ROOMS OORDEEL OVER LUTHER 4
Veel van de Luther-critiek die we al tegenkwamen, ontmoeten we ook bij W. H. van de Pol, die reeds meer dan één werk wijdde aan het zgn. , , gesprek tussen Rome en de Reformatie" en die in zijn boek „Het Wereldprotestantisme" (1956) een kleine honderd bladzijden voor Luther en het lutheranisme reserveerde. Als we ons niet vergissen is deze Luther-critiek bij Van der Pol nog iets milder van toon dan bij de apologeten vóór hem. Toch gelden op véle punten dezelfde bezwaren als die we tegen zijn voorgangers inbrachten. Het meest viel ons op de tragische trekken die het Lutherbeeld bij hem draagt. Ook dat is niet nieuw, maar het lijkt ons toe dat naarmate de roomse waardering voor de zuiverheid van Luthers persoon en bedoelingen toeneemt, dit tragische aspect, bijna een gevoel van medelijden, meer gaat overheersen.
Luther heeft het bijzonder slecht getroffen, hij is terecht gekomen te Erfurt waar het zgn. Occamisme de toon aangaf, dat slechts een karikatuur bood van de ware katholieke theologie. Dit Occamisme is Luther noodlottig geworden. Het draagt voor een groot deel de schuld van zijn innerlijke moeilijkheden. Had hij toch maar de grote roomse thöoloog Thomas van Aquino gekend dan was het nooit met hem zover gekomen als nu! Dan zou hij ook nlet zijn leven lang gevochten hebben tegen een karikatuur, een vertekend beeld van het échte Rome. Nu heeft zijn opleiding er schuld aan niet alleen dat hij van het katholieke geloof is vervreemd maar ook dat er ernstige dwalingen in zijn theologie terecht kwamen. Van der Pol zegt zelfs, dat in Luthers leer en theologie vanuit het Occamisme de , , pelagiaanse opvatting van het wezen der genade" 'is overgegaan. Dus Luthers genadeleer pelagiaans, dankzij zijn opleiding te Erfurt! Wie kan hier nog het woord , , tragiek" vermijden? Er komt nog bij, dat Luther in het klooster geen goed monnik is geweest. Van der Pol schrijft: , , In elk geval schijnt Luther zijn kloosterlijke staat op een weinig evangelische wijze beleefd te hebben en is het zijn overheid niet gelukt om hem tot gezondere inzichten te brengen", (blz. 37). Ook nu moet weer het woord , , Iragiek" vallen.
Eerst iets over Luthers 'Occamisme. Onder , , Occamisme" wordt verstaan de theologie van de Engelsman William van Occam (gest. 1350), een theologie die nogal wat verschilde van die van Thomas van Aquino, die vooral na Luther dé theoloog van de roomse kerk is.
Nu heeft ontegenzeggelijk Luther de roomse theologie in occamistische vorm leren kennen. Maar dan toch wel in de gematigide vorm die Gabriel Biel er aan gegeven had, wat niet over het hoofd mag worden gezien.
Hoe het eventueel gegaan zou zijn indien Luther eens niet de roomse tlheologie in deze vorm, maar in de vorm die Thomas er aan gaf had leren kennen, lijkt ons een vraag waar geen antwoord op te geven is, en waar ook geen antwoord op behoeft te worden gegeven.
Dat hij dan evenwel tot een ander oordeel over Rome zou zijn gekomen is niet te verwachten. Het is nog steeds een open vraag wat Luther nu precies wel en wat hij niet van Thomas kende. In elk geval zal hem Thomas' denkwijze niet geheel ontgaan zijn aangezien de thomist Von Staupitz zijn biechtvader was en hij in 1518 te Augsburg met de meest beroemde thomist van die dagen kardinaal Cajetanus - disputeerde.
Betreffende de invloed van Occam op Lutlher, het is toch wel heel onjuist hier een waarde aan toe te kennen als Van der Pol doet. Wie kan na het lezen van Luthers boek , , Over de geknechte wil" nog met enig recht spreken van een , , pelagiaanse genadeleer" die Luther van Occam zou hebben overgenomen'! In Luthers manier van zeggen moge er inderdaad het een en ander zijn dat aan Occam herinnert, hoewel we geen voorbarige conclusies moeten trekken zolang het onderzoek naax de theologie van Occam nog maar aan het begin staat. Men heeft in de roomse theologie al in geen eeuwen aandacht geschonken aan Occam omdat het thomisme overheerste. We kunnen aansluiten bij Heinrich Boehmer (Der junge Luther, p. 122), die zegt dat Luthers christendom alles eerder is dan Occamisme. Hij noemt de punten op waarin Lnther juist met het Occamisme in conflict is gekomen: zijn opvatting van het kwaad en van de zonde, van de vergeving en van de genade, van wet en evangelie, van de vroomheid naar zijn religieuze en naar zijn zedelijke kant. Deze grondgedachten van zijn prediking heeft Luther verkregen in strijd met het Occamisme, zegt Boehmer.
Er is echter nog meer. Genomen het feit dat Luther inderdaad de roomse theologie overwegend in occamistische vorm heeft leren kennen, dat betekent evenwel nog niet dat hij tegen een karikatuur heeft gestreden. Het Occamisme was een , , school" en een school is nog iets anders dan een kerk. De roomse kerk nu heeft Luther wel degelijk leren kennen zoals ze is. En dan zien we hem in botsing komen met de sacramenten: de biecht geeft hem niet de vrede die hij zoekt; de absolutie van de priester faalt, hij voelt zich daarna nog een even groot zondaar. Zo zou het ook geweest zijn en misschien nog wel méér, indien hij aan een thomistische school zijn opleiding had gekregen. We behoeven werkelijk geen medelijden met Luther te hebben als zou de man zich deerlijk hebben vergist.
En wat zijn monnik-zijn betreft, hij was wel terdege een goed monnik, misschien moeten wij zeggen: hij. was een te goed monnik; met de gemakkelijke troostmiddelen die zijn kerk hem bood kon hij de onrust van zijn zondig hart niet stillen.
Zelfs Von Staupitz, de thomist, kon hem niet afdoende troosten. De gedeeltelijke troost die Luther uit zijn woorden putte dankte hij bovendien niet aan Von Staupitz' thomisme maar meer aan zijn „moderne devotie" in de geest van Thomas a Kempis-, waar Von Staupitz ook een vertegenwoordiger van was.
We zijn aan het einde van ons overzicht gekomen. Meer dan voorheen staat Lüther in de roomse belangstelling. De tijd is voorbij (gelukkig!) dat men enkel op hem schold of hem negeerde. Dit is winst al staat er tegenover dat we nog steeds in het roomse Lutlherbeeld niet het ware beeld van Luther kunnen vinden.
Nu is echter Rome niet de enige die in de loop der eeuwen het beeld van Luther heeft vertekend. Het is niet gemakkelijk om de reformator van Wittenberg werkelijk te kennen, in ieder geval minder gemakkelijk dan die van Geneve, Calvijn. Er ligt ook voor de reformatorische christenen op dit terrein nog veel werk. Maar boeiend, want wie moet niet toegeven dat Luther waarlijk een van de groten is?
Er is weinig uitzicht op dat men van de zijde van Rome tot een Lutherbeeld komt waar wij ons geheel mee verenigen kunnen. Men komt hier namelijk niet klaar met enkel de feiten te memoreren, Lutiher zelf dwingt ons die feiten te interpreteren, we kiezen vóór hem of tégen hem. Dat betekent niet dat wie voor hem kiest alles van hem slikt en overneemt, zélfs niet van zijn theologie. Maar daar waar het Luther om ging, daar ging het ook Calvijn om, en daar gaat het nog steeds om in het zuiver reformatorisch christendom.
Het is een voorrecht ook bij Luther te mogen behoren, daarom valt de keus niet moeilijk. Hij heeft ons weer het zuivere Evangelie gegeven, dat door Rome venduisterd was en naar ons oordeel nóg is, al zijn de misstanden uit de tijd van de Reformatie gelukkig verdwenen. Het ging Luther in eerste instantie niet om die misstanden, al vond hij ze erg. Hij heeft zelf eens gezegd: Ik zou de papisten met rust laten als ze maar geen valse leer verkondigden! Ontroerend zijn in dit verband ook de troostwoorden die hij schreef aan de stervende Tetzel, de man die nota bene hem door zijn aflaathandel had gebracht tot het vervaardigen van de 95 stellingen, het begin van de strijd; hij schreef hem dat , , het kind een andere vader had", waarmee hij bedoelde dat hij niet Tetzel en zijn aflaathandel er op aan zag als zouden die van alles de schuld hebben. Die schuld berustte Volgens Luther bij de hogere geestelijken en bij de roomse leerontwikkéling.
Het was hem te doen om herstel van de zuivere leer, waarop naar zijn overtuiging een zulvering van het christelijk en kerkelijk leven als vanzelf volgen zou. Doch Rome luisterde niet. Hier zou men met enig recht van tragiek kunnen spreken, al kiezen we liever voor het woord schuld. Het is de schuld die naar ons oordeel, nog steeds op Rome ligt, een schuld niet tegenover óns en zelfs niet tegenover Lüther, maar tegenover diens en ons Evangelie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's