De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN EER HERSTELD!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN EER HERSTELD!

9 minuten leestijd

Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jonas zoon, hebt gij Mij liever dan deze? enz. Johannes 21 : 15-18

Met vele gewisse tekenen heeft de verrezen Heiland zich aan Zijn jongeren geopenbaard.

In de eerste veertien verzen van ons teksthoofdstuk wordt ons medegedeeld, hoe de Heiland aan Zijn jongeren is verschenen, toen ze weer bezig waren om de netten uit te werpen op de zee van Galilea. 

O, wat een wondervolle visvangst! Honderd drie en vijftig vissen werden in de netten gevangen.

In mijn gedachten zie ik de Heiland zitten in het midden Zijner jongeren bij het kolenvuur, opdat Hij samen met hen het middagmaal zou eten. Niemand van de discipelen durfde Hem echter te vragen: Wie zijt Gij? , wetende dat het de Heere was. Hijzelf had er voor gezorgd, dat Zijne jongeren, die door de nachtelijke zware arbeid vermoeid en hongerig waren geworden, zich aan een heerlijke maaltijd konden verkwikken.

Toen echter de maaltijd voleindigd was, ontspon zich een buitengewoon ernstig gesprek. Op de man af richt zich de Heere Jezus tot Petrus, die diep gevallen discipel, die Hem in de zaal van Kajafas tot drie malen toe verloochend had. 

Het was niet de eerste maal, dat de Heiland na Zijn opstanding deze discipel ontmoette. De eerste ontmoeting had reeds plaats gehad. Wanneer en onder welke omstandigheden dit geschiedde, weten wij niet.

De apostel Paulus schrijft er alleen dit van, dat Hij ook van Cephas is gezien.

We zouden er van kunnen zeggen, dat deze ontmoeting een buitengewoon intiem karakter moet hebben gehad.

De dichter zingt:

't Heilgeheim wordt aan Zijn vrienden Naar Zijn vree verbond getoond.

Inderdaad is dit een heilgeheim geweest. Niemand van de jongeren, die er ook maar aan heeft gedacht om de diepgevallen broeder te verwerpen en te verstoten.

Stellig- hébben ze allen bij het horen van de vraag van de Meester de ogen op Petrus gericht. Wat zou er nu met hem gaan gebeuren?

Merkwaardig is het, dat de Heere Jezus Zijn discipel niet noemdemet de naam van Petrus, die erenaam van rotsman, die Hij hem gaf na zijn heerlijke belijdenis te Caesarea Philippi. Hij noemt hem bij zijn oude naam.. Ja nog meer, Hij noemt hem Simon, Jona's zoon.

Voelt gij niet lezers, dat door deze benaming de gevallen discipel wordt herinnerd aan zijn natuurlijk bestaan? Simon, Jona's zoon, dat is de naam van de oude visser.

En toen kwam de doordringende vraag: „Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij liever dan deze? "

Het was deze discipel eigen geweest om de eerste plaats te willen innemen in de kring der jongeren.

Ondanks het vermanende woord van de Heiland, dat de satan hem begeerde te ziften als de tarwe, hield hij toch vol. dat hij de Meester nimmer zou verloochenen; Al zouden allen Hem verlaten, hij was bereid om met Jezus te sterven. Ach, deze discipel wist het nog niet, dat hij maar zwak van moed en klein van krachten was. Hij was van mening, dat het woord van vermaning om niet hooggevoelende te wezen, maar te vrezen, op hem niet van toepassing was. Als er één was, die de Heiland lief had boven alles, had hij gemeend het te wezen. Wat was het echter droevig met hem afgelopen! Niet alleen, dat hij na de gevangenneming met de anderen zijn heil had gezocht in een smadelijke vlucht, maar in de rechtzaal teruggekeerd, durft hij er tegen de soldaten en tegenover een eenvoudige dienstmaagd niet eens voor uit te komen, dat hij de Meester kende. Ja nog erger, onder vloeken en zweren betuigt hij, dat hij met Jezus niets te makenhad. En ziet, nu zijn ze dan aan de oever van de zee van Galilea aan de maaltijd gezetten en wordt Petrus daar ineens voor die doordringende vraag gesteld of hij de Meester lief had, meer dan de andere discipelen Hem liefhadden.

Zeker, ook de anderen waren gevlucht, maar waren toch niet zo diep gevallien als Petrus.

Nu kan het de lezers van de Statenvertaling niet zijn opgevallen, dat er in de tekst sprake is van twee woorden in het Grieks, voor „liefhebben". In Zijn vraag gebruikt de Heiland een woord hetwelk bedoelt: een liefhebben met de daad.

O, wat moet Petrus op die doordringende vraag wel ten antwoord geven? Hij roept het uit: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb.

In zijn anitwoord gebruikt Petrus echter een woord voor liefhebben, hetwelk meer spreekt van de genegenheid van het hart. Met de daad had hij de Meester verloochend. Hij had het er zeer droevig afgebracht en toch beriep hij zich op de alwetendheid van de Meester, dat er op de bodem van zijn hart een onuitroeibare liefde tot de Heere Jezus werd gevonden.

O, wat had het haangekraai op die droeve vrijdagmorgen hem wakker geschud u!it de doodsslaap der zonde. Hij had het in de rechtzaal niet langer kunnen uithouden. Hij was naar buiten gegaan en had bitterlijk geweend. Dat waren tranen van oprecht, diep berouw. Dat waren de tranen, die God bewaart in Zijn heilige fles. Al waren zijn daden droevig geweest, de liefde tot de Meester vlamde opnieuw op in zijn hart.

Petrus deed een beroep op de alwetendheid van Christns. De gedachte, dat God alwetend is, kan een onheilspellende gedachte wezen. Al wat we deden, is de Heere bekend. Van elke zonde, die we gedaan hebben, van elk woord, wat we gesproken hebhen, was Hij de stille getuige. Eens zal dit alles in het gericht komen. Aan de andere zijde is echter de alwetendhedd van Christus voor deze diep gevallen discipel een troost geweest. Hij mocht er zich door genade op beroepen, dat de Heiland wist, dat het onuitblusselijke vuur der liefde op de bodem van zijn hart opnieuw was ontbrand en ook bleef oplaaien.

Vol tederheid klonk het antwoord van de lippen van de Zoon des mensen: Weid Mijne lammeren.

Stellig hebben ook de discipelen zich in dit antwoord verblijd. Hun medebroeder werd om zijn diepe val niet verstoten, maar in zijn ambt hersteld.

Maar nog is het verhoor niet ten einde. De Heiland herhaalt Zijn vraag ten tweede male: Simon Jona's zoon, hebt gij Mij lief? De woorden: , , liever dan deze" worden wel weggelaten, maar de Heiland blijft gebruik maken van het Griekse woord , , liefhebben met de daad".

Wederom geeft echter de discipel het zelfde antwoord: Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb. Weer gebruikt Petrus een ander woord voor liefhebtoen dan de Heiland gebruikt in Zijn vraag. Om het in de vertaling te laten uitkomen, zouden we kunnen zeggen: Ja, Heere, Gij weet, dat ik van U houd.

En weer klonk hem een vriendelijk antwoord tegen: , , Hoed Mijne schapen!"

Maar nog is het requisitoir niet geëindigd. Hij zeide tot hem ten derde male: Simon, Jona's zoon, hebt gij Mij lief?

Dat de Heere hem voor de derde maal naar zijn liefde heeft gevraagd, moet hem met smart hebben vervuld bij de gedachte, dat hij Hem in de nacht van de gevangenneming tot driemaal toe had verraden.

En toch spreekt ook die vraag van nameloze liefde. In die derde vraag gebruikt de Heiland het zelfde woord voor liefde, hetwelk Petrus steeds gebruikte. Nu vraagt Hij niet langer naar de daad, maar naar de genegenheid in het diepst van het hart.

En dan roept Petrus het vol heilige hartstocht uit: Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb.

En weer vernam hij het liefdevolle antwoord: Weid Mijn schapen. Nu is het requisitoir afgesloten. Petrus is in zijn ambt van apostel hersteld in het midden van de kring der jongeren Zijn schuld is vergeven. De Heiland heeft zijn zonden achter Zijn rug geworpen.

Let u nog eens op die tedere antwoorden: , , Weid Mijne lammeren; hoed Mijne schapen, weid Mijne schapen".

Wie zal beter de schaapkens weiden dan deze herder Petrus, die zo diep was gevallen, maar die ook uit het modderig slijk opnieuw was opgericht? Wie wist beter dan Petrus, wat er schuilt in de diepte van het zondige mensenhart? Wie heeft dieper gegraven in de wand van zijn hart dan deze apostel? Wie zal beter de gevallenen vermanen en troosten dan Petrus?

Het woord, wat Christus tot hem had gesproken in de nacht des verraads, gaat nu in volkomen vervulling: , , En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uwe broederen".

Lezers, in deze overdenking werden we bepaald bij de droeve verloochening van Petrus. Zullen we uit de hoogte op hem neerzien en zeggen: , , Raak mij niet aan, want ik ben heiliger dan gij zijt"? Hébben wij de Heiland nimmer verloochend? Kwamen we op voor de eer van Zijn Naam ais in onze nabijheid die Naam werd vervloekt? Hadden we de moed om in trein of café een zegen te vragen over het voedsel, wat God ons geschonken had, of lieten we het uit schaamte na?

Lezers, ik houd op met vragen.

O, wat al zonde, wat al schuld! Neen, ik moet de vuist niet ballen tegen Petrus en tegen Kajafas en tegen Pilatus en allen, die verder een rol hebben gespeeld in het lijden van Christus. Ik moet met Rivetus komen tot de belijdenis: Ik deed Hem met mijne zonden al die smarten aan.

De duivel is machtig. Daar komen nog twee andere vijanden: vlees en wereld bij. Moet dat niet Gods kind op de knieën brengen met de bede: Help ons dan, en maak ons vrij.

Met het oog op de gevaren, die hij zelf heeft ondervonden, heeft Petrus dan ook de gemeente, aan wiehij zijn schrijven richtte, toegeroepen: „Zijt nuchteren en waakt, want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden".

Maar deze aangrijpende openbaringsgeschiedenis predikt ons ook, dat er genade te vinden is voor ieder, die in het verborgene zijn zonden leert bewenen, zijn zonden belijdt, zijn zonden laat en smeekt om vergeving.

En als we dan horen, dat de Heere Zijn Koninkrijk heeft gebouwd ook door deze discipel, dan staat het opnieuw vast, dat de Heere met gebroken rietstaven grote wonderen doet.

Het verdere van- dit hoofdstuk vorme de stof voor een andere overdenking.

Eén greep mogen we echter nog wel nemen uit hetgeen volgt.

, , Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij: uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet, maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen, waar gij niet wilt."

Hoe de juiste exegese van deze woorden ook moge zijn, de verklarende woorden: , , En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanige dood hij God zou verheeriijken", zeggen ons genoeg.

Dezelfde discipel, die bang was om uit te komen voor de Naam van Koning Jezus tegenover een eenvoudig meisje, is volgens de overlevering gestorven aan een kruis voor die enige Naam, die onder de hemel is gegeven tot zaligheid, tot roem en prijs van God alleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN EER HERSTELD!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's