„SCHRIFTUURLIJK VERANTWOORD EN BIJ HAAR WEZEN BEHORENDE” 4
Zoals uit de voorafgaande beschouwingen is gebleken, heeft de oude Christelijke kerk niet nagelaten aan de vrouwen, die daarvoor in aanmerking kwamen, een plaats te geven in het leven der gemeente. Of die Schriftuurlijk verantwoord was., behoeft aan geen twijfel onderhevig te zijn, want het geschiedde onder de leiding der apostelen, en wij gaan veilig, als wij hen navolgen. Ook die andere bepaling: , , bij haar wezen behorend", behoeft geen nadere opheldering na hetgeen wij in de aanvang over deze zaak hebben opgemerkt in verband met de scheppingsorde.
Aan de gestelde condities werd in de oude Christelijke kerk voldaan en, als het breed moderamen zich wil beijveren om aan de vrouw in de gemeente de plaats te geven, die haar naar schriftuurlijke orde toekomt, treedt zij zonder twijfel buiten die orde door de ambten voor haar open te stellen.
Wij hebben kunnen opmerken, dat ook zij falen, die bereid zijn de vrouwen tot het diakenambt toe te laten. Wij onderstrepen het woord ambt. Ook zij, die zich op Calvijn willen beroepen, kunnen dat alleen, indien zij hem misverstaan, door voorbij te zien, dat Calvijn onderscheid maakt tussen de werkzaamheid van het diakenambt, waarvan wij de instelling in het zesde hoofdstuk der Handelingen lezen, en de diensten in de gemeente tot verzorging der armen en tot verpleging der zieken. Calvijn blijkt ook in deze zaak weer nauwkeurig gelezen te hebben.
In verband met deze stand van zaken behoeft echter geen bezwaar gemaakt, als de kerk de diensten der vrouwen, die intussen zeer gewenst en menigvuldig kunnen zijn, wil organiseren.
Het is niet in de eerste plaats nodig een soort orde van gemeente-weduwen op te richten. Daartoe was wellicht in de eerste eeuwen meer aanleiding dan thans. Anderzijds wil dit ook niet zeggen, dat weduwen niet in het werk der vrouwen zouden worden opgenomen.
Meer ligt het voor de hand van uit de nood en de behoefte aan allerlei hulp in een gemeente uit te gaan en hulpvaardige vrouwen die in aanmerking komen en daarvoor tijd kunnen afzonderen tot verschillende diensten aan het werk der opzieners en diakenen te verbinden.
Het zijn heus niet alleen de diakenen, die van de hulp der vrouwen zeer gediend zullen zijn, want ook de opzieners komen vaak omstandigheden tegen, waarin een beroep moet worden gedaan op de helpende hand der vrouw. Men denke hierbij nu niet in de eerste plaats aan gezinsverzorgsters en sociale werksters. Het is zeer nuttig, dat zij er zijn en dat ook voor een goede opleiding gezorgd wordt, maar men vatte onze gedachtengang toch niet al te schools op.
Geschoolde gezinsverzorgsters en sociale werksters zulien uit de aard harer opleiding voorop trekken, maar men kan moeilijk verwachten, dat de gemeenten zo maar in het algemeen voldoende geschoolde (en gesalarieerde) krachten zullen kunnen aantrekken om in aile nood en behoefte aan hulp te kunnen voorzien. Daarom, reeds zou het bijzonder aantrekkelijk zijn, als zij werden bijgestaan door een kring van vrouwen, die behalve de bekwaamheid ook de liefde en toewijding hebben om naar de eis der omstandigheden huishoudelijke hulpdiensten te verrichten. Of zij de naam zouden dragen of niet, maar zulke vrouwen zouden echte diaconessen d.i. dienaressen zijn.
Deze diaconessenarbeid zou zich veel verder kunnen uitstrekken dan alleen de huishoudelijke diensten. Ook al is het niet nodig het , , kerkewerk" in alle delen van zijn georganiseerde geledingen over te nemen of na te bootsen, is er in de gemeente werk te over, dat door mannen en vrouwen, gemeenteleden, onder de leiding van het ambt en tot hulp en bijstand van de mannen, die in het ambt staan, kan worden verricht.
De dienaren des Woords hebben er naar het apostolische voorbeeld recht op, dat zij van hun arbeid niet worden afgetrokken door allerlei beslommeringen en zorgen. Zij zullen uit de aard der zaak zich ook aan de bemoeienis daarmede niet kunnen en mogen onttrekken, maar zij kunnen en mogen zich daaraan ook niet geven tot nalatigheid in de Dienst des Woords. Dat wil zeggen: zij kunnen leiding geven en orde op zaken stellen en zich laten bijstaan door bekwame en toegewijde mannen en vrouwen, die zich beijveren willen in de Heere, zoals de Schrift van zodanigen betuigd: (Rom. 16 : 6; Rom. 16 : 12).
Dat geldt mede van de ouderlingen. Zij toch hebben tot taak om met de dienaren des Woords de kudde des Heeren te weiden. Dit is hun eerste taak. In de dagen der apostelen tekende zich die kudde duidelijk tegen de wereld af.
Doch welk een geheel ander beeld vertoont de , .gemeente" in onze dagen! In de grotere plaatsen (en ook in vele kleinere gemeenten) vindt men een kleinere of grotere groep, die zich om de predikant, de predikanten, schaart, maar daarbuiten neemt de kerkelijke belangstelling af tot in zo ontstellende mate van vervreemding, die het onderscheid tussen kerk en wereld volkomen heeft uitgewist.
Deze situatie roept om krachten, die zich willen geven aan de taak om de afdolenden en vervreemden op te zoeken en zo mogelijk terug te brengen tot kerkelijk medeleven. De dienaren des Woords en de ouderlingen, die met zorg en in getrouwheid de' kudde welden, kunnen dat zendingswerk niet ter hand nemen zonder dat de kudde schade lijdt. Zij kunnen echter uitzien naar mannen en vrouwen in de gemeente, die bekwaamheid en gaven, maar ook tijd en genegenheid, hebben om dat werk te doen onder hun leiding en toezicht van het ambt.
En er is nog zoveel meer, als wij denken aan de jeugd der gemeente en aan de kinderen, die aan de vervreemding van God en van Zijn dienst zijn prijsgegeven.
Voor mannen en vrouwwen, die begeren in Christus te dienen, is waarlijk gelegenheid genoeg, ook zonder predikant, ouderiing of diaken te zijn. Indien ieder Christen zijn roeping krachtens het ambt der gelovigen verstaat en getrouw in acht neemt, overal waar hij verkeert: in werkplaats, school, kantoor en fabriek, is er nog een heirleger van profeten in de wereld werkzaam in prediking en vermaning, waarvan de vrucht niet zal uitblijven.
Het is volstrekt niet nodig priesters of predikanten als arbeiders te vermommen en in de fabriek te zenden. Dat is ook niet de weg. In het geloof in de Christus der Schriften ligt als zodanig een taak nl. om van Hem te getuigen.
Klaarblijkëlijk zijn de eerste Christenen daarin zeer getrouw geweest en daaruit is het ook te verklaren, dat zovele mannen en vrouwen worden genoemd en geroemd om hun diensten in de gemeenten. In onze tijd schijnen sommigen te menen, dat iemand slechts dient en dienen kan, als hij of zij predikant, ouderling of diaken is en in de kerkeraad zitting heeft.
Dat is in de oude Christelijke kerk alzo niet geweest. De algemene betekenis van het woord diaken doet dat althans vermoeden. De organisatie van de diensten gaf daaraan zelfs een zeker officieei karakter, zonder de dusgenaamde diakenen op één lijn te stellen met de beheerders van de armenkas overeenkomstig de instelling in het zesde hoofdstuk van de Handelingen medegedeeld. Wij hebben een en ander uiteen gezet aan de hand van Calvijn's Inistitutie.
Om die redenen kan men ook uit de woorden van de apostel Paulus in Romeinen 16 : 1 en 2 , , die een dienares (diaconos) is der gemeente" niet besluiten, dat Febé het diakenambt bekleed heeft, in de zin van Handelingen zes. Zij betooorde tot de , , erkende" dienaressen (diakenen) der gemeente. Later werden zij diaconessen genoemd. Het zou aanbeveling verdienen vele van zulke diaconessen in de arbeid der gemeente te betrekken ais gewenste hulpen van predikanten, ouderlingen en diakenen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's