De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nadere repliek 2

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nadere repliek 2

11 minuten leestijd

OP HET ANTWOORD VAN DE GENERALE SYNODE OP DE RESOLUTIE VAN DE VERGADERING VAN AMBTSDRAGERS TE UTRECHT OP 13 OCTOBER 1958, OPGEDRAGEN AAN HET BREED MODERAMEN VAN DE GENERALE SYNODE VAN DE NED. HERV. KERK,

In de resolutie wordt de synode gevraagd dit besluit nu weer in te trekken als ware deze beslissing op onwettige wijze, in strijd met de orde der kerk, tot stand gekomen zonder een biddend luisteren naar Gods Woord. Indien de synode hieraan gevolg zou geven zouden echter de dingen in onze kerk niet wel en ordelijk, naar de „geestelijke politie", toegaan, — om met de woorden van art. XXX der N.G.B, te spreken —.

Over deze passage behoeven wij na het voorafgaande en na hetgeen in ons voorlopig antwoord aan de synode reeds werd opgemerkt, niet meer uitvoerig te handelen.

Ook hier is het weer duidelijk, dat het breed moderamen in haar eigen zwaard valt. Het breed moderamen had volgens art. XXX der N.G.B, moeten spreken en handelen, toen men bij haar aanklopte om de toelating der vrouw tot het ambt aan de orde te stellen. Toen had men op grond van art. XXX kunnen afwijzen. Doch tevergeefs en ten onrechte wil zij aan art. XXX een argument ontlenen om niet terug te komen op een besluit, dat door de belijdenis van dat artikel geoordeeld is.

Hiermede willen wij intussen niet zeggen, dat, nu de beslissing inzake dé vrouw in het ambt is gevallen, de synode niet meer open zou behoeven te staan voor een nieuw of herhaald beroep op de H. S. Dit beroep op het Woord, dat in de kracht van de Heilige Geest door eigen evidentie de harten overtuigt, staat vanzelfsprekend open en hiernaar, maar ook hiernaar alleen, zal de synode steeds moeten blijven luisteren. Het is immers een kenmerk van het gereformeerd protestantisme — min of meer in onderscheiding van het lutheranisme — dat het gezag van de H. S. niet als een uiterlijke autoriteit behoeft te worden aanvaard, omdat de Kerk de boeken voor heilig houdt, maar omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten dat zij van God zijn, gelijk in art. V der N.G.B, wordt beleden.

Van verschillende zijden — een bredere groep dan die der Gereformeerde Bond — is gepoogd, reeds tijdens de voorbereiding van de beslissing, aan te tonen, dat de toelating van de vrouw tot het ambt tegen Gods Woord is. Op de verschillende vergaderingen zijn de ambtsdragers samengekomen om met elkander — overeenkomstig het gereformeerd belijden — te trachten Gods Woord in dezen te verstaan. Naar het beroep van hen die in de H. S. een duidelijk verbod meenden te lezen is in vaak diepgaande en eerbiedig-zoekende discussies geluisterd, waarbij het Woord „grondig en oprecht" werd onderzocht. Dit beroep heeft echter tenslotte de meerderheid niet kunnen overtuigen.

De beslissing inzake de vrouw in het ambt is gevallen, maar het breed moderamen wil daarmede niet zeggen, dat de synode niet meer open zou behoeven te staan voor een nieuw en herhaald beroep op de Heilige Schrift. Ondersteld wordt alzo de mogelijkheid, dat een nieuw en herhaald beroep op de Heilige Schrift tot een andere dan de genomen beslissing zou kunnen leiden.

Ziedaar de onzekerheid van een Bijbelbeschouwing, die het breed moderamen kennelijk voortreffelijker acht dan het Schriftgeloof der vaderen.

Hoewel deze passage aan duidelijkheid te wensen overlaat, kan de onderstelling niet zo ver mis zijn, dat het breed moderamen een beroep wil doen op een eigen evidentie van het Woord. Het heeft er zelfs alle schijn van, dat aan een evidentie des Woords naast en tegenover de evidentie van de letter wordt gedacht. Voorts kan het beroep op het Woord waarnaar de synode gezegd wordt „steeds te moeten blijven luisteren", moeilijk op wat anders betrekking willen hebben dan op die „eigen" evidentie.

Moeten wij uit een en ander verstaan, dat volgens de eigen evidentie des Woords de vrouw tot het ambt kan worden toegelaten, ofschoon de letter het verbiedt?

Heel dit gebouw stort echter in elkaar, als men in aanmerking neemt, dat die eigen evidentie ten aanzien van de gevallen beslissing, zoals men in de eerste zinsnede van deze passage lezen kan, niet aanwezig is. Anders behoefde de synode niet voor een nieuw of herhaald beroep op de Heilige Schrift open te staan.

Wat er verder over gereformeerd-protestantisme en lutheranisme wordt beweerd in verband met het gezag van de Heilige Schrift zullen wij maar niet aan critiek onderwerpen. Dat zou een hele verhandeling worden, maar, die voor deze passage verantwoordelijk zijn, zullen toch verstandig doen b.v. de Institutie van Calvijn eens na te lezen, waar hij handelt over het gezag der Heilige Schrift.

Zij zullen dan ook inzien, dat hun beroep op art. V der N.G.B, niet kan dienen om hun theorie omtrent de eigen evidentie te bevestigen. Art. V is een geloofsbelijdenis. „Wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is." Op dat geloven komt het aan. Het gaat om de geloofwaardigheid van alles wat daarin begrepen is en daarom om de erkenning van het goddelijk gezag der Schrift. Dat geloof is niet maar een aannemen, maar een gave Gods door de werking van de Heilige Geest. In dat geloof verschijnt heel de Heilige Schrift voor ons als openbaring Gods en als orgaan Zijner openbaring. De kerk houdt de Schrift voor heilig en kanoniek, doch als wij haar alleen voor Gods Woord houden op gezag van de kerk, dan missen wij die innerlijke gemeenschap met de waarheid Gods, die de Heilige Geest in onze harten werkt. Want de Here heeft de zekerheid van Zijn Woord en Geest met een wederkerige band onderling verbonden.

In dit artikel wordt dus in genen dele geleerd, dat het gezag van de Heilige Schrift niet als een uiterlijke autoriteit behoeft te worden aanvaard, maar er staat wel in, dat zulks niet genoeg en ontoereikend is om haar goddelijke waarheid te zien en te verstaan en voor haar goddelijk gezag te buigen. Dat werkt alleen het geloof, door de Heilige Geest. Vgl. Calvijn Institutie: I.VII.l. „Maar aangezien geen dagelijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Here goedgedacht heeft zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voort­ bestaan, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden."

Dit getuigenis van Calvijn en van de belijdenis wordt dagelijks in en buiten de kerk door de ervaring bevestigd.

Wanneer er derhalve in een vergadering mensen bijeen zijn, die dat reformatorisch Schriftgeloof in gemeenschap met de vaderen delen, en mensen, die in dat geloof niet staan, kunnen ze niet „met elkander" — overeenkomstig het gereformeerd belijden — trachten Gods Woord ten aanzien van de toelating der vrouw tot het ambt te verstaan, om de eenvoudige reden, dat zij met elkander niet in de geloofsgemeenschap van het gereformeerd belijden staan. Immers voor de Schriftgelovigen is de Schrift duidelijk, terwijl de anderen discutabel stellen wat voor de eersten is als de levende stem Gods uit de hemel.

Van een elkander overtuigen kan dan ook geen sprake zijn. De een kan zijn geloof, dat het Gods wil zó is, niet prijsgeven en de ander kan met geen redelijk argument overtuigd worden van het recht van dat geloof.

Het is dan ook te enen male onjuist wanneer in de resolutie wordt gesteld, dat de synode welbewust de duidelijke uitspraken van de H. S. negeerde. Wij moeten u broederlijk maar eerlijk en scherp zeggen, dat dit hoogmoedig, wettisch en ongeestelijk gesproken is. Het kan toch niet naar de geest van Christus zijn u op deze wijze tot de synode uwer kerk te richten. Door deze dingen zo te stellen, gaat u ten onrechte uit van de onderstelling, als zouden zij, die in de generale synode vóór de toelating van de vrouw tot de ambten hebben gestemd, daartoe hebben besloten, hoewel zij wisten dat deze toelating in strijd met de H. S. was, aldus willens en wetens ontkennende dat de „H. S. ons als het Woord van God is gegeven".

Uitermate ernstig achten wij vervolgens het feit, dat u in uw resolutie zo ver gaat te concluderen, dat door het nemen van de gewraakte beslissing inzake de vrouw in het ambt een zodanige schriftbeschouwing en schriftgebruik plaats heeft gekregen in de Ned. Herv. Kerk, dat de synode onze kerk hierdoor heeft overgeleverd aan een chaos van meningen. Blijkens het verslag van de vergadering in de „Waarheidsvriend" van 23 oktober 1958 is hiermede inderdaad bedoeld dat de ganse verkondiging en de zekerheid van de beloften van het Evangelie nu op losse schroeven zijn komen te staan.

In deze passage horen wij een stem van uit het breed moderamen doorklinken zo van: „dat moet maar eens gezegd worden".

Het broederlijke vindt wellicht nog een aanrakingspunt in het besef, dat die ambtsdragers toch waarlijk de Schrift en de belijdenis aan hun kant hebben en dat het heus niet zo evident is, dat het overeenkomt met Gods wil de vrouw tot het ambt toe te laten. Het eerlijke kan uitdrukking geven aan het verzet in eigen boezem en het scherpe is dan niet moeilijk meer te verklaren.

Of het ook billijk is?

Wie geeft aanleiding om van „hoogmoedig" te spreken? Degenen, die in gemeenschap met het geloof der vaderen gehoorzaamheid zoeken aan de duidelijke uitspraken der HeiHge Schrift, of degenen, die zich desondanks boven de Schrift verheffen?

„Wettisch gesproken, " zegt men, en „ongeestelijk". Paulus spreekt van „des Heren geboden" in verband met de onderhavige zaak en doet een beroep op degenen, die door de Heilige Geest geleid worden, dat het zo is. Spreekt de apostel Paulus ook wettisch en ongeestelijk? (Vgl. 1 Cor. 14 : 37.)

Dan maar liever „wettisch en ongeestehjk" met de apostel Paulus dan „geestehjk" met degenen, die het beter menen te weten.

„Het kan toch niet naar de geest van Christus zijn u op deze wijze tot de synode uwer kerk te richten."

Wie deze zinsnede heeft uitgedacht, weten wij niet, maar in ieder geval is het breed moderamen daarvoor aansprakelijk. „Tot de synode uwer kerk, " alsof de synode enige overheidsmacht bezat, en dat in de kerk, die uit de reformatie stamt met' een gereformeerde behjdenis! Volgens gereformeerd kerkrecht zal geen dienaar des Woords over andere dienaren, en geen vergadering over de andere heersen. Dat is trouwens overeenkomstig de leer van de Here Jezus Christus. (Vgl. Markus 10 : 42—45.) Zo is er in de Kerk van Christus geen gezag dan dat van het Woord, dat ons in de Heilige Schrift is toebetrouwd. En zou dan niet ieder lidmaat reeds, en zoveel meer iedere ambtsdrager en dienaar des Woords, het recht en de plicht hebben als de synode besluiten, neemt, die tegen het Woord ingaan, haar daarop te wijzen? Dat erkent ook de Kerkorde. Zie art. X, 7. De bezwaren kunnen immers ook het behjden der synode betreffen?

Deze dingen kunnen toch aan het breed moderamen evenmin onbekend zijn als de herhaaldelijk te berde gebrachte duidelijke uitspraken der Heilige Schrift?

Hoe moet men dan oordelen over aantijgingen, alsof wij de synode onrecht deden, als wij zeggen, dat zij welbewust de duidehjke uitspraken der Schrift heeft genegeerd, d.i. niet laten gelden? Is het onrecht als wij zeggen, dat de synode besloten heeft de vrouw tot het ambt toe te laten, terwijl zij er mede bekend is geweest, dat Christus alleen mannen tot apostelen heeft gesteld, dat de diakenen, die men koos, mannen waren, dat de apostel Paulus meerdere keren voorschrijft, dat de opzieners en diakenen mannen zullen zijn, dat de vrouw in de gemeente zal zwijgen, en wat daaraan verder aan plaatsen en argumenten kan worden toegevoegd?

Nog eens: is dat onrecht?

Wij herhalen nogmaals, dat ons ernstig bezwaar gaat tegen de „onheilvolle beslissing der synode", — tegen deze beslissing op zich zelf genomen — en tegen de daarin openbaar geworden verloochening van de reformatorische belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift. (Vgl. artt. III-VII.)

Men kan daarover langer of korter delibereren, maar dat is geen onschuldige zaak. Integendeel, dat heeft zijn consequenties. Mede met het oog op deze consequenties en om het gewicht van de zaak zelf verdient het beleid van de synode ten stelligste afkeuring. Als ongeveer de helft van de leden der synode deze belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift heeft losgelaten, kan dat geen grond zijn voor de synode om te doen, alsof de Kerk haar reformatorisch Schriftgeloof had prijs gegeven. En ook zelfs, indien dat zo ware, zou de synode de belijdenis aangaande de Heilige Schrift en haar goddelijk gezag toch aan de orde moeten stellen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nadere repliek 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's