REFORMATORISCHE Sabbathsopvatting
De opvattingen van de reformatoren zitten diep in ons volksleven. Herhaaldelijk blijkt, dat onder een dunnere of dikkere bovenlaag die opvattingen er toch onder zitten. Zelfs daar, waar men geheel met alle religie gebroken heeft, blijkt toch op een gegeven ogenblik, dat er nog ergens wat van dat oude onderwijs is blijven zitten. De wijze, waarop de reformatie b.v. het gebod Gods heeft aan de orde gesteld, is- dan ook bepaald indringend. Onder die geboden wel het meest het sabbathgebod.
Geheel anders dan de andere geboden, werd het vierde gebod behandeld. Bij elk gebod gaan de gróte reformatoren breedvoerig na wat mag en wat niet mag. Na een positieve uiteenzetting, volgt overal nog een negatieve. Bij elk gebod wordt ook gevraagd naar wat hier verboden is, en bij elk verbod ook wat hier geboden is. Eigenlijk steeds weer een hele casuïstiek (gevallen leer). Alleen bij het vierde gebod wordt dat geheel nagelaten. Wie het gebod zelf leest en dan de verklaring, die men gaf, voelt zich wat teleurgesteld, want bij deze wijze van behandeling weet men eigenlijk nog niets.
Deze merkwaardige wijze van doen zit hem in de visie, die de Reformatie gehad heeft op de Sabbath. Zij achtte deze dag gedeeltelijk tot de ceremoniële, gedeeltelijk tot de zedelijke geboden te behoren. De ceremoniële geboden duurden tot de komst en tot het offer van Christus, de zedelijke geboden zijn blijvend. Ik zeg met nadruk, dat zij dit gedeeltelijk zo stellen, omdat men in uitgebreide kringen der theologen aanneemt, dat de Reformatie heel dit gebod als ceremoniëel ziet. Bij onderzoek is het mij anders gebleken.
Wat de tijd betreft, dat namelijk de Sabbath op de zevende dag gevierd zou worden, dat achten zij een ceremonieel gebod, waaraan na Christus' opstanding verandering is gekomen. De zedelijke inhoud achten zij moreel. Van deze overschakeling bespeurt ge iets b.v. in de Catechismus, zondag 38. Als de Catechismus zegt : , , dat ik op de Sabbath tot de gemeente Gods naarstig kome", " dan voegt zij daaraan toe de verklaring , , dat is op de Rustdag". In het algemeen schrijven de Reformatoren deze verandering kalmweg toe aan de kerk, aan de Apostelen, aan de eerste christengemeente. Sommigen zeggen rondweg, dat niet God deze instelling gewijzigd heeft. Anderen zeggen, dat God dat zo- door Zijn gemeente gedaan heeft. Dr. Franc . Junius zegt , , dat Christus Zelf die dag ( door de samenkomsten van de Apostelen en de discipelen het meest heeft geconsecreerd, gelijk Hij die dag met Zijn verrijzenis. heeft geheligd". Als stellig bewijs uit de Schriften haalt Junius aan, dat Christus in de veertig dagen na Zijn verrijzenis tot Zijn discipelen heeft gesproken van de dingen, die 't koninkrijk Gods aangaan. Zeker is wel dit, dat van de Apostolische tijd af aan, de eerste dag der week is gevierd als dag des Heeren, als Nieuw Testamentische Sabbath.
Wie een beroep doet op Colossensen 2, 16 en 17 , , Dat u niemand oordele in spijs of drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbathen, welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is Christus", moet bedenken, , dat inderdaad de Sabbathen, n.l. de sabbathdagen, de sabbathsweken., de sabbathsjaren hebben opgehouden, nu het lichaam, dat de schaduw wierp, zelf gekomen is. Wie in het geding brengt Romeinen 14, 5 : , , De een acht wel den eenen dag boven den anderen dag, maar de ander acht al de dagen gelijk : een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd", moet bedenken, dat het hier niet over het Sabbathsvraagstuk gaat, maar over het eten, al of niet, n.l. op de feestdagen en op de vastendagen.
Is dus de Sabbath naar zijn ceremoniële zijde afgeschaft, niet alzo naar zijn geestelijke zijde. Er is nog (of weer) wel degelijk een christelijke rustdag, een dag des Heeren. Die is in de oude christelijke kerk ingesteld en altijd in zwang gebleven. De reformatoren hebben daar wel grote waarde aan toegekend. Ik spreek niet eens over de minutieuze, wettische sabbathsviering der Joden. Die wijze van doen is niet eens door Jezus opstanding, maar reeds daarvóór door Christus aan de kant gezet. Maar daar is wel gebleven of gekomen die bepaalde dag, die geheiligd is door Christus' opstanding en door de insteling, der Apostelen. Het is niet om het even of iemand op de dinsdag of op de zondag de dag des Heeren viert. De dag des Heeren, de Rustdag, dat is die ene bepaalde dag, de eerste dag der week. En omdat deze dag in ons volksleven en in ons kerkelijk leven zo aan het uitslijten is, zou ik u graag willen laten horen hoe de Dordtse vaders daarover gedacht hebben. En deze Dordtse vaders zijn niet de vaders van een bepaalde richting in de kerk, maar van heel onze kerk. Dat zijn dus uw vaders en de mijne. Aan hen zijn wij op vele terreinen veel dank verschuldigd ! Op de Nationale Synode van Dordrecht nu werd het volgende over de sabbathsviering bepaald: 1. In het vierde gebod van de Wet is iets ceremonieels en iets moreels. 2. Ceremonieel is geweest de rust van de zevende dag van de Schepping. 3; Moreel, dat een zekere en gezette dag de Godsdienst zij toegeëigend. 4. Zijnde de Sabbath der Joden afgeschaft, moeten de Christenen den Zondag of den dag des Heeren sollemnelijk heiligen. 5. Deze dag is sedert de Apostelen in de Oude Katholieke Kerk altijd onderhouden geweest. 6. Deze dag moet alzo de Godsdienst toegeëigend worden, dat men op dien dag moet rusten van alle slaafse arbeid (uitgezonderd die de liefde en de noodzakelijkheid vereischen) mitsgaders alle zodanige recreatiën, die de Godsdienst verhinderen.
Het is bekend, dat de Reformatoren niet enghartig zijn geweest in hun zondagsheiliging, maar veel ruimhartigheid, die men, hun, toeschrijft, is bepaald legendarisch. Niet op een wettische, maar wel op een, zeer zedelijke wijze eigenen zij die dag tot de Godsdienst. Ik las o.a. dit: , , Waar men het Sabbathvieren nalaat, daar gaan èn de religie èn de kerk te gronde". Zij wilden dat de kerkdienst onderhouden zou worden en de scholen. Aardig is het te weten, dat de Reformatie het onderhoud van kerken en scholen deels aan de overheid, deels aan de kerk zelf opdroeg. De kerkgebouwen (stichting en onderhoud), de scholen (universiteiten), de gagiën der predikanten waren aan de overheid aanbevolen. In de kerk werd alleen voor de armen gecollecteerd. Wij komen dus weer wat in de lijn, als de overheid weer meer belangstelling gaat krijgen voor het bouwen en onderhouden van kerken. En wij zijn nog helemaal in de lijn, waar wij Rijksuniversiteiten hebben en geen kerkelijke Theologische scholen. Met de tractementen zijn wij maar zeer ten dele in de lijn met onze Rijkstractementen (een klein, deel van het gehele tractement. Wat dan een vergoeding is voor de in de Franse tijd geconfisceerde kerkelijke bezittingen). Wie de zilveren koorde met de Staat willen doorsnijden (gelijk de Gereformeerde Bond in zijn eerste tijd wilde), die laten wel een hoog historisch goed verloren gaan, Toegegeven dat de kerkelijke gespletenheid van ons volk hier nogal moeilijkheden geeft.
Aan de kerk zelf droegen zij op de onderwljzing en de beroeping van de predikanten. Uit de oud-christelijke tijd is bekend, dat de Evangelist Marcus te Alexandrië in Egypte, de eerste predikantenschooi hééft opgericht met een menigte van discipelen. Heel eenvoudig bestond zijn onderwijs uit het lezen en uitleggen van de Heilige Schriften. Uit die school van Marcus is een rij voortreffelijke mannen voor de kerk voortgekomen. Grote zorg droeg de kerk der hervorming ervoor dat de predikers bekwaam, recht en naarstig predikten. De hemelse leer moesten zij brengen, die zij niet mochten vervalsen, verkleinen of buigen naar de opiniën van henzelf, de overheden of het volk. Met tot voordeel van henzelven, maar tot voordeel des Heeren en tot nuttigheid der zielen zouiden zij prediken.
Aldus het onderhoud van kerken en scholen.
Het volk moest tot de gemeente Gods naarstig komen, inzonderheid op den rustdag. Men had ook weekdiensten. In Rotterdam is tot in het vorige geslacht het houden van die weekdiensten in zwang gebleven. De ouderen herinneren zich dat. Ook op zondag kwam men véél samen. Calvijn preekte in Genève drie keer per zondag, 's morgens vroeg, later in de morgen en in de middag. In deze kleine stad met zijn drie dominé's deden zij dat alle drie, en het volk kwam. In ons land deed men dit minstens twee keer per zondag. De Prins van Oranje was in de middagdienst van de Nieuwe Kerk van Delft, toen het bericht kwam. van Leiden's ontzet. Er lag over de kerkdienst, over de prediking- nog zo de gloed van het nieuwe. Men ging er in op.
Ik onderstreep uit de Dordtse bepalingen nog enkele dingen. , , Den dag des Heeren sollemnelijk (plechtig) heiligen. Deze dag moet de Godsdienst toegeëigend worden. Men moet rusten van alle zodanige recreatiën, die de Godsdienst verhinderen". Wij hebben hier met een nog, geldend zedelijk gebod van God te doen. Wie zijn zaligheid ter harte gaat, zal dit gebod houden, oprecht en welgezind.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's