DE CATECHISMUS VAN CALVIJN 46
Zondag 43
De zesde bede.
Wat volgt er nu ? Antw. : Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze.
De vorm van deze bede doet dan navragen: Doe je daarin maar één bede? Daarop wordt geantwoord : Neen, want het tweede lid is de verklaring van het eerste.
Het valt ons niet moeilijk, dat te beamen : alle verzoeking, ook wanneer ze al niet van de Boze uitgaat, heeft met hem te maken.
Wat is er de betekenis van? Antw.: Dat God ons niet moge doen vallen (misstappen) in het kwaad en niet toelate dat wij door de duivel overwonnen worden en door de kwade begeerten van ons vlees, die tegen ons strijden (Rom. 7 : 8; 1 Cor. 10 : 13), maar dat Hij ons de kracht verlene om weerstand te bieden, ons door Zijn hand ondersteune, ons in Zijn bescherming moge houden, om , ons te verdedigen en te geleiden. (1 Cor. 10 : 13).
Calvijn heft de verantwoordelijkheid van de mens nooit op. De strijd des levens is menens, met hoe povere wapenen onzerzijds ze ook gestreden worde. Maar hij kan toch nooit vergeten van Wie de krachten komen, om die wapens te hanteren. Als wij vallen of in verzoeking vallen, zullen we niet de moed hebben, dat aan de Here toe te schrijven, alsof Hij ten kwade verzoeken kon. Maar als we staande blijven, zeggen we stellig niet, dat onze hand of kracht dat teweeg bracht. Calvijn heeft o.i. in dit antwoord die tweeheid van het goddelijke en het menselijke doen fijn onderscheiden. We worden geen stokken of zoutzakken we worden óok geen Goliath's, voor niets en niemand beducht. We kunnen alleen staan, als Gods oog op vaderlijk-welwillende wijze op ons rust. Dit oog is immers zo over hen, die Hem vrezen en die op Zijn goedertierenheid bouwen. Dat oog wil en kan ons bewaken, zodat de voet (het hart) niet afzwerft. De vijand komt trouwens niet alleen van buiten de poort. Calvijn wijst op de boze begeerten van ons vlees, die hun slagorde tegen ons opstellen. Hij beeldt zo uit die diepe blijvende tweespalt van vlees en Geest, van oude en nieuwe mens, die door Kohlbrugge en de zijnen eigenlijk niet meer te plaatsen valt, omdat we reeds nu in Christus tegenover de Wet een lijk zijn, waardoor de oude mens generlei recht op macht overhoudt. Wat Kohlbrugge reeds in het hier stelt, weet Calvijn bewaard tot de Dag van Christus. Tot zodanig voert de verslagen Vorst der Duisternis, wien de kop vermorzeld is, toch nog maar zijn legerscharen ten strijde. Zijn dat niet meer dan stuiptrekkingen van een dodelijk gewonde ? We stemmen hartelijk toe : niet meer. Maar ook niet minder. Daardoor moeten de verzoekingen, die het leven des geloofs blijft kennen, niet gebagatelliseerd worden, al moeten ze evenmin overschat worden. Blijkbaar geldt voor de Overwinnaar Christus en de geslagen Verzoeker beiden een nog niet (ten volle), dat verklaren kan, waarom overwinning en nederlaag er reeds nu zijn, al zien wij nu nog niet, dat het finaal is. Van de Here zijn de krachten in deze strijd. Zijn hand wil openlijk of verborgen ondersteunen. Hij wil raad geven. Zijn oog wil op ons zijn.
Hoe verzoeking weerstaan wordt.
Hoe gaat dat in zijn werk ? Antw. : Als Hij ons door Zijn Geest bestuurt, om het goede lief te hebben en het kwade te haten. Zijn gerechtigheid te volgen en de zonde te ontvluchten. Want door de kracht van de Heilige Geest komen wij de duivel, de zonde en het vlees te boven.
Is het niet merkwaardig : als Calvijn psycholoog wordt, d.w.z. de diepten van het mensenhart doorzoekt, wordt hij theoloog, d. w. z. ontmoet hij er onze Here God. Het is niet zijn bedoeling, zoals de Geestesmensen dat wilden, dat God, dat de Heilige Geest de menselijke factor geheel uitschakelen, zodat God eigenlijk in ons gelooft (Vgl. Barth). Maar hij doelt op die wondere en genadige ontmoeting in het mensenhart, die bewerkt, dat wij de Here, Zijn Heilige Geest, om en in ons weten, ons sterkend en heiligend, om te staan in de strijd. Het slot klinkt hoog en diep triomfantelijk: door de Geest overmeesterden wij zonde, duivel en wereld. Is het soms te hoog gegrepen ? De gestemdheid van het geloofsleven binnen de Gereformeerde gezindte is doorgaans veel meer getemperd. Maar het staat er toch, dat dit de overwinning is, die de wereld overwint, n.l. een ootmoedig geloof, dat in de Geest roemt en niet in zichzelf ? Wanneer wij, nog wel in de Paastijd, deze triomfzang van Calvijn's Catechismus wat wantrouwen, past de vraag wel, of we onszelf en onze overleveringen van mensen misschien te weinig wantrouwen, zodat we daarom toch maar de gordijnen neerlaten, al schijnt de Zon des Heils lang en klaar ? Calvijn's roemen in de Geest is door Rooms en onrooms verdacht. Hij kon er echter terecht van zeggen : Zonder deze roem staat het Christendom niet!
Hebben allen dat nodig?
De vraag keert weer, die ook in de vorige Zondag zich al roerde : Is dit noodzakelijk voor alle mensen ? We herhalen nu niet in de brede, dat dit blijkbaar door sommigen werd ontkend, en geven liever Calvijn's antwoord weer : Ja! Want de duivel loert altijd op ons, als een briesende leeuw (1 Petr. 5 : 8), gereed om ons te verslinden, en wij zijn zo zwak en bros, dat hij ons voortdurend verslagen zou hebben, als de Here ons niet versterkte, om hen te overwinnen.
Deze nadruk op de algemeenheid der zonde geeft Calvijn gelegenheid te laten weten, hoe diep de zondekanker ons organisme, ook dat van de sterksten, heeft aangetast. Dat maakt ons, die goed, zéér goed waren geschapen, tot zwakke en broze mensen. Tegen die zwakte worden allerlei tonicums, opwekkende middelen aanbevolen, maar zij zijn hun geld niet waard. Het is Israels God, die krachten geeft, zong het oude bondsvolk. De Here nu is de Geest en waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid (van zonde), zo betuigt het bondsvolk der nieuwe bedeling. De Petrus', die op Goede Vrijdag een , , haas" was (en minder), is op Pinksterdag een „leeuw". Het ging om dezelfde vijand, maar op Goede Vrijdag was het vlees zijn sterkte, op Pinksteren de Heilige Geest, die de Here Jezus' ook over hem uitstortte als vurige, louterende kolen op een schuldig hoofd. Dit is van kracht tot op deze eigen dag voor allen, die niet op Petrus, maar op zichzelf stenen werpen en zichzelf alleen ten diepste verachten kunnen. Ze weten, óók een vrucht van de lijdenstijd': Wie mij veracht. God wou mij niet verachten. (Psalm 22).
Verzoebing en beproeving: Satan en God.
Mogelijk komt Caivijn dan dit woord van Jacobus voor de geest, waarin die wat onderscheidt tussen verzoeking en beproeving. Althans stelt hij nog de vraag : Wat betekent het woord verzoeking ? Geantwoord wordt: De listen en bedriegerijen van Satan, die hij gebruikt om ons te verrassen, waar onze natuurlijke aard geneigd is om zich te laten bedriegen en onszelf te misleiden en onze wil eerder geneigd is, zich aan het kwade dan aan het goede over te geven.
Caivijn wil dus de beproeving, die van God komt, onderscheiden van de verzoeking, waarin de Boze de hand heeft. Maar die Boze is niet een rekening, waarop nu alles maar kan worden geboekt, opdat ons tekort slinke en we het mogelijk tot een tegoed brengen. Daarom wijst hij er op, dat onze arme, dwaze natuur en aanleg de Satan dubbel gelegenheid geeft, zijn listen uit te voeren. Ook dat bederf gaat kennelijk niet buiten Satan om, maar het is duidelijk, dat Caivijn hier alleen aan onze moedwil denkt en het schuldkarakter der zonde handhaaft, zoals hij dit ook van de vorige Zondag deed. In alle geval onderstreept hij in deze uitleg die zin uit het vorige antwoord : Waakt en bidt, opdat gij niet in de verzoeking valt.
De onderscheiding tussen beproeving van God en verzoeking van Satan is fijn en diep. En toch schijnt ze hier moeite op te leveren, want nu komt de vraag op : Maar waarom vroeg je dan aan God, dat Hij je niet in verzoeking brenge, waar dit immers het eigen werk van Satan is ? Wat zal hierop moeten worden geantwoord? Toch niet licht iets anders dan dit: Zoals God in Zijn barmhartigheid de gelovigen bewaart, en niet toelaat, dat Satan hen verleidt, of dat de zonde hen overmeestert, zo verlaat Hij niet alleen hen, die Hij wil straffen, door hen Zijn genade te onttrekken, maar Hij levert hen ook uit aan de Duivel, opdat ze aan diens tyrannie onderworpen zullen zijn. Hij verblindt ze en maakt ze tot verworpenen.
Dit is een antwoord, wel geschikt om ons te doen huiveren. Tegenover de gelovigen geldt het; géén verzoeking, wèl beproeving. Hen geldt: De Here laat niet toe, dat Satan Job en zijns gelijken té na komt. Maar Hij laat dat integendeel wèl toe tegenover hen, die Hij wil straffen, die Hem uitdagen en zich met Hem willen meten. Wie zich tegen Hem verzet, heeft nooit vrede gehad. Dan kan het komen tot een hen loslaten, zodat ze vreemd zijn aan alle genadebetoon. Dan kan een mens wel helemaal zijn zin krijgen. Dan kan Satan heel z'n macht betonen en een mens van a tot z innemen, of hij het merkt of niet. Dat brengt een laatste verblinding met zich : zó worden in de practijk des levens de verworpenen openbaar. We letten intussen wèl op Calvijn's spreekwijs. In de Institutie tekent hij, hoe wij, achteraf, d.w.z. vanuit de practijk des geloofs, van onze verkiezing in Christus verzekerd worden. Hij tekent hier op gelijke wijze, hoe wij, uit de practijk des ongeloofs, achteraf van onze (anderer) verwerping verzekerd worden. Van een noodlot, dat iets tragisch inhoudt, is- hier geen sprake : hier wordt schuld op schuld gehoopt en het bloed der verzoening onrein geacht. Het dringt ons dus tot de vraag : Heeft de prediking der verzoening, der bekering, ons geraakt en raakt ze ons nóg? De Here weerstaat immers de hoovaardige, onverbroken liefhebbers van zichzelf. Die aan zichzelf stukbreken, schenkt Hij genade.
De grond der verhoring.
Wat wil de toevoeging zeggen : Want van U is het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid ? Antw. : Om ons nog weer eens in te prenten, dat onze gebeden eerder op God en op Zijn macht en goedheid steunen, en niet op onszelf, die niet waard zijn, onze mond open te doen om Hem te vragen. En ook, om ons te leren, om al onze gebeden met lof aan Hem te besluiten.
, , Nog eens weer", daarin horen we de echo van het „ongelovigen en tragen van hart".
Na het voorgaande moest het onnoidig zijn, om nog eens te zeggen, : ons gebed rust niet in ons, maar alléén in onze Here God. Als wij van verhoring weten, het is niet, omdat- wij koninklijke macht en glorie bezitten, om door te zetten tot het einde, maar omdat Hij die heeft en die ook uitoefent. Elders heeft Caivijn van dit besluit van het Onze Vader dit geschreven: Dit, dit is de vaste grond van onze hoop. Want wanneer het om iets van het onze gaan moest, wie van ons zou ook maar één woord durven spreken ? Hij had ook kunnen aanhalen Psalm 103 : Het Koninkrijk is des Heren en Hij heerst over alles !
Fijn is ook de opmerking, dat al ons gebed met lofzegging aan God moet verbonden zijn. We vragen elkaar alleen maar: Is dat zo, ook bij ons ? Waarom wèl en waarom niet ? We menen toch niet, dat we ooit recht doen, wanneer we de belijdenis van ellende in mlndering brengen van die der dankbaarheid ? Het is de Here geen eer, dat we onszelf zo ellendig gemaakt hebben. Als er van eer voor Hem sprake is, dan kan het alleen zijn, omdat deze ellendige mensen, die wij zijn. Hem nodig kregen als onze Heiland en nodig houden als onze Uithelper.
Letter en Geest van het Onze Vader.
Het Onze Vader vatte al de levensnoodzaak in enkele hoofdzaken samen. Dat betekent niet, dat we om niets zouden mogen bidden, dan wanneer het met zoveel woorden hier is genoemd. Ook niet, dat we bepaald aan deze vaste bewoordingen zouden gebonden zijn, al moet de Heere ze wel om zeer goede redenen zo gekozen hebben.
De laatste vraag stelt: Is het niet geoorloofd, om iets anders te vragen, dan wat hier genoemd is? Antwoord: Hoewel het ons vrijstaat, andere woorden te gebruiken en in andere vorm en op andere wijze, staat het vast, dat geen gebed Gode ooit aangenaam is, tenzij het overeenstemt met dit, dat de enige regel van echt gebed is.
Als we het begin van dit antwoord lezen, vinden we nog eens bewaarheid, dat Caivijn bepaald niet , , wettisch" kan heten. Geen Wonder: de theoloog des Heiligen Geestes, die tevens de theoloog van zonde en genade is, kan alleen een liefhebber van het Evangelie zijn. Het gaat in het gebed om Geest en Waarheid. Wat in ons gebed ook moge wisselen: als het maar niet datgene is, dat de kern en het merg uitmaakt van wat we toch wel terecht noemen: het volmaakte gebed. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's