De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 45

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 45

7 minuten leestijd

ZONDAG 42

De vijfde bede.

Wat omvat de vijfde bede? Antwoord: Dat het God behage, ons onze zonden te vergeven. Zo begint Calvijn de betekenis van het: Vergeef ons onze schulden weer te geven. Deze bede spreekt van zonde en zondigheid ze doet de vraag rijzen, of wij allemaal zo zijn of enkel sommigen? Zo komt het tot de vraag: Is er enig mens zo rechtvaardig, dat hij dit niet nodig heeft? Die vraag kan ons ongerijmd lijken; Calvijn wist, dat ze in zijn tijd zeer aan de orde was. De zogenaamde Geestdrijvers, die de volmaakbaarheid van de geestelijke mens leren, hebben deze bede van het Onze Vader uitgeschakeld. Ze beliefden David, de auteur van Psalm 32, die z'n zonden belijdt, een nog vleselijk man te noemen, die door hen blijkbaar werd overtroffen.

Er waren dus nogal wat mensen, die op deze vraag bevestigend antwoorden. Maar Calvijn ontkent het scherp. Hij antwoordt: Neen, want de Heere Jezus heeft het gebed aan Zijn discipelen gegeven, voor Zijn Kerk Wie zich dus aan deze bede zou willen onttrekken, zou zich buiten de gemeenschap der christenen stellen. En inderdaad betuigt de Schrift ons, dat de volmaakste, als hij zich op één punt voor God wil rechtvaardigen, in duizend opzichten schuldig zal worden bevonden (Job 9 : 2, 20). We hebben het dus allen nodig, onze toevlucht te nemen tot Gods barmhartigheid. Wat Calvijn hier schrijft, is ook ongeveer, wat hij aan de Geestdrijvers antwoordt. Een zondeloze wereld is een droomwereld. Een zondeloos mens is even onmogelijk als een toren van water. De blijvende noodzaak van vergeving wijst op blijvende zonde (, , overblijfselen", wil Calvijn ze wel noemen) die in de rijpste christen nog worden gevonden. Op zekere (weinige) punten kunnen we weleens lijken uit te blinken en dan kan de waan van volmaaktheid ons gemakkelijk bespringen. Maar tegen één (schijn-) deugd staan 1000 werkelijke ondeugden, naar Job het eens stelde. Daarom is onze schijnbare aannemelijkheid in geen enkel opzicht een goede rede en Gods vergevende barmhartigheid in Christus onze ene vluchthaven.

Zonden zijn schulden.

Hoe meen je, dat deze vergeving ons wordt geschonken? Antwoord: Zoals de eigen woorden, die de Heere Jezus gebruikt heeft, tonen. Die drukken uit, dat zonden schulden zijn, die ons aan het oordeel van de eeuwige dood onderwerpen. Wij bidden, dat God er ons van vrijspreke, krachtens Zijn vrije goedgunstigheid. De nadruk ligt hier op het woordje: schulden. Zonden zijn niet maar zwakheden, onvolmaaktheden of dgl., waaraan we niet te zwaar tillen moeten, maar ze zijn schulden, in moedwil gemaakt. Daarom is er ook geen sprake van, dat de Heere ze maar wat door de vingers ziet. Van betalen of afbetalen (moderne, maar ook zeer oude gedachte!) kan geen sprake zijn. Zo blijft alleen de mogelijkheid ter ontkoming, dat de Heere ze ons vrijwillig en onverplicht kwijtscheldt. Dit is immers een Koninklijke stijl alle pogen tot afdingen of afbetalen is kleinburgerlijk en heeft géén plaats bij de burgers van Gods Koninkrijk.

De zondeschuld kan alleen onverdiend worden vergeven.

Dus je vat het zo op, dat wij vergeving van zonden ontvangen door de onverdiende goedheid Gods? De catechisant beaamt het, zeggend: Ja, want wij kunnen geheel geen voldoening aan God geven voor het minste vergrijp, dat we gepleegd hebben, wanneer God niet tegenover ons Zijn onbekrompen vrijgevigheid betoont, door ons alles te vergeven. De betaal- en afbetaallust, in de Roomse theologie zo veelvuldig, maar ook elders wel bekend, wordt hier steeds weer tegengesproken. In de Roomse gedachte zijn God en mens altijd partners, zodat ook aan de mens altijd wat wordt toegekend. Hoewel Calvijn de hoge gedachte, die Paulus uitspreekt, als hij ons mede-arbeiders Gods noemt, van harte beaamt, betekent dit toch nooit dat het tot zoiets als een „compagnonschap" komt. De kloof van Schepper-schepsel; van Schepper en zondaar is daartoe te breed en te diep.

De zekerheid der vergeving.

Galvijn zou dus kunnen besluiten, zoals hij het elders doet: de vergeving onzer zonde is het heilige anker, dat alleen ons levensscheepje vasthoudt. Hij doet dat ook feitelijk, want hij spreekt van de vruchten, die dat anker voor. schip en schepelingen heeft: Wanneer God ons onze schulden vergeeft, welke vrucht en welk nut komt ons daardoor toe? Dit blijkt hierin te bestaan: Door dit middel zijn wij Hem aangenaam, zo, alsof wij rechtvaardig en onschuldig waren en onze gewetens zijn verzekerd van Zijn Vaderlijke liefde tegenover ons, waaruit ons heil en ons leven voortkomt. Daar komt de zaak van de zekerheid des heils en des geloofs om de hoek kijken. Bij de Geestdrijvers en ook bij Rome is die zekerheid altijd wankel, omdat de mens het immers zelf presteren of mee-presteren moet. Alleen een zo radicaal verstaan van Gods genade, als we dat bij Caivijn en in heel de Hervorming vinden, heeft plaats voor een werkelijke geloofs- en heilszekerheid. Caivijn vindt het centrum daarvan in ons geweten. Hij bedoelt daarmee niet ons natuurlijke geweten, maar het geschrokken en getrooste geweten, waarvan Luther en Kohlbrugge op zo'n diepe wijze hebben weten te spreken. Hij bedoelt ermee, dat we de troost der vergeving niet smaken, als we maar niet aan het eind van onze bestdoeningen kunnen komen. Maar dat een verbroken en verslagen hart, een ons aanklagende consciëntie bij God niet veracht wordt.

„Gelijk wij vergeven".

Nu het eerste deel: Vergeef ons onze schuiden is belicht, wordt de aandacht gericht op het vervolg: zoals wij ver­geven onze schuldenaars. De vertaling van deze woorden roept gemakkelijk het misverstand op, dat Calvijn in het komende antwoord weerlegt. Want velen vatten het op, alsof er staan zou:

Vergeef Gij ons, op gelijke wijze, als wij (eerst) onze schuldenaars vergeven. Dan zouden wij voorop lopen en de Heere achter ons aan mogen komen. Zo staat het dan ook heel niet. De goddelijke vergeving gaat voorop. En zij wekt in ons van nature wraakzuchtige hart de wil, om, waar de Heere zo kwijtschold talenten, een naaste ook te vergeven de enkele koperen penningen, die hij ons schuldig bleef. Zo tekent het immers die aangrijpende gelijkenis. De Koning vergeeft eerst. En de hardvochtige onderdaan wordt daardoor zo in gebreke gesteld, omdat zijn Koning zo royaal voorging en het bij hem toch niet tot een volgen in gelijke stijl kwam. De vraag wordt zó geformuleerd: Als je zo bidt, dat de Heere ons vergeve, zoals wij vergeven, die ons beledigden, vat je dat dan zo op, dat wij het verdienen, dat God ons vergeeft, doordat wij de mensen vergeven? Daarop kon wel moeilijk anders worden geantwoord dan hier gebeurt: Neen! Want dan zou de vergeving niet uit genade zijn en zou ze niet gegrond zijn in de voldoening, die is geschied door het sterven van onze Heere Jezus Christus, zoals dat het geval moet zijn. Maar als wij vergeten de beledigingen, die men ons aandoet, volgen wij Gods goedheid en zachtmoedigheid na, geven er zo blijk van, dat we Zijn kinderen zijn. Dan geeft Hij ons dit teken, om ons zekerheid te schenken. En aan de andere kant geeft Hij ons te kennen, dat wij in Zijn oordeel niet anders dan strengheid en uiterste hardheid moeten verwachten, wanneer wij zelf niet gaarne vergeven, om „gratie" te verlenen aan hen, die bij ons in de schuld staan.

Deze woorden spreken voor zichzelf. Als er nog moeilijliheden zijn: leg er de gelijkenis van de schuldenaars naast en u zult erkennen, dat het zó staat.

„Met wat maat gij meet..."

Dan besluit Caivijn met een laatste vraag: Dus je vat het zo op, dat God niet als Zijn kinderen erkent hen, die maar niet kunnen vergeten de beledigingen, die men hen heeft aangedaan, zodat zij niet moeten verwachten, dat zij aan Zijn genade deel hebben? Ten besluite wordt dan geantwoord: Juist! Allen moeten weten, dat met de zelfde maat, waarmee zij hun naaste meten, hen zal worden vergolden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 45

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's