VRAGEN RONDOM DE AVONDMAALSVIERING DOOR AMBTSDRAGERS
Met het opschrift dat we hierboven geschreven hebben, willen we alleen maar aanduiden een probleem, waar we vandaag de dag mee te worstelen hebben in de practijk van ons kerkelijk leven. Reeds één- en andermaal is het namelijk voorgekomen, dat men bezwaren inbracht tegen de bevestiging van gekozen ambtsdragers omdat deze ambtsdragers niet deelnamen aan het H. Avondmaal. Een enkele maal is deze klacht ook al door hogere instanties ontvankelijk verklaard.
We begrijpen meteen dat, als men dit tot algemene regel gaat verheffen, er dan in verschillende van onze gemeenten grote moeilijkheden zullen ontstaan; het is te voorzien dat er vele vacatures in de kerkeraden zullen komen en dat daardoor de gang van het kerkelijk leven zeer ernstig geremd zal worden.
Wanneer we ons gaan bezinnen op de problemen die zich hier voordoen, dan beseffen we meteen dat hier grote moeilijkheden liggen. Immers allen zijn we er zonder meer van overtuigd, dat inderdaad alle ambtsdragers regelmatig aan het H. Avondmaal behoorden te gaan. Ook de gekozen ambtsdragers zelf delen zonder twijfel allen deze overtuiging. Het niet-deelnemen aan het Avondmaal komt namelijk in onze kringen niet voort uit een soort laksheid of uit gebrek aan belangstelling, maar uit een schroom die veelal ook een innerlijke strijd tot achtergrond heeft.
Het eerste dan dat we in dit verband wilden opmerken, is dit: Het is onjuist om de vragen betreffende het al of niet deelnemen aan het H. Avondmaal te verschuiven naar het moment dat men als ambtsdrager tot de kerkeraad zal toetreden. Deze vragen dlenen aan de orde te komen bij het doen van belijdenis des geloofs. We willen daarmee niet zeggen, dat de kerk nu een besluit moet nemen, dat alleen diegenen tot het doen van belijdenls mogen worden toegelaten, die van tevoren eerst plechtig beloven, aan het Avondmaal te zullen deelnemen. We willen alleen maar laten zien, dat de kerk toch zelf blijkbaar ook zich in deze materie laat leiden door menselijke overwegingen en rekening houdt met de practijk. Waarom anders zulk een eis pas gesteld bij het aanvaarden van een ambt en niet bij het doen van geloofsbelijdenis?
We willen niets afdoen van de verplichting, die Christus gelegd heeft op de gemeente, om namelijk Zijn dood te gedenken totdat Hij komt. Maar wel achten we hét gevaarlijk om in een tijd, waarin — althans in onze kringen — met deze problemen geworsteld wordt, zo maar ergens midden in te vallen met een kerkordelijke bepaling, dat men slechts ambtsdrager kan worden, als men ook Avondmaalsganger is. Op deze wijze laten we iets los, wat de kerk der Reformatie, komende uit Rome, juist met grote beslistheid heeft willen vasthouden: Het moet altijd mogelijk blijven, dat de ambtsdragers gekozen worden uit het geheel van de leden der gemeente. We mogen toch nooit een kleinere cirkel gaan trekken onder de lidmaten der gemeente, waar we dan noodzakelijk binnen moeten blijven als we amlbtsdragers gaan verkiezen. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat men bij zijn keuze het al of niét deelnemen aan het Avondmaal zal laten meespreken, evengoed als men ook allerlei gaven en aanleg zal laten meespreken bij het kiezen van de één boven de ander. Maar het is wat anders als men door een volledig onpersoonlijke wettelijke bepaling onder de leden der gemeente een grens gaat afbakenen waar men dan niet overheen mag gaan bij het verkiezen van kerkeraadsleden.
Principieel kunnen we er ook al weer geen bezwaar tegen hebben, dat de kerk het al of niet deelnemen aan hét H.A. brengt in het kerkelijk-juridische vlak. De Heere eist het van de gemeente en daarom mag de kerk niet blijven staan bij een aanraden en wensen. Maar dan moet men ook volledig zijn en niet pas gaan beginnen bij de ambtsdragers.
Het lijkt ons daarom nodig en goed om deze materie vooralsnog te houden op het pastorale vlak; over deze dingen zal eerst grondig pastoraal gesproken dienen te worden met de ambtsdragers. Als men nu zonder meer een kerkordelijke bepaling maakt in deze geest, dan is het gevaar groot dat het een bepaling wordt, die in de lucht hangt, omdat ze niet leeft bij- en geen binding heeft aan de mensen voor wie deze bepaling geldt. En dit is op elk terrein, maar vooral ook in de kerk bedenkelijk.
Maar dit alles legt op ons dan de verplichting om er ook inderdaad pastoraal mee bezig te zijn, en serieus er mee bezig te zijn. We vrezen, dat dit in onze kringen nog wél eens ontbreekt.
Wat verder déze materie zo moeilijk en ingewikkeld maakt, is het feit dat de ker'k in haar aanpak van deze dingen blijkbaar van een andere theologie uitgaat en daarom zich op een ander vlak beweegt. Wanneer in onze kringen ambtsdragers van het H.A. wegblijven, dan vloeit dit voort uit een ernst-maken met de H. Schrift. Men mag dan zeggen, dat het een geheel verkeerde ernst is, in ieder geval is het stellig geen gebrek aan belangstelling of gemakzucht. We menen echter, dat als de kerk een bepaling, bevattende de genoemde verplichting, zou aannemen, zij dan inderdaad wel laksheid en gemakzucht wil bestrijden. Als men verneemt hoeveel moeite men in vele gemeenten heeft om kerkeraadsleden ook nog naar de kerk te krijgen als' ze geen dienst hebben, dan zal een bepaling over het deelnemen aan het H.A. wel in dezelfde lijn liggen. Voor ons besef is dit volkomen vreemd, maar niet voor diegenen, die er van uitgaan, dat het met de verzoening wel in orde is, doch dat men nu maar te traag en te laks is om dit te accepteren en uit te dragen door de gang naar het H.A. Als men uitgaat van de overtuiging dat het heil in de prediking beloofd wordt en in het H.A. beleefd, dan wordt het Avondmaal alleen maar het antwoord van de mens, de geloofsdaad bij: uitnemendhend. En dan kan men inderdaad op dit vlak te velde trekken met wettelijke bepalingen tegen laksheid en gemakzucht (Vergl. dr. A. F. N. Lelkkerkerker, De Reformatie in de Crisis, pag. 19).
Wanneer dit zo is, dan diene de kerk toch wel te bedenken, dat zij met een eventuele dusdanige bepaling toch ook mensen treft, die zij — naar we menen — niét bedoelde te treffen, en dat de uitwerking er van ook volledig afwijkt van hetgeen men beoogde.
Allereerst dringt zich hier natuurlijk de noodzaak op van theologische bezinning aangaande deze materie aan de hand van Schrift en belijdenijs. Wat echter de practische zijde van de zaak betreft, hopen we dat de kerk tot het inzicht zal komen, dat wettelijke bepalingen hier ongelukken zullen aanrichten, zodat zij momenteel niet verder zal gaan dan een pastoraal behandelen van deze vragen.
* Inleiding, gehouden op de contio van predikanten van de Gereformeerde Bond op 7 januari j.i.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's