Weest waakzaam!
Het ontwerp van wet tot regeling van het voortgezet onderwijs kan aanleiding zijn tot velerlei bespiegeling en overweging. Veel onderwijstechnische kwesties kunnen daarbij aan de orde komen en verdienen nauwgezette overweging.
Thans wens ik mij meer in het bijzonder bezig te houdfen met de positie van het bijzonder onderwijs. Het is mij in discussies intussen wel gebleken, dat de voorstanders van ons prot. christelijk onderwijs zeker niet de slaap des gerusten mogen slapen. Integendeel zie ik enige donkere schaduwen in het verschiet, die, indien een door mij gevreesde ontwikkeling zich zou doorzetten, tengevolge zou kunnen hebben, dat voor ons nageslacht de schoolstrijd vergeefs zou zijn gestreden. Zeer waarschijnlijk vindt u mij nogal zwartgallig, maar laat ons zien.
Eerst een eenvoudige zaak van m.i. ongepaste inmenging in de bevoegdheid der schoolbesturen. Lees art. 32 lid 6. Daarin wordt gezegd: Het eerste lid onder b en c is niet van toepassing op hem, die uitsluitend belast is met het geven van godsdienstonderwijs.
Dit betekent: iemand, die uitsluitend godsdienstonderwijs geeft behoeft geen bewijs van vakwaamheid te hebben voor het geven van dat godsdienstonderwijs en hij behoeft ook niet een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding te bezitten. Dit is nu ook al zo, een schoolbestuur wordt geacht zelf in staat te zijn om te beoordelen aan w'ie hij dit godsdienstonderwijs wil toevertrouwen. Maar er is dit verschil met de huidige situatie. Thans kan een schoolbestuur aan een gewone leraar, zeg bijv. een leraar in de geschiedenis, het geven van godsdienstonderwijs opdragen, al bezit hij hiervoor geen bevoegdheid. En deze bevoegdheid wordt nu in dit nieuwe artikel aan het schoolbestuur ontnomen. En hiertegen wens ik ernstig te protesteren! Waarom mag een schoolbestuur, wanneer het aan zijn school een bekwaam leraar heeft hem niet godsdienstonderwijs opdragen? Hier is een bemoeizucht van het ministerie aan het woord, die deze zaken reeds thans aan schoolbesturen wil opdringen, zonder wettelijke grondslag. Maar in het nieuwe ontwerp ligt het wapen gereed om de vrijheid der schoolbesturen in dezen te beknotten. Waarom zou het schoolbestuur een zekere X mogen benoemen tot het geven van dit uitsluitende godsdienstonderwijs, en niet een leraar, die getoond heeft de nodige capaciteiten te be'zitten? Dit is een methode tot bestrijding van het tekort aan leraren, waarvoor ik geen waardering kan hebben. Een schoolbestuur kan rustig geacht worden voldoende wijsheid te bezitten om het belang der school te dienen. Zij zullen echter meer waardering hebben voor het godsdienstonderwijs dan degenen, die hun vrijheid willten verkorten.
Nu een tweede zaak. Het gaat hier niet tegen het wetsontwerp, maar tegen zeer merkwaardige gedachten, die in sommige kringen schijnen te leven.
In artikel 39 wordt over openbare scholen het volgende gezegd:
De rector, de directeur en de leraren aan een openbare school onthouden zich er van iets te leren, te doen of toe te laten, dat strijdig is met de eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.
Dit is eenvoudig het geven van uitvoering van het artikel van de grondwet, waarin staat: Het openbaar onderwijs, wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen bij de wet geregeld.
Mr. R. Kranenburg legt dat in zijn boek Het Nederlandsch Staatsrecht zo uit, dat dit betekent, dat elk staatsburger van deze openbare school gebruik kan maken, zonder in zijn religieuze overtuiginlg te worden geschokt, zo moet de openbare school zijn ingericht.
Nu is mij gebleken, dat er in ons goede land lieden zijn, die van mening zijn, dat deze bepaling van art. 39 ook zou moeten gelden voor bijzondere scholen. Ze worden toch allemaal door de openbare kas betaald. Deze vinden, dat art. 39 geschrapt moet worden, maar bij handhaving moet het ook gelden voor bijzondere scholen.
Hieruit blijkt wel een zodanig gebrek aan inzicht ten aanzien van de betekenis van de achter ons liggende schoolstrijd, dat het niet minder dan ontstellend is. Het is toch daarin voldoende gebleken, dat als een dergelijke bepaling voor het bijzonder onderwijs zou geiden, dit bloot zou komen te staan aan aanklachten op grond van dit artikel.
Ik moge een oud voorbeeld aanhalen uit 1845, dat duidelijk maakt wat ik bedoel. In Appeltern was de heer B. Gangel onderwijzer aan de openbare school. Hij werd van R.K. zijde aangeklaagd, omdat hij in de klas de uitdrukking had gebruikt , , om Uws lieven Zoons Jezus Christus wil". Op 5 september 1845 werd hij geschorst zonder tractement en hij moest bovendien nog het kostgeld betalen van zijn tijdelijke opvolger. Gelukkig werd hij door bemiddeling van ds. Heldring in 1846 in Hoenderlo benoemd.
Om de vrijheid van het prot. chr. onderwijs kunnen wij voor ons onderwijs een dergelijke bepaling niét aanvaarden.
Maar ook de schrapping van art. 39 is m.i. onjuist, want hierin wordt juist een karakteristiek gegeven van het openbaar onderwijs in onderscheid van het bijzonder onderwijsi. Ik meen, dat het doodgevaarlijk is voor de vrijheid en betekenis van het bijlzonder onderwijs, indien dit gelijk geschakeld wordt met het openbaar onderwijs. De ontwikkeling van het onderwijs in ons land is nu eenmaal zo gelopen dat de openbare school voor iedereen aanvaardbaar moet zijn en dus in ons land van gemengde bevolking neutraal. Levensbeschouwelijke verschillen kunnen in het bijzonder onderwijs tot hun recht komen. Daarom is het dan ook dus, dat de prot. christelijke school zelf mag bepalen en beslissen wat zij in het belang van haar grondslag nuttig en nodig acht, zoals iedere bijizondere school dit behoort vrij te staan. Daarvoor is het nu juist een bijzondere school. Helaas houdt het nieuwe ontwerp dit niet in het oog, ja, komt daarmee duidelijk in strijd. Ik heb hierbij het oog op een derde zaak, artikel 42, waarin verlangd wordt, niet alleen dat indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling niet de geleigenheid bestaat tot het volgen van het vèrlangide onderwijs aan een openbare school een bijzondere school verplicht is deze leerling toe te laten, maar ook dat deze leerling niet verplicht kan worden het godsdienstonderwijs te volgen.
Laten we maar eens een voorbeeld nemen.
Een paar buitenkerkelijke leerlingen wensen een prot. chr. school te bezoeken. Op bijv. 20 km afstand is wel een openbare school, maar dat is zo lastig niet waar. Zij wensen echter niet het gadsdienstonderwijs: te volgen. Dus moet nu het schoolbestuur gedogen, dat ieder uur godsdienstonderwijs deze leerlingen de klas verlaten en daarmede metterdaad demonstreren het niet eens te zijn met de grondslag der school en datgene, wat juist de school van het allereerste belang acht. Ik acht dit onaanvaardbaar. Ik acht dit een aantasting van de vrijheid van het bijzonder onderwijs'. Of een schoolbestuur leerlingen wil vrijstellen van godsdienstonderwijs is een zaak, die zij en zij alleen te beslissen heeft en het gaat niet aan, dat het bestuur door de wet gedwongen wordt.
Nu komt er natuurlijk onmiddellijk een volgende vraag. Is 20 km een redelijke afstand in de zin der wet? Wie zal dat uitmaken? In eerster instantie enige ambtenaren aan het ministerie van onderwijs. Indien het schoolbestuur zich er niet bij neerlegt wordt ze wel gestraft conform art. 98 met het inhouden van een deel der subsidie of de gehele subsidie; hier komt de minister er aan te pas. Indien het schoolbestuur dit niet aanvaard, dan kan ze in beroep komen bij de Kroon, met echter het risico, dat zij de subsidie geheel of gedeeltelijk verspeeld. Dit zijn de moeilijkheden, waarvoor een schoolbestuur geplaatst kan worden, indien dit aanvaard zou worden. Indien we deze weg op moeten is de gelijkstelling op financieel gebied te duur betaald. Het karakter van de prot. chr. school kan dan aangetast worden en daarvoor is er nu toch geen 80 jarige schoolstrijd gevoerd om dit te bereiken. Het ging juist om de vrijheid van het chr, onderwijs.
Nu speelt dat begrip redelijke afstand nog, een rol in dit wetsontwerp en wel in art. 63 lid 3: bij de toepassing van de voorgaande leden worden niet in aanmerking genomen de leerlingen, voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschiklbaar zal zijn op een gelijksoortige school, waar het verlangde onderwijs wordt gegeven. In A staat een prot. chr. school. In B wenst men een prot. chr. school te stichten, niet mogen meegeteld worden leerlingen op een afstand x km van A, waarbij x is de redelijke afstand.
Laat ik een voorbeeld nemen. A ligt op 16 km van L verwijderd. In beide plaatsen is een chr. lyceum; in L is openbaar onderwijs, in A niet.
Zal men nu gaan redeneren: in A en L zijn beide chr. scholen, dus de afstand is niet redelijk, dus een voorstander van openbaar onderwijis, die het chr. lyceum in A bezoekt moet vrijgesteld worden van godsdienstonderwijs. Dit is slechts een vraag, maar het is lang niet onmogelijk, dat deze vraag bevestigend beantwoord zou moeten worden. Wat zou het resultaat zijn? Dat juist plattelandsscholen met deze moeilijkheden te kampen zullen krijgen, want in de steden zijn in de regel voldoende scholen van onderscheiden signatuur.
Ik meen daarom, dat een opwekking tot waakzaamheid alleszins op zijn plaats is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's