De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nadere repliek 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nadere repliek 3

10 minuten leestijd

OP HET ANTWOORD VAN DE GENERALE SYNODE OP DE RESOLUTIE VAN DE VERGADERING VAN AMBTSDRAGERS TE UTRECHT OP 13 OCTOBER 1958, OPGEDRAGEN AAN HET BREED MODERAMEN VAN DE GENERALE SYNODE VAN DE NED. HERV. KERK,

Zo komen wij van zelf bij de tweede alinea van het hiervoor afgedrukte gedeelte van het antwoord. Blijkens de beslissing om de vrouw tot het ambt toe te laten ondanks de meergenoemde duidelijke uitspraken der Schrift, heeft de synode zich aan het reformatorisch Schriftgeloof niet gehouden, heeft zich althans daardoor niet gebonden gevoeld.

Officieel heeft de kerk geen andere dan de in artt. III—VII omschreven belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Schrift. Practisch houden velen zich echter niet aan die belijdenis, de synode incluis.

Dat betekent ten eerste, dat die velen, die van het reformatorisch Schriftgeloof zijn vervreemd, aan zich zelf zijn overgeleverd en bloot staan aan de invloed van allerlei beschouwingen omtrent de Schrift en de al of niet erkenning van haar goddelijk gezag en haar naar eigen goeddunken waarderen.

En het betekent ten tweede, dat de velen, die het reformatorisch Schriftgeloof in gemeenschap met de vaderen omhelzen, hoewel zij het volste recht hebben op erkenning en eerbiediging van dat geloof — zijnde het officiële — zoals thans het geval is, worden miskend in hun geloof en voor een onmogelijk dilemma worden geplaatst.

De synode zelf toch zal niet kunnen ontkennen, dat dit de huidige situatie is, en, dat zij die door de „gewraakte" beslissing uitermate duidelijk heeft gemaakt.

Zij zal ook niet kunnen ontkennen, dat de practijk een iegelijk vrijlaat om over de Schrift, haar gezag en haar inhoud te denken, zoals hij verkiest. Het kan haar niet onbekend zijn, dat zulks ook geschiedt, en waarlijk niet alleen aangaande het gezag der Schrift, maar ook aangaande de leer.

Het breed moderamen is aansprakelijk, maar wij kunnen toch niet aannemen, dat de leden van het moderamen deze brief allen voor hun rekening nemen.

Immers de situatie, die wij tekenen, is zo. Op deze wijze wordt de kerk overgeleverd aan allerlei wind van leer. Is dat wat anders dan een chaos van meningen?

Uit het toekennen van een dergelijke draagwijdte aan de door de synode genomen beslissing blijkt o.i. een niet recht verstaan van de gereformeerde leer van de „helderheid en doorzichtigheid" van de H. S. Deze „doorzichtigheid" geldt wel alle zaken, die betrekking hebben op het heil, dat ons in Jezus Christus is geschonken. In de H. S. wordt „voldoende geleerd al wat de mens heeft te geloven om behouden te worden" (art. VII N.G.B.). Deze leer mag echter niet zo worden verstaan, dat de Schrift t.a.v. van alle vragen op het terrein van geloof en kerkorde voor een duidelijke en zekere uitleg vatbaar is. Dit nu geldt ook van de onderhavige kwestie waarin de meningen van serieuze schriftonderzoekers uiteengaan. Het zou u toch ook iets te zeggen moeten hebben, dat theologen wier gereformeerde schriftbeschouwing niet in twijfel mag worden getrokken t.a.v. de vrouw in het ambt toch niet die verhinderingen in de H. S. lezen, die u hierin met zo grote stelligheid meent te kunhen aanwijzen.

De brief wil nog wat kracht bijzetten met een uiteenzetting van de „doorzichtigheid" van de Heilige Schrift, die ons doet vragen: zou dit nu werkelijk door een theoloog zijn uitgedacht? Edoch, het is welhaast onbegrijpelijk, maar het is door twee theologiae doctores ondertekend!

Als datgene, wat in deze passage geboden wordt, de strekking van de leer der perspicuitas is, dan hebben wij er nog niet veel van begrepen. Daarin zouden zij gelijk hebben. De leer van de doorzichtigheid der Heilige Schrift zou dan zodanig worden toegepast, dat zeer duidelijke voorschriften en geboden ondoorzichtig worden. Het zou dan eigenlijk een leer der verduistering zijn.

Wij houden ons toch maar liever aan de traditionele zin, welke alleen insluit, „dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid nodig is, niet op elke bladzijde der Heilige Schrift even klaar, maar toch door heel de Schrift heen in zo eenvoudige en bevattelijke vorm wordt voorgesteld, dat iemand wie het om de zaligheid zijner ziel te doen is, gemakkelijk door eigen lezen en onderzoek uit de Schrift die waarheid kan leren kennen, zonder hulp en leiding van kerk en priester". (Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, I, blz. 507.)

Dat is wel geheel wat anders dan in de brief wordt beweerd: „Deze „doorzichtigheid" geldt wel alle zaken, die betrekking hebben op het heil, dat ons in Jezus Christus is geschonken". Men kan nu eenmaal geen scheiding maken tussen wat wèl en wat niet betrekking heeft op het heil in Christus, om de eenvoudige reden, dat heel de Schrift daarop gericht is, ook wat zij leert aangaande het verkeer in het huis Gods, de prediking, de ambten enz. Maar de leer der doorzichtigheid zegt: geeft de Schrift maar in handen van de eenvoudige en ongeleerde mensen, want de heilbegerige vindt daarin de weg en de kennis ter zaligheid genoegzaam duidelijk geleerd. Art. VII der N.G.B, gaat intussen over de genoegzaamheid der Schrift.

De leer der perspicuitas beweert dus niet, dat de Heilige Schrift duidelijk is in al haar delen, zelfs niet, dat zij in de leer der zaligheid voor ieder mens zonder onderscheid klaar en duidelijk is. (Vgl. Dr. H. Bavinck t.a.p.)

Doch in geen geval kan deze leer de duidelijkheid wegnemen van de reeds eerder en meergenoemde Schriftplaatsen aangaande de onderhavige kwestie, ondanks de opmerking van het breed moderamen aangaande de uiteenlopende meningen van „serieuze Schriftonderzoekers". Dat is intussen de zwakke zijde van de leer der doorzichtigheid, dat iedereen zich met de Schrift en haar inhoud bemoeien kan en zijn meningen daarover ten beste kan geven. Wij willen daarom de Schrift niet aan de mensen onthouden, maar de verdeeldheid van het protestantisme vindt daarin althans voor een niet onbelangrijk deel haar verklaring.

Dat neemt niet weg, dat de synode zich door de geloofsbelijdenis aangaande de Heilige Schrift en haar gezag, en niet door de uiteenlopende meningen van Schriftonderzoekers heeft te laten leiden. De synode moet toch goed voor ogen houden, dat het gaat om die belijdenis, en dat het goddelijk gezag der Heilige Schrift een zaak van geloof is, zoals wij eerder hebben gememoreerd, en niet een zaak van wetenschappeHjk onderzoek.

Het breed moderamen zie intussen toe, dat hier een beroep wordt gedaan op uiteenlopende meningen. Zij neme kennis van hetgeen de Rotterdammer dd. 19 januari 1959 mededeelt omtrent de conclusie van Ds. Rensink naar aanleiding van de intrekking van zijn bezwaarschrift: om te constateren, dat wij geen woord teveel hebben gezegd:

Ds. Rensink voegt dan hieraan als eigen conclusie toe: „Nu wil ik ook, wat de synode zegt over de oorspronkelijke uitleg van artikel X als niets anders dan een mening van de synode opvatten, welke ze op gezag van enkele harer leden en in de nood van het ogenblik uitspreekt. Tegenover haar mening zet ik, als oor- en ooggetuige van het werk van de synode onder de kerkorde de mijne, in alle bescheidenheid. Wat de juiste uitleg is, kan eerst een objectief onderzoek, door een proces om de leervrijheid nodig geworden, uitmaken. En de hemel verhoede, dat het ooit tot zulk een proces zou moeten komen. Tot zo lang blijve ook dit dan rusten ten gerieve van de verschillende zuilen in onze kerk, die ieder voor zich artikel X, naar eigen speciale uitleg, opeisen".

Indien de synode geen ernst maakt met de belijdenis zal de verwarring hand over hand toenemen. Is de synode van oordeel, dat de belijdenis aangaande de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift niet juist en daarom niet houdbaar is? Is zij van oordeel dat zij niet op geloof, maar op een dwaling der reformatoren zou berusten? Laat zij dan de moed hebben daarvoor uit te komen en die belijdenis aan de orde stellen.

Bovendien menen wij dat de synode in deze zaak terecht ook heeft geluisterd naar wat andere kerken ons te zeggen hebben. Aan het gereformeerd protestantisme is van zijn oorsprong af een brede oecumenische trek eigen geweest. Van Calvijn is de uitlating bekend dat hij wel tien oceanen wilde oversteken om de eenheid van het verscheurde lichaam van Christus te herstellen. Er zijn reeds vele kerken in de wereld, waaronder ook van gereformeerde signatuur, die in deze eeuw de vrouw in het ambt reeds kennen en dit als een zegen hebben ervaren. Deze brede oecumenische toon klonk ons uit uw schrijven allerminst tegemoet. Wij moeten ons helaas afvragen of uwerzijds nog wel goede trouw aanwezig is bij het uitspreken van een zo ernstige aanklacht als het „overgeven aan een chaos van meningen".

Van het tegendeel heeft de synode in de afgelopen jaren herhaaldelijk blijk gegeven waartoe wij u slechts herinneren aan het doen uitgaan van geschriften als „Fundamenten en Perspectieven van belijden", het Herderlijk Schrijven over het Rooms-Katholicisme en de recente Verklaring over enige stukken van het belijden en over de uitlegging van art. X van de kerkorde, .

Geluisterd naar andere kerken. Staan die kerken dan niet onder de Heilige Schrift? Dat is een ander geluid dan van de apostel, die er op wijst, dat het in alle gemeenten (kerken) zo is en behoort te zijn, gelijk hij gebiedt. (1 Cor. 14 : 33 vv.)

Hier komt o.i. het eigenlijke argument naar voren. Andere kerken zijn er toe overgegaan en zo schijnt dus de aanleiding . uit de kringen van de oecumenische beweging opgekomen. Dit verklaart ook de overigens niets ter zake dienende uitweiding over de „oecumenische trek" van het gereformeerd protestantisme. Zeker, Calvijn heeft wel eens zo iets gezegd, doch niet tot ale prijs, bv. niet ten koste van het reformatorisch geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift.

Immers dan had hij wel onder het pausdom kunnen blijven. Dat heeft hij echter niet gedaan en daarom is het een vergissing te menen, dat Calvijn hen in hun oecumenisch streven zou hebben gevolgd, laat staan zou zijn voorgegaan. Wij zijn veeleer van oordeel, dat Calvijn zou hebben vastgehouden aan de apostolische geloofsbelijdenis als gemeenschappelijke oecumenische confessie. Indien de verdedigers en voorstanders van de Wereldraad van Kerken aan deze eis zouden vasthouden, waarin toch op zich zelf niets overdrevens zou zijn, zou de oecumene in deze vorm uit elkander vallen.

Daarom kunnen wij het verwijt, dat die brede oecumenische toon in ons schrijven ontbreekt, niet ernstig nemen.

Overigens staan wij niet alleen in ons protest tegen de toelating van de vrouw tot de ambten. In Zweden werd een scheuring ten gevolge van een dergelijke beslissing nauwelijks voorkomen door een regeling van dispensatie en het zal aan het breed moderamen ook niet onbekend zijn, dat de Anglicanen met de toelating van de vrouw niet instemmen.

De Rotterdammer dd. 19 januari 1959 meldt daaromtrent het volgende:

„Het Zweedse besluit om de vrouwen tot de ambten toe te laten in de Zweedse staatskerk heeft nogal beroering gewekt onder de Engelse anglicanen. De Church of England heeft de Lutherse kerk van Zweden erkend, zodat er tussen de beide kerken kanselruil mogelijk is geworden. Nu de Zweden de vrouw tot de kansel hebben toegelaten is er een denkbeeldige mogelijkheid dat een vrouw een anglicaanse dienst zou kunnen leiden.

Namens een groot aantal priesters heeft kanunnik J. Brierley uit Lichtfield in Staffordshire er bij de aartsbisschop van Canterbury op aangedrongen in Zweden stappen te nemen, waardoor duidelijk wordt dat de anglicanen met de toelating van de vrouw tot de ambten niet instemmen. Het episcopaat van de Engelse Kerk heeft evenwel besloten dit nog niet te doen zolang de briefwisseling tussen de aartsbisschop en de kerk van Zweden over deze zaak nog niet beëindigd is".

(Wordt vervolgdi)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nadere repliek 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1959

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's