Dat zou men tenminste kunnen veronderstellen op grond van de scherpe woorden door de apostel aangaande de jonge weduwen gesproken. Vgl. 1 Tim. 5 : 5 en 6 en verder de verzen 11—14. De apostel kan toch in het algemeen geen bezwaar maken tegen het huwelijk van jonge weduwen, want hij zegt nadrukkelijk: ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken (vs. 14).

Dat jonge weduwen willen huwen, kan derhalve op zich zelf niet de afkeuring van de apostel uitlokken, maar hij zegt in vs. 12: , , ziji hebben haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben teniet gedaan, of met de nieuwe vertaling: verzaakt."

Zo kan men zich voorstellen, dat jonge vrouwen, die haar man verloren en tot weduwschap gekomen onder de indruk van droefheid en rouw vertroosting zochten in het werk der barmhartigheid en dienstbaarheid, ja een gelofte, de weduwengelofte, deden en dat zij na verloop van tijd haar gelofte verzaakten en afvielen.

Het is best mogelijk en het geeft op zich zelf geen ongeschikte verklaring van de voorschriften van de apostel aangaande de dienaressen der gemeente en welke weduwen daarvoor in aanmerking kwamen.

Zij die vrouwelijke diakenen voorstaan, zouden deze en dergelijke voorbeelden gaarne willen aangrijpen om aan hun wens schriftuurlijke steun bij te zetten. Zij kunnen zich echter op deze dienaressen der gemeente niet beroepen, want zelfs het woord diaken, dat dienaar, dienares betekent, wordt met toepassing op deze vrouwen door de apostel hier niet genoemd.

Een andere groep van vrouwen wordt in 1 Tim. 3:11 genoemd. De plaatsing van deze tekst in een pericoop, die in de voorafgaande en in de volgende verzen bepaaldelijk over diakenen gaat, mag op zijn minst de verondersteiling wettigen, dat de hier bedoelde vrouwen iets met het diakenambt te maken hebben.

Boven hebben wij reeds opgemerkt, dat de vrouw krachtens de plaats, welke God haar heeft gegeven in de orde der schepping, alles met het werk en derhalve ook met het ambt van de man kan te maken hebben, zonder evenwel in het ambt te staan. Dat kan wel het eerst en het naast in de huwelijken staat zo zijn hoewel dit de vrouw buiten het huwelijk niet uitsluit. Vandaar onze uitdrukking het eerst en het naast.

Maar daarom is het ook het meest voor de hand liggend bij de woorden van 1 Tim. 3:11 om deze eerste en naaste betrekking het eerst te denken. In VS. 8 wordt gezegd, dat de diakenen eerbaar moeten zijn, niet tweetongig, niet, die zich tot veel wijns begeven, geen vuil-gewinzoekers; vs. 9 vervolgt: houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten. Voorts vermaant de apostel, dat zij ook eerst beoefend worden en dat zij pas daarna tot de bediening worden toegelaten, zo zij onbestraffélijk zijn.

Deze strenge eisen worden aan de diakenen gesteld uit hoofde van de aard hunner bediening, die voor alles waardigheid, trouw, eerlijkheid en onkreukbaarheid vraagt, wijl aan hen het beheer en de uitdeling der gelden en gaven is toebetrouwd. Niet zonder reden wordt daaraan, toegevoegd, dat zij het heilsgeheim in een rein geweten mogen bewaren.

Van hoe groot belang is het daarbij, dat zulke mannen een vrouw hebben, die geen kwaadspreekster is, maar zich onderscheidt door waardigheid, nuchterheid en trouw.

Zo is er alle aanleiding om bij de in vers elf genoemde vrouwen te denken aan de vrouwen der diakenen.

De Statenvertaling wil - dat ook zo verstaan, hoewel in de tijd der reformatie, laten wij zeggen einde 16e eeuw, hier te lande wel eens gedacht is aan vrouwelijke diakenen. Ds. S. P. - Dee deelt mede, dat Calvijn n.l. op grond van 1 Tim. 5 : 9 ook vrouwelijke diakenen voorstond. (Chr. Enc Nieuwe uitgave in voce: diacones) Wellicht doelt hij op Inst. IV, III, 9. Wij betwijfelen zeer, of dat werkelijk Calvijnsbedoeling is'. Want Calvijn is van oordeel, dat er twee soorten van diakenen onderscheiden geweest zijn, die hij ook graden noemt en derhalve in rangorde onderscheidt, n.l. de diakenen, die de aalmoezen beheerden en degenen, die zich gewijd hadden aan het verzorgen der armen en zieken, gelijk de weduwen waren, van wie melding wordt gemaakt in 1 Tim. 5:9.

Inderdaad laat Calvijn hierop volgen: , , Want de vrouwen konden geen enkel ander openbaar ambt waarnemen dan dat zij zich zelf gaven tot het dienen der armen". Het is daarbij echter opmerkelijk, dat hij hier een ander woord voor ambt gebruikt dan enige regels eerder, waar hij zegt, dat Paulus spreekt over de openbare ambten der kerk. De gebezigde woorden ontgaan elkander in gebruik en betekenis niet zo heel veel, maar er is toch een nuancering in, die het niet toevallig maakt, dat Calvijn ze plaatst, zoals hij doet.

In ieder geval besluit hij: er zullen twee soorten diakenen zijn: van welke de éne soort de kerk dient in het besturen van de zaken der armen en de andere in het verzorgen der armen zelf. Hij voegt daaraan toe: , , En ofschoon het woord diakonia een ruimer betekenis heeft, noemt de Schrift toch in het bijzonder hen diakenen, die de kerk gesteld heeft over het uitdelen der aalmoezen en het zorg dragen voor de armen, en die ze als het ware tot beheerders van, de openbare armenkas heeft aangesteld, wier oorsprong, instelling en ambt door Lucas in de Handelingen beschreven wordt" - (Hfdst. 6).

Het is duidelijk, dat Calvijn hier het oog heeft op de ambtsdragers, dié naast de ouderlingen en opzieners genoemd worden, en dat met de andere soort met name de dienaressen bedoeld worden zoals de , , gemeente-weduwen" en anderen, die zich aan de zorg voor armen en zieken wijden. Diakenen in de  bijzonder ambtelijke zin zijn deze laatsten niet geweest. Zij zaten bij wijze van spreken niet in de kerkeraad.

Voorts deelt dr. Dee in genoemd artikel mede, dat het convent van Wezel (1568) vrouwelijke diakenen toeliet en dat zij in verschillende gemeenten werden aangesteld: Amsterdam, Utrecht, Middelburg, Embden en langs de Rijn. , , Maar de synode van Middelburg (1581) verklaarde, dat het „ , , om verscheidene inconveniënten wille, die daaruit zouden mogen volgen" niet raadzaam was het ambt der diaconessen weer in te voeren".

De Nieuwe Vertaling leest o.i. terecht hunne vrouwen, dus de vrouwen der diakenen. Dr. Dee in zijn even genoemd artikel bestrijdt dit en denkt aan een , , ambtelijke functie, nauw verband houdend met het diaconaat." Deze omchrijving wijst dus weer in de richting van dienaressen, evenals de gemeente-weduwen.

Dr. C. Bouma in Korte Verklaring spreekt dat zelfs heel duidelijk uit: , , Hier zijn niet bedoeld de vrouwen der diakenen"; dan zou er beter zijn gezegd: hun vrouwen; maar bedoeld zijn vrouwen, die de diakenen ter zijde stonden. De aard der verleende hulp brengt vaak mee, dat vrouwen beter dan mannen kunnen helpen". Dr. B. denkt aan een soort diaconale zusterhulp, maar niet aan een kerkelijk ambt m.a.w. niet aan diakenen in de zin van ambtsdragers.

Prof. Brouwer vertaalt: , , Desgelijks moeten hun vrouwen waardig zijn, enz." en denkt derhalve aan de echtgenoten der - diakenen.

Het argument van hen, die bezwaar maken tegen de invoering van hun of hunne, is, zoals ook uit de formulering van dr. Bouma en dr. Dee blijkt, niet sterk, .maar er is geen aanleiding - om het onwaarschijnlijk te achten, dat de oude Christelijke kerk - de hulp der vrouwen in een georganiseerde vorm gekend heeft als , , gemeente-weduwen" en' een soort , ; diaconiale zusterhulp".

De daarbij betrokken vrouwen zouden desnoods zelfs wel diakonessen genoemd kunnen worden, maar daarom zou het nog niet juist zijn, haar op één lijn te stellen met de diakenen in bijzondere zin, die het ambt bekleden, naar de instelling van Handelingen zes.

(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's