HEDENDAAGSE LITURGIE (15)
Wellicht was het niet eens zo kwaad, dat in de psalmencommissie van 1773 ook heeft aangezeten Pieter Leonard van de Kasteele, die de nieuwe berijming ondertekende als „Amanuensis van de Edele Mog. Heeren Commissarissen tot de verhetering der Rijmpsalmen", een rechtsgeleerde, van 1782 —1787 pensionaris van Holland, maar ook christen-dichter, als student reeds zeer bevriend met de ons zo bekende christen-dichter Hïeronymus van Alphen. In 1771-72 hebben ze zelfs gezamenlijk uitgegeven , , Proeven van Stichtelijke Mengelpoëzie" (1). Helaas werd in de Franse tijd de vriendschapsband verbroken, toen Van Alphen, als vurig aanhanger van Oranje, zijn vriend de kant der z.g. patriotten zag opgaan (2)".
Het is echter een teken des tijds, dat de commissie in de , , Verklaaring, gevoegd achter het autentique Afschrift der Psalmen", zo onverholen, maar onnadenkend, gemeend heeft te mogen en te kunnen verklaren, „dat wij met alle naauwkeurigheid hébben toegezien, dat in deze nieuwe berijming niets mogte voorkomen, eenigszins strijdig met de aangenoomene leer der Nederlandsche hervormde kerke, zoo als die naar Gods woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de belijdenisse des geloofs en de canones van het Synode nationiaal, te Dordrecht in de jaaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaaren, dat in deze berijming niets gevonden wordt in het allerminste afwijkende van de bovengenoemde Formulieren van eenigheid: 't welk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen".
Ja, dan wrijven wij ons toch even de ogen uit. 't Is de tijd van godsdienstige verdraagzaamheid, waartoe ook, de , , Maatschappij tot nut van 't algemeen" werd opgericht (1784), en waarin nu ineens , , nauwkeurig" op mogelijke afwijkingen van de leer der Drie Formulieren zou zijn toegezien. En het eigenaardige, zeilfs verbazingwekkende, is, dat, als een cliché, genoemde verklaring punctueel-woordelijk is overgenomen door de gezangen-commissie van 1805, als , .Verklaring, gevoegd achter het authtentique afschrift der Evangelische Gezangen", en dat, terwijl nu zelfs o.a. de lof van , , brave Hendrik" wordt bezongen.
Toch geloof ik hier niet aan opzettelijk bedrog. Maar - wij zien, dat de sleutel der kennis zoek is en daarmee ook het aanvoelen en onderscheiden van waarheid en leugen en dwaling. Vandaar de gebreken, op te merken naar woordkeus en inhoud in verschillende verzen der berijming van 1773. Aan de andere zijde zijn er genoeg psalmverzen opgenomen, waarvoor genoemde verklaring mag gelden, ondanks de opstellers ervan, ja, waarin de kracht des geloofs en van Gods vrije genade uitblinkt. Ik bedoel kostelijke verzen als Psalm 25 (ondanks , , deugd" in vers 1); Ps. 32, Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Ps. 51; Ps. 56, Gij hebt mijn ziel beveilgd voor den dood; Ps. 62, In God is al mijn heil, mijn eer; Ps. 65, Een stroom van ongerechtigheden; Ps. 68, Geloofd zij God niet diepst ontzag; Ps. 72, Nooddruftigen zal Hij verschonen; Ps. 73, Wien heb ik nevens U omhoog; Ps. 84, Want God de Heer', zo goed, zo mild. En vult u, naar keuze, verder maar aan.
Wij zouden ons waarlijk ongelukkig voelen met een psalmbundel, waarin verzen als deze ontbraken of verminkt waren geworden; Met de inhoud daarvan verenigd en gedrenkt, voelen wij ons sterk tegenover de vroegere en later Gezangenbundel, met z'n doorsneeoppervlakkigheid, om niet meer te noemen. Ook beseffen we de thans breed uitgemeten noodzakelijkheid niet van een totaal nieuwe (en andere) berijming. Laat dan in 1773 de Hebreeuwse grondtaal der Psalmen niet opzettelijk aan de orde gesteld zijn, dat die geheel genegeerd zou wezen, durf ik niet te beweren. Dat was wel het geval bij de berijming van Datheen; , die zonder meer een onbeholpen vertaling was van de Franse psalmen van Marot en Beza. Zij ging er tóch in bij het volk. Niet, omdat dit onverschillig stond tegenover dit bezwaar. Maar omdat met het zich houden aan de grondtaal (zo het heet) lang niet alles gezegd is. In deze ben ik het eens met wat Hasper opmerkt (3)): „Een berijming houdt het midden tussen een vertaling en een vrij gedicht. Een berijming is naar alle zijden een compromis. In een vertaling moet letterlijk alles en alles letterlijk staan. Dit is onmogelijk in een berijming. Deze is gebonden aan een versvorm. Dat wil zeggen, dat er voor sommige gedachten en woorden te weinig of geen plaats is of te veel".
Dit is oordeelkundige taal. Bovendien doet zich bij de grondtekst der psalmen vaak het geval voor, dat hij op meer dan één manier kan uitgelegd worden. 't Komt er dan op aan, dat hierbij iemand aan 't woord is, die de diepe zin der Schrift voor dit geval verstaat en toeziet, hoe hij dit in de berijming, het lied der Gemeente, te vertolken heeft.
, , Wij kennen ten dele", geldt ook van de rijmpsalmen, en wel bijzonder van die van Datheen en de onze. Alle mensenwerk heeft tekorten en gebreken. Nieuwe berijmingen, die bestaande bezwaren heten te ondervangen, zullen wellicht weer in andere opzichten in gebreke te stellen zijn. Laat men niet menen, dat men door het wegnemen van formele bezwaren, betere aansluiting aan de grondtekst en een meer moderne dichtvorm, gepaard met het z.g. herstellen van het vroeger bestaande rythme in de melodie, op zich zelf iets tot stand zou brengen, dat weerklank vindt bij Gods Gemeente, en van zelf wel opgelegd zou kunnen worden als bruikbaar, begeerd zelfs, voor haar samenzang. De vrees is ook al geuit, dat in de pogingen van de laatste tijd wel een doelstelling van bepaalde kringen aan de dag treedt, maar dat het kerkvolk zelf er wel eens interesloos tegenover zou kunnen staan. Hetgeen blijkbaar nog een open vraag is. In 1624 kwam een uitgave van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament uit van Elsevier te Lelden, met de hoogdravende inleiding: , , Textuan ergo habes nunc ab omnibus receptum", etc: , , hier hebt gij nu de nieuw gewonnen tekst, waarin niets te wensen meer is over gebleven". En later, d.i. gedurende 2 eeuwen, bleek, dat juist deze uitgave van fouten wemelde. Zo kon het ook wel eens gaan met een psalmberijming, die het karakter van een standaardwerk zou willen opeisen.
Daarom vrezen wij zeer, op nog nader aan te geven gronden, dat de berijming van ds. Hasper en die van de Interkerkelijke Commissie niet zullen slagen. Er zijn ook al enkele aanwijzingen voor. M.i. zou het Geref. kerkvolk het meest gebaat zijn, als het , , hinderlijke" en gebrekkige in de huidige psalmberijming door vertrouwensmannen zoveel mogelijk zou kunnen weggenomen worden, met zo min mogelijk nieuwigheden. Dat zal mlsschien aan mijn leeftijd liggen, dat ik er zo over denk. Misschien ook niet helemaal. Want 't beginsel spreekt ook een woord mee, en dan is er geen leeftijdsgrens. Dan zullen ook jongeren dit met mij zo aanvoelen. Feit is, dat (vandaar de Gezangenstrijd) al zingend ketterijen en oppervlakkigheden de gemeente worden binnengeloodsd.
Bij de invoering van de berijming van 1773, op 1 januari 1775 lezen wij wel van enige tegenstand, zoals in Maassluis, Vlaardingen, Westkapelle en Vrouwenpolder, zelfs met ruwe tonelen; maar de tegenstand betrof niet de berijming zelf, doch lag aan de zingtrant, die nu ingevoerd werd, deze, dat de eerste en de laatste noot van iedere regel lang, en alle noten daartussen, kort gezongen moesten worden. Dat was niet naar de smaak van velen, die met de berijming van Datheen geslachten lang aan wat langgerekt en gelijkmatig zingen gewend waren. Doch ook de wijze van zingen naar 1773 hield geen stand.
1) J. Kuiper, a.w., blz. 314, 335.
2) H. H. Burger, „Ons Kerkboek", blz. 78, 79.
3) Hasper, a.w., blz. 23, 24.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's